Bundeltje mirre · Hooglied 1 · nabetrachting

Bundeltje mirre, tros Cyprus
Preek Hooglied 1:13-17: Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Hooglied 1: Bundeltje mirre

  1. Wat bruid zegt
  2. Wat Bruidegom zegt
  3. Afsluitende antwoord bruid

Preek Hooglied 1: Bundeltje mirre

Gemeente, in deze dienst van nabetrachting op het gehouden Heilig Avondmaal overdenken we samen het voorgelezen Schriftgedeelte: Hooglied 1:13-17.
Laten we samen onze tekst lezen:
Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Mijn Liefste is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
Zie, gij zijt schoon, mijn Liefste, ja, liefelijk; ook groent onze bedstede. De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen.

Het thema voor de nabetrachtingspreek van vanmiddag is:
Een beurtzang van liefde

We letten op drie gedachten.
In de eerste plaats letten we op wat de bruid zegt van haar Liefste (van de Bruidegom). Dat ziet u in vers 13 en 14.
In de tweede plaats letten we op wat de Bruidegom zegt van Zijn liefste (van de bruid). Dat ziet u in vers 15.
En in de derde plaats letten we op het afsluitende antwoord daarop van de bruid. Dat staat in vers 16 en 17.

Dus drie aandachtspunten:
1. Wat de bruid zegt van haar Liefste
2. Wat de Bruidegom zegt van Zijn liefste
3. Het afsluitende antwoord daarop van de bruid

Als eerste dus:

1. Wat bruid zegt

Wat de bruid zegt van de Bruidegom, in vers 13 en 14.
Dit zegt ze van haar Bruidegom: mijn Liefste!
In vers 12 noemde ze Hem: de Koning. Nu: mijn Liefste.

En dat vraagt om een reactie, van mij, van u….
Om een reactie op deze vraag: ‘Wie is uw liefste?’
En dat is een vraag voor uw hart. Want dat kan je niet altijd direct zien aan de buitenkant.
Avondmaalgangers, vanmorgen aangegaan aan de bediening van het heilig sacrament, de vraag is: Wie is onze liefste? Het is een vraag naar de liefde van uw hart.
Nee, het is niet alleen een vraag voor kinderen van God die al lang op de weg van genade zijn. Want ook voor de kleinen in de genade geldt (wat Paulus schrijft de Rom. 5:5):
De liefde Gods is in onze harten uitgestort.

En daar gaat het om. Het gaat dus niet om liefde die haar oorsprong heeft in mijzelf.
Maar daar om, of Hij (God Zelf) op de bodem van mijn hart iets gelegd heeft van Zijn liefde tot mij, verloren mens.
Zeg ik dan, als ik diep in mijn hart kijk en al mijn zonden zie, toch: mijn Liefste?
Heb ik Hem liever dan vader en moeder, zoon of dochter (Mattheüs 10:37)?
Heb ik Hem liever dan mijn keus, mijn werk, mijn liefde en mijn tranen?
Is Hij alles voor u?
Kent u Hem? De Koning, als uw Liefste?

Nee, het is geen vraag naar de volmaaktheid van onze liefde. Want onze liefde is zwak en onvolmaakt. Wij zijn en blijven zwart (1:4).
Maar het is een vraag naar het onderwerp, naar de richting van onze liefde. Is Hij, ondanks uw zwartheid en uw gebrek, toch uw Liefste?
Hebt u vanmorgen echt iets gezien van Zijn liefde? Iets geproefd van de genade die op Zijn lippen is uitgestort? Waardoor u in uw hart moest uitroepen: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend? (5:16)
Hebt u vanmorgen echt iets gezien van de liefde van Christus, die Hem het hart brak, voor een bruid die eerst helemaal niet van Hem hield? En die nog steeds, dagelijks zo ontrouw is en de liefde zo verzondigt?
Ware het niet dat Hij ons eerst liefgehad had, we zouden Hem nooit zijn gaan liefhebben, en we zouden nooit in Zijn liefde gebleven zijn (1 Joh. 4:19).

