De genadetroon · Hebreeën 4 · weeszondag

De genadetroon
Preek Hebreeën 4:16: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd.

Thema preek Hebreeën 4: De genadetroon

De altijd blijvende Koning en Hogepriester
1. Hij is door hemelen doorgegaan
2. Hij heeft medelijden met onze zwakheden
3. Hij geeft barmhartigheid en genade

PDF LEESPREEK

Preek Hebreeën 4: De genadetroon

De discipelen hebben Hem nagekeken, op het moment van Zijn hemelvaart.
Lukas schrijft: En Hij, Jezus, leidde hen buiten tot aan Bethanië, en Zijn handen opheffende, zegende Hij hen. En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde, en werd opgenomen in de hemel (Luk. 24:50-51).
En toen bleven ze alleen achter. Verdrietig om Zijn heengaan…?
Want: Hun Meester, de Heere Jezus was weg…?
‘We hadden Hem, maar nu hebben we Hem niet meer…?’

Nee. Lukas schrijft verder: En zij aanbaden Hem, Die nu in de hemel was, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap! (Luk. 24:52)

Want?
Want de discipelen hadden geen Meester, maar ze hebben (ook na de hemelvaart van de Heere Jezus) een blijvende Heere in de hemel.
Dat lezen ook in de tekst voor de preek van vanmorgen, in Hebreeën 4:14-16.
In Hebreeën 4:14-16, waar we Gods Woord als volgt lezen:
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben (niet hadden, maar hebben!), Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Want wij hebben (niet hadden, maar hebben) geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.
Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:
De altijd blijvende Koning en Hogepriester

We letten samen op drie aandachtspunten.
In de eerste plaats op: Hij is door hemelen doorgegaan. Dat ziet u in vers 14.
In de tweede plaats op: Hij heeft medelijden met onze zwakheden. Dat ziet u in vers 15.
En in de derde plaats op: Hij geeft barmhartigheid en genade. Dat staat in vers 16.

Dus: De altijd blijvende Koning en Hogepriester. Drie aandachtspunten:
1. Hij is door hemelen doorgegaan
2. Hij heeft medelijden met onze zwakheden
3. Hij geeft barmhartigheid en genade

Als eerste dus:

Hij is door hemelen doorgegaan

Immers, we lezen in vers 14: Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.

Wij hebben een grote Hogepriester.
Vroeger hadden we gewone hogepriesters, uit de lijn van Aäron. Gewone, sterfelijke mensen. Eén keer per jaar ging die hogepriester tot binnenin het heiligste deel van de tabernakel. Volledig uit het zicht van de mensen die buiten wachtten.
Hij ging eerst het Heilige binnen. Maar daarna ging hij ook door het volgende gordijn, tot in het Heilige der Heilige.
Even was hij daar, alleen voor God. Hij sprengde bloed op en voor het verzoendeksel (Lev 16:14-17). Daar woonde God. Maar daarna ging hij weer naar buiten.

Maar die tijd is nu voorbij. Nu er Eén gekomen is, een grote Hogepriester, Die al die hogepriesters (van al die eeuwen) eindeloos ver overtreft: Wij hebben een grote Hogepriester Die door de hemelen doorgegaan is (vers 14).
Dus niet door de gordijnen van de tabernakel, om daar binnen te gaan.
Maar door de hemelen, om door die weg de hemel der hemelen binnen te gaan.
De discipelen hebben het gezien. Hoe Hij door de wolkenhemel, door de door hemel van zon, maan en sterren is doorgegaan (Ps. 19:1).
Daarna zagen ze Hem niet meer (Hand. 1:9-10). Toen Hij, nadat Hij daar door gegaan was, de hemel der hemelen, de derde hemel binnen ging (1 Tim. 3:16).
Hij is, zegt de apostel in Hebreeën 7: hoger dan de hemelen geworden (Hebr. 7:26).
En Hij zit tot in eeuwigheid aan Gods rechterhand in de hemel (Ef. 1:20).

Wie?
Vers 14 zegt: Jezus.
Het roept ons in herinnering Zijn komen in deze lage wereld. De engel zei tegen Maria en Jozef: U zult Zijn Naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mat. 1:21).
Jezus, Zijn Naam herinnert ons aan Zijn lijden, aan Zijn kruis, aan Zijn sterven en begrafenis, aan Zijn opstanding en hemelvaart.

