Brief apostel Judas · deel I · vers 1-7

Preek over brief van apostel Judas:
Judas, een dienstknecht van JEZUS CHRISTUS, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard.

Serie drie preken over de brief van de apostel Judas.
Deel 1
Deel 2
Deel 3

PDF · Audio

YouTube player

Preek brief apostel Judas, vers 1-7

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het voorgelezen Schriftgedeelte, de brief van de apostel Judas, en daarvan de verzen 1 tot en met 7.
De twee keren hierna wil ik graag het vervolg van deze brief met u overdenken. Vandaag dus deel I over de brief van Judas.
Vanmorgen overdenken we met Gods hulp de verzen 1 tot en met 7, vers-voor-vers.

Vers 1. Judas, een dienstknecht van JEZUS CHRISTUS, en broeder van Jakobus, aan de geroepenen, die door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard.

Van wie is deze brief?
Van Judas, zo heet de apostel, die deze brief schrijft.
En daar waren er tenminste twee van:
We kennen Judas Iskariot, de discipel die de Heere Jezus verraden heeft. Van hem is deze brief niet.
Deze Judas wordt in Mattheüs 10:3 genoemd Lebbeüs (geboren in het plaatsje Lebba) of Thaddeüs.

Hij is een broeder van Jakobus, en dus een broer of misschien een neef van de Heere Jezus. Maar het valt op dat hij dat niet als eerste zegt. Hij is niet trots op zijn afkomst, maar zegt als eerste nederig: Ik ben een dienstknecht van Jezus Christus.

En aan wie stuurt de apostel Judas deze brief?
Waarschijnlijk aan gemeenten van gevluchte Joden, die christen zijn geworden.
Na de dood van Stefanus (Hand. 8) kwam er een grote vervolging en zijn veel christenen gevlucht. Zij vormden uiteindelijk een soort vluchtelingengemeentes, waar zich later ook heidenen bij aansloten.

Die mensen, aan wie Judas schrijft, typeert hij op een bijzondere manier. Hij noemt ze:
a. Geroepenen.
Ze zijn geroepen door de ‘uitwendige roeping’, door de prediking van het Evangelie.
Maar niet alleen dat. Ze zijn ook krachtig, in hun hart geroepen door de ‘inwendige roeping’, door het Woord en door de Heilige Geest. Waardoor ze die genadige roeping van de Heere aangenomen hebben.

Als u destijds in een van die gemeenten gezeten zou hebben, zou u dan ook horen bij die geroepenen?
Die niet alleen geroepen zijn met het aanbod van genade, maar die die genade (door genade) ook aangenomen hebben?
Als God komt, als de Heere spreekt, dan wordt (zegt de puriteinse dominee Thomas Manton) de ziel in staat gesteld om te doen waartoe hij of zij opgeroepen wordt!
God zegt: Kom tot Christus!
En de ziel antwoordt: Heere, ik kom! (Ps. 27:8, Jer. 3:22)
Is dat ook een typering van uw en jouw leven?

Hoe je dat kan weten? Heel eenvoudig aan deze drie dingen:
a. Dan weet je van een door God gewerkt verdriet over je zonden.
De Heere zegt door de mond van Jeremia: Zij zullen komen met geween, en met smekingen zal Ik hen voeren (Jer. 31:9).
b. Dan weet je (in de tweede plaats) ook van het Goddelijke wonder, dat je geroepen bent uit de duisternis tot Gods wonderlijke licht (1 Petr. 2:9). Tot het wonder, tot de zoetheid, tot de kracht van vergevende genade, door de liefde van Christus en door het werk van de Heilige Geest.
c. Dan weet je (als derde) ook van een hartelijk verlangen, van een nieuwe wil om de Heere te gehoorzamen en te volgen, in alles, welk verzet dat ook zou kunnen opleveren.