Is hij uw Liefste?
Misschien moet u zeggen: ‘ja, ik mocht ooit wel iets zien en geloven van Zijn liefde voor mij, maar mijn liefde tot Hem is zo verflauwd, zo doods en zo koud geworden.’
Laten we onszelf dan onderzoeken. Is het misschien zo, dat er anderen zijn, die we ook zo liefhebben? Onszelf, onze goede werken, onze inzet, onze ijver? Onze verborgen zonden? Waardoor er misschien geen plaats meer is voor deze Liefste?
Immers: Er kan er maar één de liefste zijn…

Of bent u aangegaan aan de bediening van het Avondmaal, terwijl u in uw hart wist, dat Hij nooit uw Liefste, uw Zaligmaker geworden is?
U ging wel geloven met uw verstand. U trok de conclusie dat Jezus ook wel voor u gestorven zou zijn. Maar uw hart bleef waar het was… Bij de liefde voor uzelf.
Walgen van uw zondige ik? Dat kent u niet.
Afstand doen van alle hoop op uzelf? Dat deed u nooit.
Uw hart bleef waar het was… Bij uw liefde tot de zonde. Waar u niet echt mee brak.
Christus kan nooit Uw Liefste geworden zijn. Want Hij wil niet delen met u en met uw zonde.
Belijd dan uw schuld voor God en bekeer u.

Anderen bleven zitten. Hoe is het met uw hart? Wie is uw liefste?
Het kan zijn dat liefde trok aan uw hart, maar dat er nog zoveel bezwaren en onmogelijkheden waren. U zat zuchtend in uw bank. U durfde niet, u was bang voor een vergissing, en uw hart… zo zwart…
U had meer oog voor uw eigen zwartheid, dan voor de liefde van Christus, hoewel die laatste ook op u scheen.
Maar mag ik de bezwaren van uw hart eens wegen…?
Ja, het is waar: aan onze kant is alles tekort. En u ziet meer dan ooit de zwartheid van uw hart. Maar tegelijkertijd durft u het diep in uw hart ook niet te ontkennen, dat Christus kostbaar is geworden voor uw hart.
Maar er is iets, dat een grote belemmering opwerpt tussen Hem en u: uw ongeloof.
‘Zou het wel voor mij zijn? Zijn liefde? Zijn genade?’
Maar, lieve mensen, heeft Hij Zich dan niet voor uw ogen geschilderd als Zaligmaker van zondaars, van vijanden en moordenaars? Wat moet Hij nog meer doen, om uw hart te overtuigen… Dat Hij u op oog heeft? Dat Hij het verlorene zoekt? Het arme, het hongerige, het weggedrevene?
O, zoekende zondaars, twijfel toch niet aan de liefde van Christus! Blijf met Thomas toch niet hangen aan uw ongeloof!
Zeg het dan vanmiddag alsnog, maar dan zonder teken, op Zijn woord.
Als Hij zegt ‘Thomas, Ik ben het’: “Mijn Heere, en mijn God!”

Wie is uw liefste, andere zittenblijvers?
Misschien zegt u: ‘ik moest wel afblijven, want ik ben onbekeerd. Eerlijk toch…?’
Jazeker, eerlijk… Maar nu niet zomaar verder, beste vrienden. U bent in dodelijk gevaar! Want het is niet zo neutraal, zo waardevrij als u denkt.
Want als het gaat om de Bruidegom, dan geldt: u bent voor Hem of u bent tegen Hem.
Hoe moeilijk u dat misschien ook vindt, maar u hebt in uw hart of liefde voor Hem, of haat tegen Hem.
Zeg niet tegen uzelf: ‘ik ken Zijn liefde niet en dus heb ik niets’. Dat is niet waar. Dat kan niet. Jezus zegt in Markus 9:40: Wie tegen ons niet is, die is voor ons. Met andere woorden: het is voor of tegen, het is liefde of haat.
En van deze Bruidegom geldt: Allen die tegen Mij zijn, allen die Mij haten, hebben de dood lief (Spr. 8:36).