Jezus… Hij is groot. Een grote Hogepriester.
Zoals Hij elders in de Hebreeënbrief wordt genoemd: de grote Priester over het huis Gods (10:21), de grote Herder der schapen (Hebr. 13:20).
Groter dan iedere hogepriester uit de tijd van Aäron. Want hogepriesters stonden (als zondige en sterfelijk mensen) maar één keer per jaar een ogenblik voor God.

Maar deze grote Hogepriester is Jezus, de Zoon van God. De eeuwige, zondeloze Zoon van de Vader, samen met Heilige Geest: de Drie-enige God. God uit God, Licht uit Licht.
Jezus, de Zoon van God. Die zondaars zalig maakt. Die redt van de toekomende toorn.
Hij is heengegaan. Maar niet van Zijn discipelen gescheiden.
Hij is opgevaren ver boven al de hemelen. Maar is Hogepriester gebleven van Zijn Kerk (Ef. 4:10).

Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven…
Voor die elf discipelen. Die Hem zo nakijken. Wij verliezen Hem niet. Hij zal bij ons blijven, zoals Hij beloofd heeft (Mat. 28:20).
Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven…
Voor de lezers van deze Hebreeënbrief, levend in vervolging, moeite en isolement.
Wat een troostvolle wetenschap is, midden in dit moeilijke leven…
Voor Gods kinderen in deze tijd, levend met een hart dat blijvend moet vechten tegen zichzelf, in een leven en in een wereld vol van moeite en verdriet.

Het is een wetenschap vol troost. Maar ook een wetenschap die aangevochten wordt.
Daarom zegt apostel: Laat ons deze belijdenis vasthouden!
Laat ons die vasthouden! De kanttekening zegt: ondanks al de zwarigheid en vervolging.
Omstandigheden kunnen moeilijk zijn, wegen onbegrepen, ons geloof kan wankelen, maar deze belijdenis mogen en moeten we vasthouden! Namelijk de belijdenis van Jezus Christus, de Apostel en Hogepriester van onze belijdenis (Hebr. 3:1).
Wat dat inhoudt? Dat zien we in ons tweede punt.
Wat we belijden we van deze altijd blijvende Hogepriester?

2. Hij heeft medelijden met onze zwakheden

We lezen in vers 15: Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.

Gemeente, dit schetst met één enkel woord al het geluk van al Gods kinderen: Wij hebben een Hogepriester.
En voordat ik verderga, om u te zeggen Wie Hij als Hogepriester is en wat Hij als Hogepriester doet, wil ik u vragen: Kunt u dit nazeggen? ‘Ik heb een Hogepriester?’
Want dat is allesbepalend voor het antwoord op de vraag: Hoe staat u voor God? Hoe bent u op weg eeuwigheid?
Hebt u een Hogepriester?
Kent u persoonlijk de grote Hogepriester, Jezus Christus, de Zoon van God? Die met het bloed van Zijn verdienste aan het kruis de hemel binnengaan is, om verzoening te doen voor uw hemelhoge schuld?
Alle andere vragen vallen in het niet, bij deze ene vraag!
Heeft Hij met Zijn eigen bloed een eeuwige verlossing ook voor u verdiend? (Hebr. 9:12)

Wij hebben, het klinkt als een belijdenis vol verwondering, hoop en blijdschap, wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.
Die hoogheid van de verhoogde Heere Jezus, als Koning der koningen en als Heere der heren, bekleed met glorie en majesteit, als de Zoon van God, zittend aan de rechterhand van Zijn Vader, ver boven al de hemelen, die hoogheid kan gemakkelijk de indruk wekken, dat Hij ver van ons af staat, dat Hij ons niet begrijpt, of dat Hij niet met ons begaan is. Zeker als we, als kinderen van God, naar onze zonden en gebreken kijken.
Zou die grote Hogepriester wel van ons afweten?
Zou Hij wel ons lot bewogen zijn?
Zou er wel wetenschap zijn bij de Allerhoogste? (Ps. 73:11)

Ja, zegt de apostel: Wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden.
Het is een dubbele ontkenning, met als heel nadrukkelijke betekenis: Wij hebben wel een Hogepriester, Die medelijden kan hebben met onze zwakheden. Een Hogepriester Die wil en kan afdalen tot ons niveau. En Die ook echt bewogen is, Die ook echt sympathie, medelijden heeft met onze zwakheden.
Met onze ziekte, met onze vrees (1 Kor. 2:3).
Met onze geestelijke zwakheid, met ons gebrek aan geloof, hoop en moed.
Maar vooral ook met onze zwakte in verzoeking, in vervolging en in geestelijke strijd.

