Hobab, zwager van Mozes (Numeri 10)

Hobab, zwager van Mozes
Preek Numeri 10: Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israel het goede gesproken.

Thema preek Numeri 10: Hobab

Hobab, op een splitsing in twee wegen
1. Eerste verzoek van Mozes
2. Antwoord van Hobab
3. Herhaalde verzoek van Mozes

PDF LEESPREEK

Preek Numeri 10: Hobab’s keus

Gemeente, stel u eens voor, dat op een gegeven moment een goede vriend, uw broer of uw zwager, uw zus of schoonzus tegen u zou zeggen: ‘Ik kom vanavond even langs om iets met je te bespreken.’
Prima. Hij komt ‘s avonds, en terwijl je samen aan de koffie zit zegt hij: ‘Ik heb het plan opgevat om te gaan emigreren, naar Nieuw-Zeeland. Zou je geen zin hebben om met mij mee te gaan? Naar dat geweldige land. Kijk, hier zijn een paar foto’s… Het is daar ruim, en stil, de mensen zijn vriendelijk, en de natuur is prachtig…
U glimlacht verlegen: ‘Ja, het ziet er allemaal mooi uit…’
Natuurlijk wil je de ander niet direct afwijzen. Misschien ook wel. Maar, denkt u bij uzelf: Weet je wel wat dat allemaal betekent? Weet je wel wat de consequenties daarvan zijn? Weg van huis, weg van mijn familie, kinderen en kleinkinderen achterlaten…
En ja, het klinkt wel mooi, maar is het wel echt zo mooi, als dat het lijkt? Kan ik je zomaar op je woord geloven?
Dat moet Hobab, de zwager van Mozes ook gedacht hebben, toen Mozes ineens tegen hem zei: ‘Zeg, Hobab, zou je niet verder met ons meegaan?’

We overdenken vanmorgen (maar houdt u alstublieft dat voorbeeld in gedachten, want het is niet niets wat Mozes aan Hobab vraagt, en het is niet niets wat wij vanmorgen aan u vragen, het heeft consequenties!), we overdenken vanmorgen samen Numeri 10, daarvan de verzen 29 tot en met 32. Numeri 10:29-32, waar we Gods Woord als volgt lezen:
Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel, den Midianiet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
(Dat is het eerste verzoek van Mozes aan Hobab.)
Doch hij (Hobab) zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap gaan.
(Dat is het antwoord, het afwijzende antwoord van Hobab.)
En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult gij ons tot ogen zijn. En het zal geschieden, als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
(Dat is het herhaalde, dringende verzoek van Mozes.)

Het thema voor de preek van vanmorgen is:

Hobab, op een splitsing in twee wegen

We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op het eerste verzoek van Mozes. Daarna als tweede op het afwijzende antwoord van Hobab. En tenslotte op het herhaalde, dringende verzoek van Mozes.

Dus: Op een splitsing van twee wegen:
1. Het eerste verzoek van Mozes
2. Het afwijzende antwoord van Hobab
3. Het herhaalde, dringende verzoek van Mozes

Als eerste dus:

1. Eerste verzoek van Mozes

Het volk Israël staat op het punt om te vertrekken. Van de berg Sinaï, waar ze een jaar verbleven hebben, in de richting van het beloofde land Kanaän.
De schoonvader van Mozes, Jethro, is een tijdje geleden al terug gegaan naar zijn huis in Midian (Ex. 18:27). Maar Hobab, de zoon van Jethro, de zwager van Mozes, die ook in Midian woont, die is er nog.

En dus zegt Mozes: ‘Zeg, Hobab, ga met ons mee… op reis Kanaän?’
Kijkt u maar in vers 29: Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuel (Jethro), de Midianiet, de schoonvader van Mozes: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
‘Hobab, ga je mee?’
‘Naar?’
Antwoord: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven.
Wij reizen naar het land, dat de HEERE ons beloofd heeft. Het is een opvallend antwoord, met een opvallend accent. Het is een antwoord vol geloof in God, de HEERE, de belovende God van het verbond. Die gezegd heeft: Ik zal u het land Kanaän geven.
En God is geen God, Die liegen zou of een mens dat het Hem berouwen zou. Zou Hij het zeggen en niet doen? (Num. 23:19)
En dus zegt Mozes: ‘Hobab, ga met ons mee, op onze weg, op die weg van geloof in onze God, Die trouw Zijn Woord houdt.’

Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven.
Zomaar één zin, als schets, van Wie God is, voor Mozes, voor Israël en voor hun toekomst.
Wij zijn op reis. Wij leven niet, al genietend, in de waan dat dit onze eindbestemming is.
Maar we zijn op reis naar het land, dat de Heere ons heeft beloofd. We hebben het nooit gezien. Maar onze hoop is vast. Want God heeft het ons beloofd.
En ondertussen, Hobab, -je hebt het de laatste tijd gezien-, is heel ons leven gericht op de dienst van de verzoening, op de dienst van de offers, op de dienst van het bloed.
Dat is al zo vanaf het moment dat we uit Egypte zijn vertrokken en het bloed van het paaslam streken aan de kozijnen van onze deuren.
En nu, meer dan een jaar later, is het niet anders. En het zal zo blijven: we leven van het bloed van de offers, heenwijzend naar het (toen nog) komende Lam van God, de Messias, de inmiddels gekomen Heere Jezus Christus.

Gemeente, als u een beeld, als u een typering wilt hebben van wie wij (die door Gods genade Zijn kinderen mogen zijn) zijn, dan zeggen wij precies hetzelfde:
Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven.
Wij leven door het geloof in de belovende God. Wat Hij gezegd heeft, wat Hij beloofd heeft, dat is waar. En Hijzelf heeft ons dat geloof gegeven, om ons aan Zijn woorden vast te houden. Aan Zijn ontdekkende woorden, aan Zijn vergevende woorden, aan Zijn liefdevolle, bemoedigende en hoopgevende woorden.

We zijn op reis. Het kan zijn dat we veel bezitten, maar het is tijdelijk. Onze schat is niet hier. We zijn pelgrims, we zijn doortrekkende reizigers. We willen hier niet blijven. Want dit is niet ons thuis. Hier worden we niet blij van.
Zeker, er is heel veel wat ons blijdschap en vreugde geeft, als we denken aan man of vrouw, aan vader of moeder, aan kinderen of kleinkinderen, als we denken aan vrienden en gemeenteleden, maar we weten dat het allemaal beperkt en tijdelijk is. Zeker als we dat alles vergelijken met de heerlijkheid die ons wacht (Rom. 8:18).

We zijn op reis door de woestijn. Waar het heet is, waar het vermoeiend is en soms ook gevaarlijk. De dagen van de duisternis zijn veel (Pred. 11:8). Er is veel wat ons teleurstelt, wat ons zorgen baart, wat ons in stilte de tranen over de wangen laat rollen. Maar, als we dan in het donker van de nacht midden in de woestijn uit onze tent naar boven kijken, dan zien we toch het licht van de vuurkolom, het bewijs van Gods aanwezigheid. En dan zingen we in stilte: Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.
Door de vreugde die ons in het vooruitzicht is gesteld, dragen we dat alles met geduld (Hebr. 12:2). Want door mist en zandstormen heen kijkend, weten we, dat we op reis zijn naar de plaats die God ons beloofd heeft. Naar de stad die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebr. 11:10). Naar de plaats waar God is, naar de plaats waar Christus is, Hij is de hemel van de hemel. Naar een plaats van rust en vrede, maar vooral: naar een plaats zonder zonde, vol van volmaakte heiligheid.
Een plaats die we nooit gezien hebben, maar waar we wel zullen komen. Want de HEERE heeft gezegd: Ik zal u die geven.

