Ik ben uw God – Ezechiël 34 – avondmaal (beeld)

Gij zijt mensen, Ik ben uw God

Preek Ezechiël 34:31: Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.

Bijbelgedeelte Ezechiël 34

9 Daarom, gij herders, hoort des HEEREN woord.
10 Alzo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal hen van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn.

11 Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen en zal ze opzoeken.
12 Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen opzoeken; en Ik zal hen redden uit al de plaatsen waarheen zij verstrooid zijn ten dage der wolk en der donkerheid.

13 En Ik zal hen uitvoeren van de volken en zal hen vergaderen uit de landen, en brengen hen in hun land; en Ik zal hen weiden op de bergen Israëls, bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.
14 Op een goede weide zal Ik hen weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide op de bergen Israëls.
15 Ik zal Mijn schapen weiden, en Ik zal hen legeren, spreekt de Heere HEERE.

16 Het verlorene zal Ik zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal hen weiden met oordeel.
17 Want gij, o Mijn schapen, de Heere HEERE zegt alzo: Zie, Ik zal richten tussen kleinvee en kleinvee, tussen de rammen en de bokken.

18 Is het u te weinig dat gij de goede weide afweidt? Zult gij nog het overige uwer weiden met uw voeten vertreden? En zult gij de bezonken wateren drinken, en de overgelatene met uw voeten vermodderen?
19 Mijn schapen dan, zullen zij afweiden wat met uw voeten vertreden is, en drinken wat met uw voeten vermodderd is?

20 Daarom zegt de Heere HEERE alzo tot hen: Zie, Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette kleinvee en tussen het magere kleinvee.
21 Omdat gij al de zwakken met de zijde en met den schouder verdringt, en met uw hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt,
22 Daarom zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen zijn; en Ik zal richten tussen kleinvee en kleinvee.

23 En Ik zal een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden, namelijk Mijn Knecht David; Die zal hen weiden en Die zal hun tot een Herder zijn.
24 En Ik, de HEERE, zal hun tot een God zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen; Ik, de HEERE, heb het gesproken.
25 En Ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zeker wonen in de woestijn en slapen in de wouden.

Maar Ik ben uw God

26 Want Ik zal dezelve, en de plaatsen rondom Mijn heuvel, stellen tot een zegen; en Ik zal den plasregen doen nederdalen op zijn tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.
27 En het geboomte des velds zal zijn vrucht geven, en het land zal zijn inkomst geven, en zij zullen zeker zijn in hun land; en zullen weten dat Ik de HEERE ben, als Ik de disselbomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen die zich van hen deden dienen.

28 En zij zullen den heidenen niet meer ten roof zijn, en het wild gedierte der aarde zal hen niet meer vreten; maar zij zullen zeker wonen, en er zal niemand zijn die ze verschrikke.
29 En Ik zal hun een Plant van naam verwekken; en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen.
30 Maar zij zullen weten dat Ik, de HEERE hun God, met hen ben, en dat zij Mijn volk zijn, het huis Israëls, spreekt de Heere HEERE.
31 Gij nu, o Mijn schapen, schapen Mijner weide, gij zijt mensen; maar Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.