Want, zo zegt vers 15b: Hij is in alle dingen gelijk als wij verzocht geweest, doch zonder zonde.
Hij kende als geen ander tijdens Zijn leven op aarde de kracht van de verzoeking door satan. Maar Hij doorzag zijn listen, Hij voelde waar de duivel heen wilde, Hij wist hoe hij wilde toeslaan.
Hij heeft gevaren doorstaan van gebreken, van honger en dorst, van de uitdaging van spot en laster. En dat alles zonder zonde. Nooit is Hij in zonde gevallen, nooit werd Hij in verleiding verstrikt. Hij verdroeg het allemaal, Hij bleef overeind en overwon.

Zo’n Hogepriester, zegt de apostel, geliefde Hebreeën en kinderen van God, hebben wij.
Hij weet wie wij zijn. En Hij weet wie de verzoeker, de duivel is.
Hij ziet onze strijd. En Hij kent onze aanvechting.
En uit de hoge hemel der hemelen heeft Hij medelijden met onze zwakheden. En komt Hij ons te hulp (Hebr. 2:18)!
Daarom zegt Paulus in 1 Korinthe 10: Ulieden heeft geen verzoeking bevangen dan menselijke; doch God is getrouw, Die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen u vermoogt; maar Hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat u ze kunt verdragen (1 Kor 10:13).
Schoon g’ in ’t verdriet, nergens uitkomst ziet. Groter dan de Helper, is de nood toch niet.

Wij hebben een grote en medelijdende Hogepriester, die medelijden heeft met onze zwakheden. En dus is er alle reden om samen te zingen uit Psalm 31, het eerste vers:
Op U betrouw ik, HEER’ der heren, op U, gelijk ’t betaamt;
Ai, laat mij nooit, beschaamd, van Uwen troon teruggekeren;
Help mij, op mijn gebeden, door Uw gerechtigheden.


Gemeente, het gaat vanmorgen in de preek over de altijd blijvende Koning en Hogepriester. Hij is door de hemelen doorgegaan, dat was ons eerste punt. Hij heeft medelijden met onze zwakheden, dat was ons tweede punt.
En nu ons derde aandachtspunt:

3. Hij geeft barmhartigheid en genade

Vers 16 zegt: Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade
Nu dat zo is, nu Hij de hemelen door gegaan is, en hemel der hemelen binnen gegaan is, en nu Hij daar blijvend zit in grote heerlijkheid en glorie aan de rechterhand van Zijn Vader, als medelijdende Hogepriester, nu dat alles zo is: Laten wij dan met vrijmoedigheid toegaan tot Zijn troon, tot de troon der genade.

Er is in hemel een genadetroon.
God had een rechtbank kunnen oprichten en naar strikt recht zonde kunnen belonen met de straf op de zonde, de dood (Rom. 6:23). Maar God heeft in vrije en eeuwige ontferming een troon van genade opgericht.
Het woord genadetroon wijst terug naar het Oude Testament. In het Heilige der Heilige in de tabernakel en in de tempel stond de ark van Gods verbond. Daar woonde God, boven het verzoendeksel, op de genadetroon. Daar kwam de hogepriester één keer per jaar, om bloed te sprengen op en voor het verzoendeksel.
Maar nu, nu Jezus, de Zoon van God is ingegaan in het heiligdom van de hemel, nu is vanaf nu daar de genadetroon: in de hemel!

Het wordt genoemd een troon. Dat wijst op de macht van Jezus als Koning. Dat wijst op Zijn autoriteit, almacht, eer en majesteit.
Het wordt genoemd een genade-troon.
Genade is het fundament van die troon in de hemel. Alles blinkt daar van genade.
Daar is geen plaats voor angst, schrik, vrees of twijfel. Want het is geen troon van oordeel. Daar wordt aan verloren, schuldige en zichzelf veroordelende zondaars de gouden scepter toegereikt. Daar wordt het bloed van het kruis gesprengd op verloren zondaars.

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan, zegt de apostel, tot de troon der genade.
Laten we daar biddend heengaan met vertrouwen en verwachting. Want de Heere heeft medelijden met onze zwakheden.
Maar laten we daar vooral ook heengaan zonder vrees, angst of twijfel.

