Sunamitische vrouw: Het is wel (Elisa V) – 2 Koningen 4

Sunamitische: Het is wel

Preek 2 Koningen 4:26: En zeg tot haar: Is het wel met u? Is het wel met uw man? Is het wel met uw kind? En zij zeide: Het is wel.

Citaat uit preek: Gods weg met de Sunamitische vrouw

2. Het onbegrijpelijke van Gods weg

Het kind wordt groot. En op een dag gaat het (het is oogsttijd) naar zijn vader en de maaiers op het veld.
Maar het is heet! Vers 19: En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd… Hij dan zeide tot een jongen: draag hem tot zijn moeder.
Hij wordt thuisgebracht. Hij zit op moeders schoot. Tot de middag. En sterft…

Het voelt als een minibiografie. In drie verzen: Hij wordt groot, hij wordt ziek, en sterft.
Ooit had de Sunamitische vrouw geen wensen. Wat was ze blij geweest, toen ze dit mannetje kreeg. Maar nu maakt die gift, nu maakt dit geschenk van God haar meer dan ooit bitter bedroefd. Dit breekt haar moederhart. God heeft gegeven en genomen.

Sommigen van ons herkennen dit. Weten meer dan anderen hoe dit is. De gebrokenheid in dit verdriet. En de vragen die het oproept. Heeft God ons blij gemaakt, om ons meer dan ooit pijn te doen? Heeft Hij ons opgetild, om ons des te harder te laten vallen?
Waarom, o God, zulk bitter lijden, zulk snijdend verdriet?
Waarom is Uw weg zo onbegrijpelijk?
Je zou het uitsnikken, toch? Van verdriet…
Je zou wezenloos voor uit staren, toch? Van gebrokenheid…
Ja, begrijpelijk. Voor zover het te begrijpen is… [stil]

En toch lezen we van deze Sunamitische vrouw iets anders. Als voorbeeld ook, om de weg te wijzen.
Niet hard terechtwijzend, niet berispend. Dat zou de pijn alleen maar verbitteren.
Maar richting wijzend, naar troost, midden in alle verdriet.

We lezen in vers 21-23: En zij ging op en legde hem op het bed van de man Gods; daarna sloot zij voor hem toe en ging uit.
En zij riep om haar man en zeide: Zend mij toch een van de jongens en een van de ezelinnen, dat ik tot de man Gods loop en wederkom.
En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan noch sabbat.
En zij zeide: Het zal wél zijn

Matthew Henry schrijft erbij: Hoe bewonderenswaardig bewaart de voorzichtige, vrome moeder haar lippen onder deze onverwachte beproeving!
Geen enkel onbetamelijk woord komt uit haar mond. Ze (de Sunamitische vrouw) heeft een sterk geloof, dat het kind tot het leven teruggeroepen zal worden (…) wetend dat God machtig is, hem ook uit de doden te verwekken.
Zij had gehoord van de opwekking van de zoon van de weduwe van Zarfath. En dat de geest van Elia rustte op Elisa. En zij had zo’n vertrouwen in Gods goedheid dat zij geloofde, dat Hij, Die zo spoedig wegnam wat Hij had gegeven, zou weergeven wat Hij nu genomen had.
Door dit geloof hebben de vrouwen, zegt de Hebreeën-brief, haar doden wedergekregen (Hebr. 11:35).

En in dat geloof gaat ze geen begrafenis voorbereiden, maar ze legt hem neer op het bed van de profeet als voorbereiding voor zijn opstanding!