Maak toch haast. En laat u toch met God verzoenen!
U hebt of liefde, of haat.
Laat u toch wakker schudden uit uw dodelijke gerustheid
Want het is niet zo grijs als u denkt. Het is zwart of wit, het is liefde of haat, het is leven of dood.

Zie toch vanmiddag nogmaals, hoe lief onze Liefste is. En laat u dat brengen tot belijdenis van uw schuld, van uw zonden, van uw vijandschap en van uw haat. Want het is werkelijk verschrikkelijk om te leven zoals u leeft. Buiten God en zonder Christus, en zonder hoop in de wereld (Ef. 2:12).
U hebt zo geen toekomst. Op de aarde hebt u geen leven, en daarna wacht u de eeuwige ondergang, als u deze Koning, deze Liefste niet kent. Als u niets kent van de weergaloze liefde van Zijn lijden, tot verzoening, persoonlijk, van uw hemelhoge schuld.

Wat zal ik doen, wat zal ik zeggen, om u verliefd te maken op deze Koning?
In de eerste plaats zullen we (en met ‘wij’ bedoel ik al Gods kinderen) bidden: ‘Heere, trekt U ook hen? En maak ook deze vijanden (wij waren vroeger ook zo!), maak ook deze vijanden tot Uw vrienden? U hebt immers alle macht in de hemel en op de aarde?’
En in de tweede plaats zullen wij vanmiddag opnieuw de liefde van onze Liefste bezingen, in de hoop en met de bede dat u gaat zien wat u mist, dat u gaat zien dat uw huwelijk met de wereld en deze tijd ellendig is en voorbijgaat, en uitloopt op een eeuwige echtscheiding. Want alleen de liefde van Christus blijft.

De bruid zegt in vers 13: Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht.
Mirre was één van de specerijen van het Oude Oosten, gemaakt van de hars van een struik, van een boom die groeide in Arabië, Abyssinië en India. Het was een geurende, heerlijk ruikende hars, die je in een zakje (in een bundeltje), aan een touwtje (aan een kettinkje) bij je kon dragen.

Mijn Liefste is mij een bundeltje mirre. Niet een korreltje of een klein beetje (want mirre was erg kostbaar), maar desondanks: een bundeltje, een pakketje, een buideltje, een zakje, een tasje vol. Heel veel dus. Het wijst op overvloed.
Een bundeltje mirre, dat tussen mijn borsten vernacht. Dat wil zeggen: wat ik altijd bij me draag. Letterlijk: op mijn hart.

Mirre komen we in de Bijbel een aantal keer tegen.
a. Het was één van de ingrediënten van de heilige zalfolie van de tabernakel. Die olie werd gemaakt, onder andere van de zuiverste mirre (zie Ex. 30:23). En die heilige zalfolie werd gebruikt om de hogepriester, de priesters en de offerplaats, de tabernakel te zalven. U voelt de heenwijzing naar Christus, naar het offer van de Gezalfde!
b. We komen mirre ook tegen bij de koningin Esther. Die gebruikte zes maanden lang mirreolie als voorbereiding om voor de koning Ahasveros te verschijnen (Est. 2:12). Mirre opent de weg naar het binnenste paleis van de koning.
U voelt de heenwijzing naar Christus. Hij opent de weg, de toegang naar het hemelse heiligdom (Ef. 2:18).
c. Verder komen we mirre tegen bij de geboorte van de Heere Jezus. De Wijzen uit het Oosten brengen goud, wierook en mirre (Matt. 2:11). En bij de begrafenis van de Heere Jezus brengt Nicodemus aloë en mirre (Joh. 19:39).
U voelt mirre is een beeld vol van Christus. Van Zijn komst in deze wereld, van Zijn sterven en van Zijn ingaan in het hemelse heiligdom, waar Hem de gouden scepter door Zijn Vader is toegereikt.
En dat alles voor, in plaats van en in zichzelf zwarte bruid.