En op die reis leven we, voor ons lichaam en voor onze gezondheid van het manna, van hemels brood, van Gods Vaderlijke zorg. En voor ons hart, voor ons geestelijke leven, leven we van het bloed van de offers. Van het bloed van het Lam Gods, van Wie de Heere Jezus Christus voor ons is en van wat Hij voor ons heeft gedaan. Van Zijn gehoorzaamheid, terwijl wij vaak nog zo ongehoorzaam zijn. En van Zijn dood en van Zijn leven, in de plaats van onze schuld.
En dat alles is één groot wonder. Want we waren op reis naar een ander land. Maar God heeft ons uitverkoren. Hij heeft ons als Zijn verbondsvolk apart gezet. Hijzelf heeft ons uit Egypte gehaald en gebracht op deze weg naar Kanaän. En dat is genade.
Genade, verdiend door onze Heere Jezus Christus, Die uit de hoge hemel kwam, om diep af te dalen in de verlorenheid van ons zondige bestaan.
Zijn gehoorzaamheid wilde God stellen in de plaats van onze ongehoorzaamheid en ons gemopper. Zijn dood aan het kruis wilde God stellen in de plaats van ons verdiende oordeel, als weglopend, ontrouw, afgoden dienend en mopperend volk.
En dat alles is diepgeworteld in God! Anders waren we nooit vertrokken, of verdwaald, of teruggekeerd.
Maar omdat alles vastligt in God, in Zijn eeuwige welbehagen, daarom is onze reis verzekerd. Onze eindbestemming ligt vast. God zal ons er brengen.
Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven.
En onze God, daar kan je van op aan. Die is betrouwbaar. Die doet wat Hij beloofd heeft.

‘Hobab, ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
Over ons, over Israël, heeft de Heere het goede gesproken.
Het goede. Wat is dat, dat goede?
Dat is alles wat je krijgt, als je vrede hebt met God. Alles wat je krijgt, als je vrede hebt met God.

Denk maar aan wat Job zegt in Job 22: Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede(!) overkomen (22:21).
Job zegt: gewen u toch aan Hem, dat wil zeggen: Word verzoend met God. Daardoor zal u het goede overkomen. Heb vrede met God, dan alleen gaat u een goede toekomst tegemoet.
Dus: ‘Hobab, kom, ga ook leven van vrede en verzoening met God. Ga met ons mee!’
Het is ten diepste de oudtestamentische vorm van de nieuwtestamentische roep: Laat u met God verzoenen! (2 Korinthe 5:20). Ga in op Zijn vredesvoorstel. Want alleen als je leeft van het bloed van het offer, van het bloed van het Lam Gods, door het geloof in Jezus Christus, alleen dan zal het goede je deel zijn.

‘Hobab, ga met ons mee! Laat je ook met God verzoenen!’
Zoals ik ook nu tegen u, tegen jullie zeg, wie u ook bent: Kom, ga met ons mee, in dat goede leven met de Heere.
We hadden het slechte verdiend: oordeel, toorn en straf. Maar de Heere heeft het goede over ons gesproken. Alstublieft, Hobab, ga met ons mee. Hij heeft vrede met ons gemaakt. En Hij wil ook met u vrede sluiten. Laat u toch met God verzoenen!
Alles kunt u krijgen: genade, vrede met God, vergeving van schuld, heiligheid van leven en een recht op het eeuwige leven, als u gehoor geeft aan de roep van het Evangelie: Kom!
Meer dan Mozes is hier. En Hij zegt: Kom! Laat u met God verzoenen.
Reis met ons mee.

Nooit is er een vriendelijker verzoek of een liefdevoller aanbod aan uw hart gericht.
Verlaat wat u hebt. Uw afgoden, uw eigengerechtigheid.
Leg de wapens van uw verzet en opstand neer. En kom tot Hem, Die u verlaten hebt, tot Zijn Zoon Die u veracht hebt, tot Zijn bloed dat u vertrapt heb, en heb vrede! En het goede zal u overkomen.
Zou u niet willen dat er vandaag blijdschap zou zijn in de hemel om u?
Alles is gereed. U kunt zo meereizen. Slechts uw ja, is genoeg, om in te stemmen met Zijn voorstel.
Maar aarzel niet. Want de tijd is kort en de reis gaat verder.
Het aanbod van vrede en verzoening met God is een tijdelijk en voorbijgaand aanbod

Gemeente, denk eens goed na over dit verzoek van Mozes, over dit aanbod van Christus.
U kunt al het goede krijgen, door verzoening en vrede met God.
Vindt u het geen wonder, dat Hij dit aan u aanbiedt?
U bent van Hem weggelopen, maar Hij komt naar u toe.
U vraagt er niet om, maar Hij vraagt het aan u, Hij biedt het u aan.
U hebt Hem diep beledigd, maar toch komt Hij naar u toe en zegt: Kom!
Hij bidt u, Hij smeekt u, Hij ligt als het ware op Zijn knieën voor u, die de dood hebt verdiend.
Schittert daarin niet Zijn weergaloze zondaarsliefde? Zijn hartelijke bewogenheid met uw harde hart?
Laat dan uw afgoden toch in de steek. Laat uw eigengerechtigheid dan toch los.
Geef uw verzet en vijandschap dan toch gewonnen. En geef uw hart, uw dode en vijandige hart, dan toch aan Christus!
Laat u door Hem met God verzoenen!