Dat is een innerlijke typering, van het hart. Maar het zal ook te merken zijn aan vruchten. Aan verandering van gedrag, van denken, van willen, van ambities, van idealen.
Vroeger was je in alles gericht op jezelf. Maar nu weer, meer en meer, op God.
De vrucht is heiligmaking: haat tegen de zonde en wegvluchten van het kwade (HC, 33).
Zoals Jozef destijds zei, tegen de vrouw Potifar van: Hoe zou ik dan dit een zo groot kwaad doen en zondigen tegen God (Gen 39:9). Dat wil ik niet!

Judas typeert de ontvangers van zijn brief in de eerste plaats als geroepenen.
Hoort u bij zulke geroepenen (zoals ik die net schetste)?
Ze zijn, zegt hij, als tweede:

b. Geheiligd door God de Vader.
Apart gezet in deze wereld, om zich aan God toe te wijden, in Zijn dienst.
Hoort u, hoor jij ook bij die geheiligden?
Apart gezet, als Gods eigendom, helemaal en alleen voor Hem?
Trouwens, werd het bij je doop al niet gezegd: dat we in Christus geheiligd zijn?

Dat is mooi…, maar de vraag is natuurlijk wel: wat komt daarvan terecht?
Hoe staat het daarmee?
Is ons leven echt gericht op God, en aan Hem gewijd?
Of wijden we ons leven, onze tijd, onze energie, ons bezit, onze talenten aan… onszelf?
Aan ons eigen welbevinden? Aan onze eigen carrière, aan ons geluk, aan onze toekomst?

Aan de geroepenen, geheiligd door God Vader en (als derde):
c. Bewaard door Jezus Christus.
Staande gebleven, niet afgevallen van het geloof, maar door Jezus Christus bewaard.
Horen wij daar ook bij? Bij die mensen die door Jezus Christus staande worden gehouden?
Niet zo maar in uiterlijke zin, zo van: ‘ondanks steelse blikken, ondanks verhulde glimlachen en steeds minder ruimte om onszelf te zijn, blijven we als refo’s gelukkig wie we waren, en doen we gelukkig nog steeds wat we altijd al deden…’
Maar (daar gaat het om!): staande gebleven en bewaard in het geloof!
Dat zijn toch wel belangrijke vragen, gemeente.
Want het is niet de bedoeling dat we verworden tot een soort excentriek, nostalgisch gezelschap in de 21 eeuw…
En het is ook niet de bedoeling dat we gaan meewaaien met allerlei wind van nieuwe leer, met bijpassend eigentijds leven…
Dat, dat laatste, is juist het gevaar waar Judas tegen gaat waarschuwen!
We moeten nadenken, heel goed nadenken of we èn persoonlijk èn als gemeente zijn, wie we moeten te zijn: geroepen door Gods genade, apart gezet, en in de kracht van God bewaard en staande gehouden!
Midden in een wereld, midden in een overvloed aan nieuwe ideeën, die ons van de waarheid van dat eenvoudige, heilige leven met God willen afbrengen.
Daar gaat de apostel Judas de gemeenten voor waarschuwen.
Maar niet zonder eerst de hartelijke zegenwens aan hen mee te geven in vers 2:

Vers 2. Barmhartigheid, en vrede, en liefde zij u vermenigvuldigd.
Als bemoediging. Want wie het geloof naar eigen ideeën invult, die heeft het gemakkelijk. Maar wie staande wil blijven in aanvechting, in verleiding en in eigen zwakte, die heeft dit nodig:
a. barmhartigheid.
Het brandende liefdehart van God
b. vrede.
Vrede met God, door het bloed van de Heere Jezus Christus, dat echte vrede geeft.
Hoe moeilijk en hoe anders het leven ook gaat, dan dat je eerder dacht of hoopte. En:
c. liefde
De gunst, het dichtbij-zijn van God.

Dat alles zij u vermenigvuldigd.
Want in God is een overvloed van ontferming, vrede en liefde.
En uit die overvloed wil God u geven, mild en overvloedig.