Ik koester (zegt de bruid) die Liefste, mijn Liefste, mijn Bruidegom en Zaligmaker als mirre aan mijn hart.
En dat geeft aan (en dat is tegelijkertijd blijvend een spiegel voor ons hart) hoe kostbaar Christus is voor Zijn volk. We koesteren (als het goed ligt in ons hart) Zijn geur, Zijn werk, we koesteren als het goed is Hemzelf aan ons hart.
Op een intieme plaats, waarmee als het ware is uitgedrukt: ik zal Hem omarmen, ik zal Hem in mijn armen houden, ik zal Hem vasthouden, ik zal Hem aan mijn hart drukken. Mijn hart zal dag en nacht met Hem zijn. Ik wil nooit meer van Hem scheiden.

Dat is het, wat u ook ziet bij de Emmaüsgangers: En zij dwongen Hem, zeggende: Blijf met ons (verlaat ons niet, blijf bij ons!), want het is bij de avond, en de dag is gedaald. En Hij ging in, om met hen te blijven (Luk. 24:29).
Of zoals Paulus later zegt in Efeze 3:17: Opdat Christus door het geloof in uw harten wone(!), en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt.

‘Zonder U, o liefste Bruidegom, kan ik niet verder. Ik wil U vasthouden, ik wil U op mijn hart dragen.’
Is dat de taal van ons hart?
‘Want U bent Degene, Die de liefde, het verlangen, het geloof en de toewijding aan U, in mijn hart levend houdt.
Zonder U zakt dat allemaal in elkaar, en wordt alles weer zo doods en koud en leeg zoals het voorheen was.
Zonder U kan ik niet liefhebben. En dus: druk ik U aan mijn hart. U bent mijn Liefste.
Laten we ervan zingen met Psalm 116:1:
God heb ik lief; want die getrouwe HEER
Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen;
Hij neigt Zijn oor, ‘k roep tot Hem, al mijn dagen;
Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

Zonder U kan ik niet liefhebben. En dus: druk ik U aan mijn hart. U bent mijn Liefste.
Ja, zeiden wij dat altijd maar zo. Want het is vaak zo anders.
Hoe komt dat?
Omdat we vaak ook andere dingen op ons hart dragen. Dingen die niet kunnen samengaan met onze Liefste (zie Hosea 2:2). En dat komt niet door gebrek aan liefde van onze Liefste, van onze Bruidegom. Dat komt door ons. Wij wijzen Hem de deur.
Maar, Gode zij dank: Hij blijft getrouw, ook aan Zijn ontrouwe bruid. Het boek van de profeet Hosea is daar vol van.
En als Hij dan komt, als Hij dan toch weer terugkomt, als Hij dan toch weer verlangen wekt in ons hart, om te bidden: ‘Trek mij’, dan kan het niet anders, dan zeggen we:
‘U bent toch onze Liefste. Blijf bij ons’.
Maar in onszelf zijn we liefdeloos, zwak en ontrouw. Gelukkig is er de belofte van de Heere, zoals die staat Jeremia 32:40: Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, dat zij van Mij niet afwijken.

Oprechte avondmaalgangers, is dit taal van uw hart: Mijn liefste, ik druk U aan mijn hart?
Houd in het oog, dat het niet uw eigen liefde is. Anders verliest u Hem. Hij is het, die Zijn liefde in ons harten heeft uitgestort. Zonder Hem, zonder Zijn liefde, kunnen wij Hem niet liefhebben.

Maar, als het zo is, als we Hem zoals onze Liefste aan ons hart drukken, dan verspreidt de geur van de specerijen (van de genade die Hij ons gegeven heeft) zich ook weer naar de omgeving. Wat voor de nardus gold (Hoogl. 1:12), dat geldt ook voor de mirre.
Verspreiden wij Zijn geur?