Wat zegt u? Gaat u mee…?
Niet? Gaat u niet met ons mee?
U lijkt op Hobab… Zijn eerste antwoord is teleurstellend. Want we lezen in vers 30: Doch hij (Hobab) zeide tot hem: Ik zal niet gaan; maar ik zal naar mijn land en naar mijn maagschap (naar mijn familie) gaan.
Hobab zegt simpel gezegd: nee, Mozes, ik ga terug naar huis.
We zien het verder in ons tweede aandachtspunt: 

2. Antwoord van Hobab

‘Nee, Mozes, ik ga terug naar huis.’
Je kan je de moeite van Hobab wel voorstellen. Zijn aarzeling…
Pas ik wel bij dit slavenvolk? Pas ik niet beter bij mijn eigen volk?
En ja, ik kan wel met ze meegaan, maar waar kom ik terecht?
En het is ook niet erg solide, om te leven van een belofte, terwijl je niet weet of het waar is… Dan kan ik maar beter even genieten van wat ik nu heb. Je weet wat je hebt, maar je weet niet wat je krijgt…
Moet ik mijn toekomst riskeren voor de belofte van één man? Zeker het is mijn zwager, maar toch…

‘Nee, de prijs, Mozes, van mijn ‘ja’ is te hoog! Als ik meega, ben ik mijn familie en vrienden kwijt. Dan moet ik al mijn zekerheden opgeven. Dan moet ik al mijn gemakken opgeven. Mijn vaste woonplaats wordt een reizende tent. En dan nog, Mozes, die onzekerheid: Kan ik je wel op je woord geloven?
Is het woord van jouw God, Mozes, wel betrouwbaar? Kan ik het daar wel op wagen?
En trouwens, ik ben zo gehecht aan mijn eigenlijke leven… Nee, Mozes, het was fijn om nog een tijdje met je op de trekken, maar niet voor altijd.’

Hobab aarzelt. Hobab twijfelt. Ondanks alles wat hij het afgelopen jaar gehoord, gezien en meegemaakt heeft.
Want Mozes heeft zijn schoonvader Jethro, en ongetwijfeld ook zijn zwager Hobab vertelt: Alles Heere aan hen gedaan had: dat de HEERE Israël uit Egypte uitgevoerd had (Ex. 18:1). En in het afgelopen jaar heeft het zelf ook van dichtbij meegemaakt, de indrukwekkende wetgeving op de Sinaï.
En nu, terwijl Hobab daar staat, ziet hij het ook voor zich: de wolk- en vuurkolom, een zichtbaar en voelbaar teken van de aanwezigheid van Israëls God.

Zoals ook u in de jaren hiervoor zoveel gehoord, gezien en meegemaakt hebt.
Er zijn momenten geweest, dat u diep in uw hart voelde: hier in de kerk, hier in de Bijbel, hier bij deze man of vrouw, bij deze pelgrim, is God. Hier wordt de rust geschonken.
Hier is de vrede met God.
En nu onder het Woord klopt Christus aan de deur van mijn hart.
U proeft de liefde in Zijn woorden. U ziet de tranen in Zijn ogen.
Maar toch…, aarzelen, twijfelen, hinken op twee gedachten.

Wordt u als de vrouw van Lot, die zich omkeerde en een zoutpilaar werd? Halverwege uw eindbestemming? Of, gaat u met ons mee?
Uw eerste afwijzing is voor ons niet genoeg.
Mozes liet Hobab niet zomaar gaan. En zo zal ook ik u vanmorgen niet zomaar laten gaan.
Maar laten we samen eerst zingen voordat we verder gaan met onze derde gedachte uit Psalm 119, daarvan het 10e vers:
Ik ben, o HEERE, een vreemdeling hier beneên;
Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken,
Daar mijne ziel, omringd door duisterheên,
Zo dikwijls van verlangen is bezweken,
Om U te zien ter hoge vierschaar treên,
Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.