Vers 3: Geliefden, alzo ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemene zaligheid, zo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven, en u te vermanen, dat u strijdt voor het geloof, dat eenmaal (aan) den heiligen overgeleverd is.
Er dreigen gevaren, en dus schrijft de apostel Judas:
a. met alle naarstigheid.
Met drang, gedrongen door de liefde van Christus. Want waarschuwingen kunnen vervelend klinken, en ze kunnen pijn doen.
Maar Bijbelse waarschuwingen komen voort uit liefde, uit het zoeken van iemands redding en behoud.
Met alle naarstigheid en:

b. met noodzaak (zo heb ik noodzaak gehad).
Met andere woorden: dit moet echt, hier moet ik u echt over schrijven!

Er dreigen gevaren, en dus schrijft Judas met drang en met noodzaak over de gemene zaligheid. Over de algemene zaligheid, dat wil zeggen: over het zaligmakende geloof, over de leer van de zaligheid.
Waarvan Paulus zegt tegen Timotheüs: Dit is een betrouwbaar woord en aller aanneming waardig (1 Tim. 1:15).
Het is de leer van zonde, en van genade alleen. Van vergeving van zonden door het bloed van het kruis, en van een heilig leven, gericht op God.
En zij (en wij) moeten daarvoor strijden! Dat is een zaak van levensbelang!

Onze tijd zegt: ‘Nou, laat iedereen het gewoon op zijn of haar eigen manier invullen. Gewoon een beetje creatief, een beetje vrij. Niet zo star, niet zo zwaar!’
Maar Judas zegt: Strijd voor de Bijbelse leer!
Dat is ook het gezamenlijke belang voor heel de gemeente, en wel in het bijzonder voor (zoals ze genoemd worden) de heiligen, voor Gods kinderen.
Die (zo zou je het ook kunnen vertalen) gemeenschappelijke zaligheid.

Die eenmaal aan de heiligen overgeleverd is.
De Heere Jezus Christus heeft die leer aan de apostelen gegeven. En dat was eenmalig. Met anderen woorden: sindsdien hoeft en kan en mag daar niets meer bij. En daar mag ook niets aan veranderd worden.
De leer tot de zaligheid ligt voor altijd vast: onverdiende genade voor zondaars om het bloed van het kruis, die gaan breken met de zonde, en die gaan leven (in beginsel) tot eer van God.
Judas zegt: strijd voor die waarheid en voor die leer!

Laten we, voordat we verdergaan met het volgende vers, met vers 4, eerst samen gaan zingen uit Psalm 45:2:
Gord, gord, o Held, uw zwaard aan uwe zijde,
Uw blinkend zwaard, zo scherp gewet ten strijde;
Vertoon uw glans, vertoon uw majesteit;
Rijd zegenrijk in uwe heerlijkheid
Op ’t zuiv’re woord der waarheid; rijd voorspoedig,
En heers alom rechtvaardig en zachtmoedig;
Uw rechterhand zal ’t Godd’lijk rijk behoên,
En in den krijg geduchte daden doen.

Want (vers 4) er zijn sommige mensen ingeslopen, die eertijds tot ditzelve oordeel tevoren opgeschreven zijn, goddelozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den enige Heerser, God, en onze Heere Jezus Christus verloochenen.
Er dreigen gevaren, voor de gemeenten toen, en voor de gemeenten van nu.
Er zijn mensen ingeslopen, muisstil, onzichtbaar, als dieven in nacht…
Mensen van een andere groep, van een andere soort. Judas noemt ze:

a. goddeloos.
Ze hebben geen ontzag, geen respect voor God. Ze leven zonder God: goddeloos.
Ze dienen Hem niet. Ze vinden het veel belangrijker wat ze zelf van alles vinden.
Misschien zijn het rondreizende dwaalleraars geweest, maar het gaat in ieder geval ook om schijngelovigen in de gemeente zelf.
Het zijn gemeenteleden, die (kijk maar naar vers 12), die deelnemen aan liefdemaaltijden in de gemeente; die bezig zijn (kijk maar naar vers 19) zich van gemeente af te scheiden, maar ze zijn er nog wel. En stilletjes strooien ze hun vergif rond…