Niet met zelfverzekerdheid. Want rechten gelden niet aan een genadetroon.
Maar wel met vertrouwen op het Woord van de Heere Zelf.
Om Wie Hij is: de medelijdende Hogepriester.
Om wat Hij beloofd heeft: dat Hij ons, tot Hem komend, niet zal uitwerpen (Joh. 6:37).
Wij zullen nooit beschaamd van Zijn troon terugkeren (Ps. 31:1, ber.)
Hij zal onze gebeden niet afwijzen (Ps. 66:20).
Hij zal Zijn Heilige Geest zeker geven aan degenen die Hem daarom bidden (Luk. 11:13).

Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan.
Dat klinkt als een hartelijke uitnodiging: Kom toch!
Kom toch, met vertrouwen en geloof. Niet twijfelend aan de goede wil en aan de geschiktheid van deze Hogepriester Jezus. Al moet u roepend komen, en met tranen: Heere, ik geloof, help me, mijn ongeloof. Maar toch: Kom! (Mark. 9:24).

Kom. Er is een plaats waar u met al uw noden heen mag gaan.
Wat is dat toch een groot wonder. Dat God een plaats heeft, waar zondaars mogen komen om te vragen.
Mensen als wij zouden elders overal afgewezen en weggestuurd worden. Maar de Heere zegt: Kom maar aan Mijn voeten, aan Mijn genadetroon. Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven (Mat. 11:28).
Bij Mij is plaats voor schuldige en zichzelf veroordelende zondaars. Voor alle man die benauwd is, voor alle man die een schuldeiser heeft, voor alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd is (1 Sam. 22:2).
Kom met vrijmoedigheid tot de grote Davidszoon, Die eeuwig op de genadetroon zit.
Om het bloed, om het kruisbloed van deze gekroonde Koning.
Tot Wie we mogen gaan.
Door Wie we nooit geweigerd zullen worden

Het is een plaats waarvan de toegang open is.
Zonder restrictie, zonder beperkingen. Iedereen is welkom.
Nooit zal iemand teruggestuurd worden. Nooit zal gezegd worden: nu buigen er teveel mensen voor troon.

Laat ons dan vrezen – zegt vers 1 -, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.
Blijf, lieve mensen, niet achter! Maar kom ook. Buk en buig ook aan de genadetroon!
Kom, u allemaal, kinderen van God, klein en groot: Werpt dan uw vrijmoedigheid (om te komen) niet weg, welke een grote vergelding des loons heeft (Hebr. 10:35).

Kom ook! Hoe?
a. Zoals David zegt in Psalm 51: met een gebroken en verslagen hart.
Zoals de hogepriester vroeger het heiligdom mocht binnengaan: met grote eerbied, met het bloed van het offer in zijn handen.
Kom zo. Op diezelfde manier: eerbiedig en nederig. Zonder gevoel van rechten te hebben. Want het is een genadetroon. Met, door Gods genade, in uw binnenste een gebroken geest. Want, zo zegt David in Psalm 51: een gebroken en verslagen hart dat zal God niet verachten (Ps. 51:9). Want dat is Zijn Eigen werk.

Kom ook! Hoe?
b. Eerbiedig en nederig, en: zonder schrik of vrees.
Want dit is de genadetroon. Dit is geen veroordelende rechtbank.
Op Golgotha is het oordeel geveld, en nu heerst hier genade.
Zeker, deze Koning blijft soeverein. Als de grote Koning der koningen: vrij in Zijn wil, in Zijn doen, in Zijn antwoorden.
Maar Hij heeft Zichzelf gebonden met de band van de beloften van Zijn genade. En dus zult u nooit tevergeefs buigen. En dus zult u nooit beschaamd van Zijn troon terugkeren (Ps. 31:1, ber.).

Kom ook! Hoe?
c. Eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, en: biddend
Al is het zonder woorden, al is met alleen maar zuchten.
Want de grote Hogepriester is degene, Die die woordeloze gebeden uit onze harten leest en ze woorden geeft bij de Vader. Als de grote Voorbidder, als de grote Voorspraak aan Gods rechterhand, Die ook voor ons bidt (1. Joh 2:1; Rom. 8:34).
Zoals ouders hun kinderen helpen om te praten als ze er zelf niet uitkomen, zo komt ook de grote en biddende Hogepriester ons in ons bidden te hulp.

Terwijl ook Zijn Heilige Geest onze zwakheden te hulp komt. Want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen (Rom. 8:26).