Mijn Liefste (vers 14) is mij een tros van Cyprus, in de wijngaarden van En-gedi.
De vertaling is wat onduidelijk, en je hoort de kanttekenaars van de Statenvertaling ook aarzelen, en uiteindelijk zeggen: ‘kijk de kruidenboeken er maar op na.’
Bedoeld is waarschijnlijk een tros van hennabloemen: prachtige, heerlijk ruikende gele en witte bloemen van hennastruiken, die groeiden bij de Dode Zee, vooral bij En-gedi.
Opnieuw een beeld van hoe kostbaar Christus is voor de gelovigen.
De kanttekeningen schrijven: ‘Christus wordt vergeleken bij bloementrossen vanwege Zijn welriekende (Zijn heerlijk ruikende) verdiensten en heilzame gaven.’
De reuk van het werk van Christus was heerlijk ruikend voor de Vader (Gode een welriekende reuk; Ef. 5:2). Hij is en was volkomen tevreden met het offer, met het werk van Zijn Zoon. Maar nu is Christus ook een heerlijke reuk voor de gelovigen.

Het is ondertussen niet uitgesloten dat deze uitdrukking ‘een tros hennabloemen’ een diepere betekenis heeft, als we kijken naar het Hebreeuwse woord, naar de Hebreeuwse medeklinkers die gebruikt worden. Dan zien we dat deze uitdrukking nauw verwant is met het bekende Hebreeuwse woord ‘kippur’, dat verzoening betekent. U weet wel van ‘Yom Kippur’, de Grote Verzoendag.
De bruid zegt dus eigenlijk in beeldende taal: ‘ik druk mijn Liefste aan mijn hart, omdat Hij een verzoening geworden is voor mijn zonden (1 Joh. 4:10).
Geliefde medechristenen, is dat ook de taal van ons hart?

U zegt misschien: ‘Ja, ik heb er wel iets van mogen zien, maar het is allemaal nog zo gebrekkig. En er is vaak nog zoveel twijfel in mijn leven. Zou het wel echt zijn? Ik heb nog zo weinig zekerheid…’
Laten wij dan in onze tweede gedachte zien waar die zekerheid, waar die vastheid te vinden is, als we samen letten op het antwoord van de Bruidegom in vers 15.

2. Wat Bruidegom zegt

Dat zien we in vers 15: Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duiven ogen.
Wat kan ons in ons leven meer vastheid en meer zekerheid geven? Alleen dit: het spreken van Christus tot onze ziel. Daarom zucht de bruid in Psalm 35: Zegt U tot mijn ziel: Ik ben uw Heil! (Ps. 35:3).

Laat me op deze avondmaalszondag, kinderen van God, u (en ook mezelf) aanmoedigen en opwekken tot drie dingen. Het zijn drie manieren om zo te zeggen, om meer vastheid en zekerheid te ontvangen van de Heere.

  1. Laten we biddend werk maken van onze heiligmaking. Laten we biddend om de kracht van Christus, breken met onze zonden. En in afhankelijkheid van Hem vrolijk lopen op het pad van Gods geboden.
  2. Laten we in de tweede plaats meer vragen om afbraak van onszelf, van het vertrouwen op onszelf, op onze eigen liefde, op ons geloof en op ons verlangen. Iemand zei ooit eens (en het is waar): we moeten sterven aan de zonde, maar meer nog, zelfs ook aan onze liefde. Want het komt allemaal niet van ons, het komt nooit meer van ons.
    Hoe dieper we buigen, hoe meer we kwijtraken, hoe meer er van ons afgenomen wordt, hoe meer plaats er komt voor Christus, hoe dichter Hij bij ons hart wil komen, hoe meer we Hem vast mogen houden.
  3. En laten we in de derde plaats met ernst, ijver en haast Hem(!) vragen om meer verzekering.
    Laten we breken met tevredenheid en rust. Laten we niet in de kindergeboorte blijven steken. Zeg niet: ‘ik hoor al jaren bij de kleinen in de genade, bij de dochters van Jeruzalem, bij de bekommerden, en de tijd zal leren hoe ver ik komen zal, want de meeste kinderen van God komen niet zo ver…’
    Petrus zegt (2 Petr. 1:10): Daarom, broeders, benaarstigt u te meer (maak er haast mee, met ernst), om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.