Mensen die eertijds tot ditzelve oordeel tevoren opgeschreven zijn.
Het oordeel rust op hen. Omdat ze willens en wetens zich van God afkeren.
Sterker nog: omdat willens en wetens tegen God en Zijn waarheid ingaan.
Maar het loopt de Heere niet uit de hand. Want dit was van eeuwigheid af al bekend bij God!
Judas noemt ze goddeloos en, zegt hij als tweede:

b. ze veranderen de genade onzes Gods in ontuchtigheid.
Ze veranderen de genade van God is een losbandig leven, genietend van bezit, van luxe, van overdaad, van plezier en vooral ook van seksuele losbandigheid.
Ze zeggen, net als de Nikolaïeten in Openbaring 2: Als je genade van God gekregen hebt, als je gelooft dat je zonden vergeven zijn, dan hoef je je daar ook niet meer druk over te maken. Dan hoef je die ook niet meer te belijden, dan hoef je daar ook geen berouw meer over te hebben. Dan mag je gewoon lekker genieten van je vrijheid! Want dan maakt het niet zoveel uit wat je doet. Leef gewoon en doe wat je zelf wilt!
Dus die insluipers zijn goddeloos, ze veranderen genade in losbandigheid en (als derde):

c. ze verloochenen den enige Heerser, God, en onze Heere Jezus Christus.
Ze willen niet dat Jezus (alles beheersend) Koning over hen is.
Ze willen zelf bepalen wat ze denken en doen.

Dus er waren (daar waarschuwt Judas tegen), er waren mensen in die gemeenten, die wel gewoon meededen, maar in hun hart waren ze goddeloos. Ze dienden God niet.
Ze zeiden te geloven, maar deden gewoon waar zelf zin in hadden.
En ze wilden niet dat God Koning over hun leven zou zijn.

Gemeente, er zijn tenminste twee redenen, waarom de apostel Judas dit schrijft, en waarom ook wij daar nu over nadenken.

a. Het roept (als het goed is) de vraag op: Ben ik het, Heere? (Matt. 26:22)
Nee, aan buitenkant is er niets aan de hand. Maar binnengeslopen…, goddeloos… en anderen meesleurend op verkeerden wegen.

b. Het roept (als tweede) vooral op tot alertheid, tot waakzaamheid.
Het was toen een tijd, en het is nu een tijd vol nieuwe ideeën.
Want die oude leer van zonde en genade is zo oud, zo bekrompen, zo saai.
‘Waarom zo leven, altijd en helemaal op God gericht?
Waarom zo heilig, zo afgezonderd?
Waarom niet gewoon een beetje meedoen met de afgoden van deze tijd?
Waarom zo ouderwets?
Waarom niet gewoon met elkaar naar bed voordat je getrouwd bent?
Waarom zo monogaam? Waarom geen homoseksuele relaties?
Kom op, mensen! Niet zo ouderwets! Een beetje losser, een beetje vrijer.
Geniet toch van het leven!’

Judas zegt: het is goddeloos. Het is genade veranderen in zonde. Het is opstaan tegen het gezag van Christus.
Met andere woorden: houd je daar ver van; strijd daartegen!
Want als je zo leeft, loopt het verkeerd met je af.
Luister maar, naar deze drie waarschuwende voorbeelden.
En vergeet niet dat de waarschuwing van Judas en mijn waarschuwing doordrenkt is van de liefde van Christus en gericht is op je behoud en op het behoud van de gemeente. Gericht op je zaligheid en gericht op de eer van God.
Drie indringende waarschuwingen:

a. De eerste in vers 5: Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden, verdorven heeft.
Ze zijn meegegaan. Ze hebben gegeten van het manna uit de hemel. Ze hebben gedronken van het water uit de steenrots. We hebben het gelezen uit 1 Korinthe 10. Ze stonden uiteindelijk zelfs op de grens van het beloofde land.
Maar ze geloofden niet dat God machtig was hen daarin brengen (Num. 10), en zijn omgekomen.