Gemeente, we gaan verder met ons derde aandachtspunt:

3. Herhaalde verzoek van Mozes

Want na het eerste verzoek van Mozes en na het afwijzende antwoord van Hobab, gaat Mozes verder. We lezen in vers 33: En hij zeide: Verlaat ons toch niet; want dewijl u weet, dat wij ons legeren in de woestijn, zo zult u ons tot ogen zijn. En het zal geschieden, als u met ons zult gaan, en het goede(!) geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
Hobab, als u met ons meegaat, dan zult u ons tot ogen zijn. Zeker, God heeft ons de wolk- en vuurkolom gegeven om ons de weg te wijzen, maar we mogen zeker ook onze middelen en talenten gebruiken.

Hobab, u kent het woestijnleven. U weet hoe we water moeten vinden. U weet waar we uit moeten kijken, voor gevaren van wilde dieren, voor slangen, voor vijanden die op de loer liggen.
U bent een man met talent. We kunnen u zo goed gebruiken.

De weg naar hemel wordt ons in Bijbel duidelijk aangewezen. Maar mensen met talenten, zoals u die ook gekregen hebt, zijn zo bruikbaar in Gods goede dienst. En dus zeggen ook wij: Kom, ga met ons!!

Hobab, verlaat ons toch niet! En het zal geschieden, als u met ons zult gaan, en het goede geschieden zal, waarmede de HEERE bij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.
Laten we deze oudtestamentische nodiging van Mozes wat beter bekijken. En hoor er vooral ook de nieuwtestamentische nodiging van Christus in.

  1. Dit verzoek van Mozes is in de eerste plaats een vriendelijk verzoek.
    Eerst zei hij: Ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
    En nu zegt hij heel vriendelijk: Hobab, verlaat ons toch niet!
    Geliefde vrienden, we nodigen u vriendelijk en hartelijk, tot het goede leven met de Heere. Kom, ga met ons mee. We gaan liever niet alleen.
    We geloven in de betrouwbaarheid van het Woord van God. Hij heeft ons het goede beloofd.
    En we geloven ook (dat heeft de Heere ook gezegd) dat er buiten Kanaän, dat er buiten het bloed van het Lam geen leven is, maar een zeker omkomen in de handen van de rechtvaardige God. En dat is het ergste wat er is.
    Kom, het doet ons verdriet als u de andere kant opgaat. Als een deel van onze familie meegaat en het andere deel niet. Als wij als Lot vluchten, maar onze geliefden staan stil en komen om.
    Kom huisgenoten, kom familieleden, kom vrienden. Deze God is onze God. En Hij wil ook uw God zijn.
    Verlaat ons niet. Maar verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands (Spreuken 9:6).
  2. Het verzoek van Mozes is in de tweede plaats een hartelijk verzoek.
    Kom broeder, je bent welkom. Ga met ons mee.
    Geen mitsen en maren, geen eisen of voorwaarden. Hoe slecht uw leven hiervoor ook was, het hindert wat dit betreft niet. Bent u recalcitrant of aangepast, goed gehumeurd of een beetje verzuurd, niets meegemaakt of door het leven getekend, het doet er allemaal niet toe, wie u ook bent: Kom, ga mee!
    Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de HEERE(!), al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jesaja 1:18).
  3. Het verzoek van Mozes is in de derde plaats een herhaald verzoek.
    Ik heb u eerder genodigd, en ook door anderen hier in de kerk bent u vaker genodigd.
    En wij nodigen u opnieuw. Wijs een liefhebbende Jezus niet af, doe Hem niet opnieuw verdriet aan, zodat Hij opnieuw tegen u zou moeten zeggen (en u hoort hoeveel liefde en bewogenheid daarin doorklinkt!): Hoe menigmaal heb Ik u en uw kinderen willen bijeen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kuikens bijeen vergadert onder de vleugels; maar (tot nu toe) hebt u niet gewild (Mattheüs 23:37).
    En vergeet ondertussen niet (u, op wiens hart al zo vaak geklopt is; u, wie Christus zo vaak gebeden heeft), Gods geduld is niet eindeloos. Hij zal niet in eeuwigheid twisten met de mens (Genesis 6:3).
    En dus is dit verzoek, dit aanbod tijdelijk. Zoals aanbiedingen van Albert Heijn en van de Jumbo tijdelijk zijn, zo is ook dit verzoek en dit aanbod tijdelijk