Is dat nodig, dat je als kind van God tot meer zekerheid komt? Dat je met meer vrijmoedigheid durven te zeggen: ‘u bent mijn Koning en mijn God? U bent mijn Liefste?’
Jazeker, dat is nodig.

Maar, laat me eerst nog even zeggen wat die zekerheid niet is, wat die zekerheid niet inhoudt.
Het is niet het resultaat van de optelsom van wat je hebt, van wat je gekregen hebt, van wat je kent. Zo van: dit heb ik allemaal, en nu weet ik het zeker.
Het is ook geen verstandelijke conclusie: ik ben een zondaar, Jezus is voor zondaren gestorven, dus…
Nee, het is iets wat de Heilige Geest schenkt in het hart, en dat zich richt op ‘buiten ons hart’. Ik vind in mijn hart geen zekerheid. Ik vind zekerheid in de gewisse, de betrouwbare belofte van God, in Zijn beloftewoord.
En dus wordt het ons ook gegeven in de weg van de middelen. Door het lezen en door het overdenken van het Woord! En ook in de weg van verborgen gebed, in de weg van de sacramenten, en in de weg van een heilige levenswandel.

Nogmaals, is het nodig, dat je als kind van God tot meer zekerheid komt?
Jazeker. Want dat geeft veel meer eer aan de Bruidegom, aan Christus. Het brengt Christus aan ons hart. Het brengt de hemel en ons hart blijvend dichter bij elkaar. Want hoe meer zekerheid van geloof er is, hoe ondraaglijker het is om Christus te missen (zie Ps. 22:1).
Het maakt onze verbondenheid met Hem hartelijker, onze liefde tot Hem inniger en vaster, en onze strijd tegen de zonden vuriger.
Het geeft ons ook meer vrijmoedigheid in het toegang tot de genadetroon in de weg van het gebed. Het geeft ons meer hulp in kruis en lijden. Het maakt ons ootmoediger en voorzichtiger in onze levenswandel, als er iets in ons is van ‘wandelen met God’.
Want dat is ook zo: hoe meer we Christus in onze armen mogen hebben, hoe bitterder de zonde voor ons is.
En het geeft ons tegelijkertijd (zegt Petrus) een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde
(1 Petr.1:8). En het geeft ons meer verlangen in ons hart naar de uiteindelijke ontmoeting met Hem, op de dag van de hemelse bruiloft.
Laten wij, kinderen van God, met ernst en ijver zoeken naar meer zekerheid en vastheid.
Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus. (2 Petr. 1:10-11)
Laten we samen nu eerst gaan zingen uit de eerdergenoemde psalm, Psalm 35:1.
Twist met mijn twisters, Hemelheer;
Ga mijn bestrijd’ren toch te keer;
Wil spies, rondas en schild gebruiken,
Om hun gevreesd geweld te fnuiken;
Belet hun d’ optocht, treed vooruit;
Zo worden z’ in hun loop gestuit.
Vertroost mijn ziel in haar geween,
En zeg haar “‘k Ben uw heil alleen”.

Hoe krijgen Gods kinderen meer zekerheid? Ik zei u: Het komt van buiten… Niet van ons, niet van de bruid, maar van de Bruidegom.
Het komen van Christus tot ons hart, Zijn spreken tot ons hart door Zijn woord, dat geeft ons meer vastheid en meer zekerheid. Als Hij zelf zegt (zoals staat in vers 15): Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin! Zie, gij zijt schoon, uw ogen zijn duiven ogen.
U hoort hoe persoonlijk het is: Mijn vriendin! Het is een spreken van hart tot hart.
U bent schoon. Tot tweemaal toe. U zegt zelf wel: ‘ik ben zwart’. Maar omdat Ik u bekleed heb met de klederen van Mijn heil en de mantel van Mijn gerechtigheid, daarom zie Ik aan u geen vlek of rimpel (Ef. 5:27).
Gods kinderen zien in zichzelf alleen maar onwaarde. Maar Christus ziet schoonheid en grote waarde in hen. Want Hij ziet iets in hen van Zijn Eigen beeld.