En dat is ook het gevaar in deze tijd. Dat je meeloopt. Je bent gedoopt. Je gaat misschien wel aan het Heilig Avondmaal. Voor het oog hetzelfde als iedereen.
Maar in je hart… geloof je niet, dat het waar is, wat God zegt. Je gelooft Zijn woorden, je gelooft deze Bijbel niet!
En dat is gevaarlijk. Pas op, mensen!
Want het einde van die ongelovige meelopers is het verderf.
De Heere heeft degenen die niet geloofden verdorven.
Paulus zegt in 1 Korinthe 10: ze werden vernield van (door) de Verderver. En deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons(!), op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn (1 Kor 10:10-11).
Met andere woorden: meelopers, laat je toch waarschuwen, voordat te laat is.
En ook: gemeente, pas op voor die meelopers. Want wat ze zeggen, voelt misschien wel goed, dat lijkt misschien wel aardig, maar blijf alstublieft bij het Woord. Want zij zijn daar los van geraakt.
Drie indringende waarschuwingen:

b. De tweede in vers 6: En de engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft Hij tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.
Ooit waren het goede engelen. Geschapen tot eer van God. Dag en nacht bezig met het dienen en loven van God. Maar ze hebben hun beginsel niet bewaard. Ze waren niet tevreden met de hoge plek die ze van God gekregen hadden. Ze wilden hogerop, als God zijn.
En dus hebben ze zich losgemaakt van hun Schepper en Heere. Ze hebben hun woonplaats (hun woonstede), de hemel verlaten. Want ze voelden, ze wisten: we passen hier niet meer. En, voegt Petrus toe, ze zijn er door God uitgeworpen (2 Petr. 2:4).
En nu worden ze (zegt vers 6): tot het oordeel des groten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard. Ze zijn geboeid met eeuwige banden, in voorarrest, wachtend op hun oordeel op de grote dag, de dag van de terugkomst van de Zoon des mensen, de dag waarop hun oordeel definitief zal worden.

Met andere woorden: mensen, pas op! Pas op voor die mensen die hun beginsel niet bewaard hebben. Ze hebben het geloof verloochend. Ze hebben de genade verbasterd.
Ze zijn opgestaan tegen de Heere en tegen Zijn geboden. En hun einde (als ze zo doorgaan) is zeker: ze zullen omkomen!
Laat u niet verleiden om met hen mee te gaan.

Met hen, die ook in deze tijd, bezig zijn om de eeuwenoude waarheid van het Woord van God te veranderen, en in te vullen naar eigen wensen.
Petrus zegt: Wacht u dat u niet door de verleiding der gruwelijke mensen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uw vastigheid (2 Petr. 3:17).
Drie indringende waarschuwingen:

c. De derde in vers 7: Gelijk Sódom en Gomórra, en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vlees zijn nagegaan, tot een voorbeeld voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.
Ze leefden vrolijk en vrij. De profeet Ezechiël zegt: in hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid (Ezech. 16:49).
In allerlei vormen van goddeloosheid. In luxe en overdaad, zonder oog te hebben voor de nood van de armen en nooddruftigen.
Maar ze leefden vooral in seksuele losbandigheid.
Helemaal los van God gingen ze hun eigen gang, in Sodom en Gomorra, en in de steden daaromheen. Geen respect meer voor het huwelijk van man en vrouw.
Zoals Paulus zegt in Romeinen 1: ze zijn verhit geworden in hun lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende (Rom. 1:27).
Zoals Judas hier zegt: ze zijn (onnatuurlijk, tegennatuurlijk) ander vlees nagegaan.
Ze leefden vrolijk en vrij. Maar trokken zich van God en Zijn gebod niets aan.
Vooral in hun seksuele losbandigheid.
En dat begint altijd stil, dat sluipt erin…
Zoals ook de dwaalleeraars de gemeente binnengeslopen waren
Het begint stil, onzichtbaar, klein…
Met het kijken van een klein filmpje. Met het sturen van een foto.
Met het kijken naar een andere man of vrouw. Met een beetje flirten.
Met een stiekeme ontmoeting. En met wat er verder volgt…

Het begint klein, onzichtbaar… Maar het wordt destructief, het maakt alles kapot.
Je relaties met vrienden, je huwelijk, je studie, je werk, je toekomst. Alles.
Totdat…
De Spreukendichter zegt: Een hoer is een diepe gracht, en een vreemde vrouw is een enge put. Op (wie) de HEERE vergramd is (dat is het einde), zal daarin vallen
(Spr. 22.14, 23.27)