Kom ook! Hoe?
d. Eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, en biddend: om barmhartigheid te mogen verkrijgen, en genade te vinden, om geholpen te worden te bekwamer tijd (vers 16).

Om barmhartigheid te verkrijgen.
Zeker, je mag bij dit woord barmhartigheid denken aan vergeving van zonde en schuld. Maar het gaat hier in de Hebreeënbrief vooral om de verzoeking, om de vervolging en om de strijd in het leven van de gelovige Hebreeën. En dus om hulp in benauwdheid en gevaar!
Waarbij de Heere nu belooft, dat zij door die weg van biddend vragen aan de genadetroon, zullen ervaren wat de dichter van Psalm 46 zingt: God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtig bevonden een Hulp in benauwdheden. Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën (Ps. 46:2-3).
Aan de genadetroon vinden strijdende en moegestreden kinderen van God barmhartigheid, dat wil zeggen: hulp in en verlossing uit gevaar, uit verzoeking en benauwdheid.

Barmhartigheid en genade.
Genade, dat is de reden, dat is de oorzaak van die verlossing.

Kom vrijmoedig, zonder angst, eerbiedig en nederig, zonder schrik of vrees, biddend:
om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden.
Dat heeft ook de betekenis in zich van: geaccepteerd worden, van aanvaard worden.
Zoals de koningin Esther naderde tot de troon van koning Ahasveros.
Vrijmoedig! En zij verkreeg genade in zijn ogen, zodat de koning de gouden scepter die in zijn hand was Esther toereikte, en Esther naderde en roerde de spits van de scepter aan (Esther 5:1-2).

Om barmhartigheid te verkrijgen en genade te vinden.
Dat wil zeggen: om genade te vinden in Gods ogen.
Zeker, ook als het gaat om zonde en schuld. Maar in het verband van Hebreeën 4 vooral waar het gaat om speciale hulp in moeitevolle omstandigheden, van zorg, van pijn, van verdriet, van vervolging, van verzoeking, van aanvechting.

We vinden barmhartigheid en genade.
Dat wil niet zeggen, dat we altijd verlossing vinden van alles wat ons benauwt.
Het kan zijn, dat de doorn in ons vlees (zoals bij Paulus) blijft.
Maar niet zonder de woorden, die klinken vanaf de genadetroon, door het Woord:
Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht (2 Kor. 12:7,9).

Wanneer vinden we barmhartigheid en genade?
Te bekwamer tijd. Op Gods tijd.
Op het juiste moment. Op Gods beste tijd.
In het uur van de nood. Nooit te laat! Hij staat immers gereed om ons in verzoeking te hulp te komen (Hebr. 2:18)?

Wanneer vinden we barmhartigheid en genade?
Als wij het van onszelf niet meer verwachten, als wij alle hoop op onszelf opgeven en ons op genade werpen aan de voeten van Hem, Die zit op de genadetroon.
Want dan blijft er voor ons niets te roemen over. Dan is alle eer voor Hem: voor Jezus, de Zoon van God.

Gemeente, tot slot.
Als u deze Hogepriester niet kent, als u nooit biddend, vrijmoedig, nederig en met een gebroken hart toegaat tot Gods genadetroon om barmhartigheid, genade en hulp, dan gaat u een slechte toekomst tegemoet.
Dan is er voor u straks geen genadetroon, maar een rechterstoel. De rechterstoel van Dezelfde Koning, de rechterstoel van Christus (2 Kor. 5:10).
Maar zonder Hogepriester, zonder verzoenend bloed. Hoe zult u ontvlieden, als u op deze grote Zaligheid geen acht gegeven zult hebben (Hebr. 2:3)?
Zie, de Rechter staat voor de deur (Jak. 5:9).

Maar, kinderen van God, geliefden in de Heere.
Dewijl wij dan een grote Hogepriester hebben, Die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus, de Zoon van God, zo laat ons deze belijdenis vasthouden.
Want wij hebben geen Hogepriester Die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde. Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden te bekwamer tijd.
Deze Koning en Hogepriester is ons door Israëls God gegeven. Hem zij daarvoor alle eer!

Amen.

Links bij Hebreeën 4: De genadetroon
Preek: Bidt zonder ophouden (1 Thessalonicenzen 5)
Preek Hebreeën 11: Offer van Izak
– Preek Galaten 2: Gestorven aan de wet
Preek Johannes 6: Niemand komt tot de Vader dan door Mij
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Hebreeën 4

TERUG HEBREEEN