En dat is bedoeld tot uw troost, kinderen van God. Dit wil ook zeggen: zie niet alleen op uw zwartheid. Zie nu en in de toekomst ook op wat de Heere u gegeven heeft: het kleed van Zijn gerechtigheid. En daardoor bent u (dat zegt Hij, zelf zou u het niet durven zeggen), daardoor bent u liefelijk in Gods oog.
Het is de Bruidegom die zegt: ‘uw verborgen mens (waar Ik Mijn genade in verheerlijkt heb) is kostelijk in Mijn oog. Zoals Petrus schrijft in 1 Petrus 3:4: Maar de verborgen mens des harten, in het onverderfelijk versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is voor God.
Dat spreken van de Bruidegom, door Zijn Woord, dat geeft zekerheid.

Uw ogen (vers 15) zijn duiven. Uw ogen zijn duivenogen.
Zonder twijfel een beeld dat heen wijst naar de duif als teken van het werk van de Heilige Geest. Hij daalde bij de doop van de Heere Jezus Christus neer op de Bruidegom in de gedaante van een duif.
Dus: wat de bruid is, dat is zij door God Zelf, door het werk van de Heilige Geest.
Een duif is eenvoudig, schoon (dat wil zeggen: mooi, aantrekkelijk, rein). Psalm 68 zingt van het goud dat op haar veren zit, dat schittert in de stralen van de zon (68:7).
Een duif is mild. Niet speurend naar een prooi zoals een roofvogel, maar onschuldig.
Een duif is vredelievend.
En deze duif is ook altijd en nog steeds (zoals staat in Ezechiël 7:16) als de duiven der dalen, kermend om hun ongerechtigheid. Gods kinderen blijven diep in hun hart als een duif koeren en kermen om hun zonden en ongerechtigheid.

En verder is de duif ook een teken van eerlijkheid en oprechtheid.
Laat ons oprecht zijn als de duiven (Mattheüs 10:16), want de zonde verbreekt de gemeenschap met Christus. De zonde brengt ons in het donker, schept afstand, verbreekt het ervaren van de band met de Bruidegom.
Een hart dat vol is van Christus, kan niet in de zonde leven. En een hart dat vol is van de zonde en van werelds begeren, kan niet vol zijn van Christus.
Met andere woorden: zonde, slordigheid in levenswandel, dat ondergraaft onze vastheid en zekerheid en ook het verlangen daarnaar.

Nog één keer komt het antwoord van de bruid, aan het einde van Hooglied 1.
En dat brengt ons als laatste bij onze derde gedachte

3. Afsluitende antwoord bruid

Kijkt u maar in vers 16: zie, Gij zijt schoon, mijn Liefste, ja liefelijk; ook groent onze bedstede.
Ze kan er maar niet genoeg van krijgen. De bruid van de Bruidegom. Van Hem.
Zo is het toch ook, volk van God?

Roept u vanmiddag ook niet uit: ‘U bent mijn Liefste!’ Zo liefelijk, zo hartinnemend, zo hartverwarmend. U bent veel schoner dan de mensenkinderen, want genade is op Uw lippen uitgestort (Ps. 45:2).
Als U (want alles komt van U!) me weer eens iets laat zien van Uw volheid, van de volheid van Uw werk, van Uw Namen, van Uw ambten, van Uw woorden en beloften… Als U de Schriften weer eens voor me opent, en mijn hart weer eens laat branden, en Uzelf weer eens openbaart aan mijn ziel…
Als U mij weer eens brengt tot U… Dan roep ik uit: ‘U bent mijn Liefste!