Ze leefden vrolijk en vrij. In allerlei vormen van goddeloosheid.
Maar vooral in luxe, in weelde en in seksuele losbandigheid. Gericht op het hier en nu, op de materie, op geld, op beleven, op geluk en plezier.
Zijn dat niet twee gevaren die ook onze gezindte, die ook onze gemeente, die ook onszelf bedreigen? Leven voor de materie: voor wat je hebt, voor wat je kan zien, voor wat je kan beleven of genieten? En of leven in losbandigheid?

Het voelt een beetje raar als ik dat zeg.
Aan de buitenkant gezien zou je zeggen: Kom op, wij kerkmensen horen bij de netste van heel Nederland!
Maar schijn bedriegt…
Er wordt teveel gerommeld voor en buiten het huwelijk.
Jongelui, het is niet goed om met elkaar naar bed te gaan voordat je getrouwd bent.
Dat is tegen Gods wil!
Volwassenen, het is niet goed om, als je getrouwd bent, met een ander naar bed te gaan.
Dat is tegen Gods heilige gebod!

Er wordt teveel gerommeld voor en buiten het huwelijk.
Er wordt teveel porno gekeken onder ons.
Er wordt steeds minder respectvol over de heilige staat van het huwelijk gesproken. En steeds gemakkelijker over homoseksualiteit. Terwijl God zegt, dat Hij een gruwel heeft van dat ‘ander vlees nagaan’.

Gemeente, je kan niet èn leven in zonde, èn God dienen. Het is één van twee.
Breek met de zonden van Sodom en Gomorra. Want het liep uit op hun verwoesting.
Maak een verbond met je ogen, zoals Job! (Job 31:9)
En breek met dat leven voor de dingen van nu. Want dat plezier gaat ook voorbij.

Maar, denkt u misschien, waarom vergelijkt Judas dat dwalen in de leer nu juist met die losse seksuele moraal? Waarom heeft hij het in één adem over vreemd vlees en over vreemde leer?
Juist om dat sluipende karakter, dat ik u net schetste.
Het komt zo stiekem binnen. Het (kijk maar in vers 4) sluipt de gemeente binnen.
En langzaam maar zeker gaat het van kwaad tot erger. En het eindigt in destructie en verwoesting.
Wat?
Dat (vers 3) verlaten van de algemene zaligheid, dat verlaten van de leer van de godzaligheid. Dat langzaam verlaten van dat aloude treden op het pad van Gods geboden (Ps. 119:35), van dat leven voor Gods aangezicht, van dat wandelen met God.
Dat langzaam verlaten van de gerichtheid van ons leven op God in plaats van op deze aarde, en van het gericht zijn op de komende dag van de eeuwigheid.
Het langzaam verlaten van het heilig houden van de zondag. Van het eerbiedigen van het leven (in de moederschoot, en op het sterfbed). Van het heilig houden van het huwelijk.
En van het eerbiedigen van de ander, van het: de ander uitnemender achten dan onszelf
(Fil. 2:3).

Het begint langzaam, het sluipt erin…
En het verwoest: het persoonlijke leven en ook het gemeenteleven.

Vandaar deze indringende oproep, toen en… nu.
Strijd voor het geloof. Wijk niet af van het spoor van de waarheid, ons door de profeten en apostelen eenmaal overgegeven.
En wees gewaarschuwd! De drie genoemde voorbeelden tonen duidelijk aan, dat wie het spoor van de dienst van de Heere en van Zijn geboden, en de leer van vrije genade en van een heilig leven langzaam maar zeker verlaat, die eindigt (vers 5) in het verderf…, (vers 6) in de eeuwige duisternis… en (vers 7) in het eeuwige vuur…

Gedenk dan waarvan u uitgevallen bent, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zo niet, Ik zal u (zegt de Heere) haastelijk bijkomen, en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien u u niet bekeert (Openb. 2:5).

Amen.

TERUG JUDAS