Ga met ons mee. De HEERE is met ons. Hij zal ons brengen in het hemelse Kanaän van de rust. Laat u ook met God verzoenen!
Lever uw wapens van verzet en vijandschap in.
Grijp Zijn sterkte aan (Jesaja 27:5).
Zie op Hem en word behouden! (Jesaja 45:22)
Dat liefdevolle aanbod geldt nu. Vandaag. Het Evangelie is een dagaanbieding.
Voor morgen durf ik niets te zeggen. Ik mag het ook niet. Heden, nu u Gods stem hoort, kom, ga met ons. Breek met uw zonden en bekeer u. En u zult het goede ontvangen. En op Gods tijd aankomen in de eeuwige heerlijkheid.
Maar voor morgen weet ik het niet. Vandaag kan immers uw laatste dag zijn.

  1. En dus is het verzoek van Mozes in de vierde plaats ook een dringend verzoek.
    Het grenst aan een bevel. Ga met ons mee! Keer u om! Ga niet terug naar het heidense Midian, naar het duister van de zonde, van uw eigen godsdienst of van de wereld!
    Al het goede zal uw deel zijn, als u met ons meegaat. Genade en goedheid zullen u volgen al de dagen van uw leven.
    Maar ga mee! Teruggaan is gevaarlijk. Als u uw ziel verliest, dan verliest u alles.
    Wilt u echt alles riskeren en doorgaan? Wilt u niet wagen op het Woord van de Heere? Op de betrouwbaarheid van de Heere Jezus Christus?
    Hij is betrouwbaar. Hij wil u redden van de ondergang. Kom dan toch met uw verloren leven tot Hem.
    Luister naar de dringende stem van de Heere zelf: Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo Ik lust heb in den dood des goddelozen! maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uw boze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls? (Ezechiël 33:11)
  2. Het verzoek van Mozes is in de vijfde plaats vooral ook een gegrond verzoek.
    Het heeft een grond. Het is niet gebaseerd op eigen ideeën, eigen voorkeuren of plannen, maar het is gefundeerd op het geloof in Gods belofte.
    Dat maakt dat hartelijke, dringende en vriendelijke verzoek ook zo solide: Wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons, en wij zullen u weldoen, want de HEERE heeft over Israël het goede gesproken.
    En: de HEERE zal bij ons weldoen.
    Tot driemaal toe staat er in het verzoek van Mozes de Naam HEERE, de grote Naam van de God van het verbond, Die altijd Zijn Woord zal houden.
    Met andere woorden: Hobab, onze God is betrouwbaar. Hij heeft een verbond met ons gesloten en Hij zal Zijn belofte waarmaken.

Lieve, onbekeerde vrienden, het Woord van God en Zijn beloften zijn betrouwbaar.
Al hebt u niets van uzelf, juist al hebt u niets van uzelf: Hij wil uw Redder en Zaligmaker zijn.
Hij heeft het aan u beloofd: Zoek mij en leef! Zoekt en u zult vinden. Komt tot Mij allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven (Mattheüs 11:28).
En Zijn woorden zijn getrouw (betrouwbaar) en waarachtig.

Waarom, gemeente, blijft Mozes zo aandringen bij Hobab?
Waarom blijven wij zo aandringen op uw hart, om de goede keus te maken? Om niet terug te gaan naar de wereld, maar u bij ons te voegen?
Omdat we weten waar het op uitloopt. Wij weten de schrik des Heeren, en daarom proberen wij u te bewegen tot het geloof in de Heere Jezus Christus (2 Korinthe 5:11). Daarom proberen u te bewegen om een verkeerde weg te verlaten en met ons mee te gaan.
Want het einde van Egypte, het einde van Midian is de dood. En we willen niet dat u omkomt. We willen niet dat u valt in de handen van de levende God, onverzoend en onvergeven. Sterker nog, God wil niet dat u verloren gaat, en daarom zegt Hij vanmorgen tegen u: Kom!
De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk (Jesaja 55:7).
We gunnen u zo graag dat goede leven met de Heere en een toekomst in de hemel bij Hem. Sterker nog, we gunnen God en Christus zoveel meer eer, glorie en roem. En die krijgt Hij, als u na al uw onwil buigt voor Hem.