Laten we ondertussen nooit vergeten: dat komt niet van onszelf. Dat is niet in de eerste plaats onze liefde. We hebben Hem lief, letterlijk, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad
(1 Joh. 4:19). En dat zie je letterlijk voor je hier.
Want wat de bruid roept, is eigenlijk een kopie van wat de Bruidegom zegt!
Hij zegt het eerst, Zijn liefde is eerst (in vers 15): ‘Zie, gij zijt schoon, Mijn vriendin!’
En zij antwoordt als een echo, als een echo van Zijn liefde (in vers 16): ‘Zie, Gij zijt schoon, mijn Liefste!’

Als het gaat om het uitspreken van de liefde van Christus, laat ons er dan van bewust zijn, kinderen van God, dat we niets zeggen over de liefde ‘die van ons komt’.
Veel mensen prijzen hun eigen liefde voor Jezus. Maar in de werkelijkheid is mijn liefde als het licht van de maan, die alleen maar licht kan geven dankzij de stralen van de zon. Als de zon haar stralen intrekt, geeft de maan geen licht meer.

Onze bedstede groent, de balken van onze huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cipressen (vers 16 en 17).
Meest opvallend is opnieuw de verandering van persoonsvorm.
Dit gaat over onze. Het ging over u en mij, over uw en mijn, maar nu gaat het over onze.
Over onze rustplaats (bed of bank), overdekt met een baldakijn, een parasol van groene bladeren. Een teken van rust, van privacy, van ‘alleen zijn met’, van: het is mij goed nabij U te zijn (Ps. 73:28).
De balken van onze huizen zijn cederen (cederhout is sterk en duurzaam). Een teken van een sterk en duurzaam huis, om blijvend in te wonen. En onze galerijen zijn cipressen (cipressenhout is een heerlijk geurend hout). Een teken van een plaats waar we in alle rust en ontspanning kunnen lopen, kunnen wandelen. Maar bij al die beelden gaat het vooral om dat ene: om wij, met elkaar.

Alles duidt op vastheid, op blijvende, innige verbondenheid met Christus. In rusten, in wonen, in werken, in alles. Daar ziet de bruid naar uit. Daar ziet vooral de Bruidegom naar uit. Naar dat blijven in Zijn liefde (Joh. 15:9).

Hier op aarde, ervaren we alles als wisselend en ten dele. Hier wisselen de seizoenen, hier wisselen licht en donker, zon en wolken elkaar steeds weer af.
Maar straks is dat voor bij. Dat blijven in Zijn liefde is in de hemel volmaakt en blijvend voor altijd.

We gaan eindigen. Wie is uw liefste?
Als Christus uw Liefste niet is (vanwege Zijn liefde voor u, ondanks uw zwartheid), maak dan toch grote haast. Want uw ziel moet geborgen zijn in Hem. En zolang u dat niet bent, bent u in levensgevaar.
Als hij uw Liefste is, dan weet u van die wisselende seizoenen. Als Hij Zich openbaart aan ons hart, dan is het licht, dan straalt de zon.
Maar dan zijn er weer wolken en nevels. Dan reizen we weer bij maanlicht.
Het wacht allemaal op de dag van de voltooiing, het wacht allemaal op de dag van de bruiloft des Lams. Dan is alle gebrek voorbij.
Dan zullen wij Hem zien van aangezicht tot aangezicht (1 Kor. 13:12).
Dan zullen we voor eeuwig door Hem aan Zijn hart gedrukt worden.
Dan zullen we wonen in de schaduw van de Almachtige (Psalm 91:1).
Dan zullen we in het huis van de Heere blijven tot in lengte van dagen (Psalm 23:6).
Ja, dan zullen we altijd met de Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden (1 Thess. 4:17-18). En bewaart uzelf in de liefde Gods (Jud. V. 21)

Amen.

Links bij preek Hooglied 1 over Bundeltje mirre:
Zwart doch liefelijk · Hooglied 1 · voorbereiding
Koning ronde tafel, mijn nardus · Hooglied 1 · avondmaal

Externe links:
– Kanttekeningen bij Hooglied 1

TERUG HOOGLIED