Gemeente, waarheen gaat uw reis?
Misschien zegt u: ‘Ik hoop, dat ik op de goede weg ben.’
Onderzoek uzelf, of dat echt zo is. Want er hangt zoveel van af. Want er zijn op weg naar Kanaän ook zo veel meelopers, die uiterlijk wel meelopen, maar hun hart ligt nog in Midian of in Egypte (1 Korinthe 10:5).
Bent u echt op weg naar Kanaän? Of zijn uw woorden groter dan uw hart?
Leeft u echt van het bloed van het Lam?
Hebt u echt de hoop op je eigen inspanningen opgegeven?
Heeft de wet, die u in alles overtreden hebt, u echt gebracht aan de voeten van Christus? Als een verloren mens, die alleen maar kan leven van genade?
Hebt u echt gebroken met de zonde van Egypte, van Midian, van Israël?
En leeft u echt als een doortrekkende reiziger, als een pelgrim op deze aarde? Levend, uitziend, verlangend naar de dag dat de belofte vervuld zal zijn? Of leeft u hier alsof u hier altijd zal blijven leven? Vastzittend aan bezitten, consumeren en genieten van alles van hier?

Onderzoek uzelf, gemeente, om u de schrik te besparen aan de deur van de eeuwigheid.
Want daar valt de eindbeslissing: mag binnengaan of moet u buiten blijven staan?

Hoe valt uw beslissing uit, op deze vriendelijke, eerlijke, dringende en hartelijke nodiging?
Hinkt u nog op twee gedachten? Heb ik u bijna overtuigd om met ons mee te gaan?
Bedenk dat dit voor u een beslissende dag kan zijn, een beslissend moment met eeuwigdurende consequenties.
Het antwoord wat u geeft, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of u met ons zult aankomen in het vaderland de rust, of dat u voor eeuwig zult ondergaan in de buitenste duisternis.
Er is geen voordeel in het weggaan van de Heere, er is geen gewin in het teruggaan naar uw eigen leventje.
Als u God verlaat, dan hebt u smart op smart te vrezen. Kies niet voor de schaduwen die voorbijgaan, maar wendt u naar God toe en word behouden (Jesaja 45: 22)

Hobab heeft geaarzeld, maar is waarschijnlijk uiteindelijk wel meegegaan. Want later, als Israël in het land Kanaän woont, dan wonen daar ook afstammelingen van Hobab, de Keniet (Richteren 1:16, 1 Samuël 15:6).

Maar wat zal ik mijn Zender als antwoord geven, als Hij mij vragen zal: ‘Zijn ze uit [plaatsnaam] uiteindelijk na die eerste aarzeling ook meegegaan? U hebt ze in Mijn Naam genodigd. Wat was hun antwoord?’
Mag ik dan zeggen: ‘Velen hebben ingestemd en gebogen, en nu smeken zij met tranen om verzoening en vrede met U?’
Of moet ik dan zeggen: ‘Een enkeling aarzelt nog als Hobab, maar de meesten zijn net als altijd naar huis gegaan: wat geraakt, maar verder niet…’
Of moet ik zeggen: ‘Heere, ik heb Uw verzoek aan hun hart gelegd, maar geen van hen wilde U de hand geven, geen van hen wilde met ons meegaan. Zij wilden niet…’

Gemeente, wees er zeker van, dat Christus nu nog met tranen zal antwoorden: Zij willen tot Mij niet komen, opdat zij het leven mogen hebben. Hoe menigmaal heb Ik ze, met hun kinderen, bijeen willen vergaderen, gelijkerwijs een hen haar kuikens onder de vleugels vergadert; maar zij hebben niet gewild (Mattheüs 23:37).
Maar wees ook zeker van, dat Hij straks zal zeggen: Doch deze Mijn vijanden, die niet hebben gewild, dat Ik over hen Koning zou zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor Mij dood (Lukas 19:27).

Gemeente, vreest u de toorn van Christus?
Buig dan voor Zijn liefde.

Amen.

Links bij preek Numeri 10: Hobab, zwager van Mozes
Preek: Eldad en Medad profeteren (Numeri 11)
Preek: Sterven Aäron, de hogepriester (Numeri 20)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij preek Hobab Numeri 10

TERUG NUMERI

preek hobab woestijn
Preek Hobab (Numeri 10)