Ik ga heen om u plaats te bereiden – Johannes 14

Preek Johannes 14:1-3: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben.

LEESPREEK


 
Jongens en meisjes, iedereen van ons is weleens heel erg verdrietig. Jullie vast ook wel eens. Iedereen van ons schrikt ook wel eens heel erg. Er kunnen ineens van die nare dingen gebeuren.

Zo is het ook met de discipelen, waar we net over gelezen hebben. Het is nog voor de opstanding, het is nog voor het lijden van de Heere Jezus Christus, voor Pasen, voor Goede Vrijdag.
Als je over ze leest, dan voel je het: ze zijn bezorgd, ze zijn bang.
 
Waarom voelen ze zich zo naar? Ja, want het is eigenlijk meer dan bezorgd-zijn alleen. De Bijbel noemt het: ontroerd. Ze zijn beroerd, aangeraakt, in beweging gebracht.
Net zoals wanneer je het water in een vijver roert en in beweging brengt. Ineens wordt het ondoorzichtig. Het water wordt troebel. Er komt modder naar boven.
 
Ze zijn ontroerd. Er is een mengeling, een mix van allerlei gevoel in hun hart.
a. Ze zijn verdrietig. Want de Heere heeft gezegd dat Hij moet gaan lijden en sterven.
En(!) dat Hij zal heengaan, dat Hij zal vertrekken. Toen Hij zei: Kinderkens, nog een kleine tijd ben Ik bij u. Waar Ik heenga (naar de hemel), kunt u niet komen (Joh. 13:33). Ze zijn er verdrietig van geworden.

b. Ze voelen zich ook beschaamd. Omdat ze daarnet te trots, te egoïstisch waren om elkaars voeten te wassen. Uiteindelijk heeft de Heere Jezus hun voeten gewassen.

c. Ze voelen zich ook geraakt. Zoals jullie, jongens en meisjes, je ook geraakt kunnen voelen als je ziet dat papa of mama verdrietig of bang is. Zo voelen zij zich ook. Want ze hebben net gezien dat ook de Heere Jezus ontroerd werd in Zijn geest, vanwege het toen nog komende lijden.
Er is een mix, een mengeling van gevoel in hun hart. Ze zijn verdrietig, ze schamen zich, ze voelen zich geraakt.

d. Ze voelen zich van binnen ook verward, perplex, geschokt. Want de Heere Jezus heeft net gezegd: Een van jullie zal Mij verraden en Petrus, jij zal Mij verloochenen.

e. En, dat is bij alles nog het ergste, hun geloof wankelt. Dat kan je wel begrijpen. Want de Heere Jezus is toch de Messias? Hij is toch de Zaligmaker? Daarom zijn ze Hem toch gevolgd? Hoe kan het dan? Zal de Messias, de Zaligmaker dan verraden worden? Zal Hij moeten lijden en sterven? En daarna (en daar denken we vanmorgen vooral aan), en daarna van hen heengaan en vertrekken?
 
Ze raken er helemaal van in de war. Hun hart is ontroerd. En daartegen is maar één medicijn. Het Woord van de Heere Zelf. Daarom gaan we nu samen luisteren naar het Woord van de Heere, wat we lezen in Johannes 14, vers 1 tot en met 3.
 
Het is een belofte waar de Heere Jezus Zijn discipelen mee wil troosten.
Maar het is tegelijkertijd ook een profetie over, een vooruitkijken naar het moment dat de Heere Jezus naar de hemel zal gaan. Waar we binnenkort ook samen over na zullen denken, op Hemelvaartsdag: over de Hemelvaart van de Heere Jezus.
 
De tekst voor de preek is Johannes 14:1-3, waar we Gods Woord als volgt lezen:
Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.

En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.
 
Het thema voor de preek is:

Ik ga heen om u plaats te bereiden

En als we goed lezen, dan zien we dat het gaat om vijf dingen, om vijf medicijnen, om vijf troostende woorden van de Heere Jezus Christus voor de onroerende harten van de discipelen.Die vijf troostende woorden gaan we samen één voor één met elkaar overdenken.
Dit is het eerste woord, het eerste medicijn voor hun ontroerende hart, wat we lezen in vers 1:

1. Uw hart worde niet ontroerd

Dat is geen vrome wens in de trant van: Ach, maak je toch geen zorgen, het komt allemaal vanzelf wel goed.
Zoals heel veel mensen zichzelf (juist ook in deze tijd) bemoedigend toespreken: Maak je geen zorgen, alles waait vanzelf wel over, alles komt vanzelf wel goed!

Nee, zij (hoe zouden ze het ook kunnen?), zij spreken niet zichzelf bemoedigend toe. Maar de Heere spreekt hun vriendelijk en bemoedigend toe.
Zoals je vader en moeder dat ook bij jullie doen, jongens en meisjes, als je verdrietig of bang bent.
 
Uw hart worde niet ontroerd.
Dat wil zeggen: Laat jullie hart niet langer onrustig en verward zijn. Wees niet bezorgd, discipelen. Want de Heere zorgt. Hij zal raad geven. Zijn oog rust op u (Ps. 32:8).
Hij ziet, discipelen, uw verwarde harten. Hij hoort uw zuchten.

Hij ziet en weet, dat u het allemaal niet meer weet. Dat u niet weet, hoe het verder moet.
Hij weet het, Hij ziet het. Sterker nog: Hij kent u, Hij heeft u lief.
Zoals de Heere straks in vers 27 nog een keer zegt: Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd en zij niet versaagd (dat wil zeggen: bang of moedeloos).

Hier ziet u, gemeente, zoals op zoveel plaatsen in de Bijbel, dat het hart van een kind van God, dat ons hart van zichzelf geen rots in de branding is. Het kan zo ontroerd, zo verward, zo paniekerig zijn.
Zo verdrietig, zo ontroostbaar, zo vol twijfel en aanvechting.
Zo vol vragen: Hoe moet het toch? Hoe moet het toch verder?
 
Amos noemt de mensen die zichzelf bedriegen, de huichelaars, de mensen die denken dat ze bekeerd zijn terwijl ze het niet zijn: De gerusten in Sion en de zekeren op de bergen van Samaria (Amos 6:1).
Ze kunnen altijd geloven. Ze kennen geen strijd. Ze hebben geen twijfel, aanvechting of nood. Ze zijn altijd gerust en zeker.
Ze hebben, zoals Asaf zegt in Psalm 73, geen banden tot hun dood toe (Ps. 73:4).
 
Maar de echte volgelingen van Jezus zijn anders. Hun hart kan zo vaak verward zijn. Zoals hier nog voor het aanstaande lijden. Zoals straks na de opstanding.
Maar ze hebben zo’n lieve en zorgzame Meester, Die zegt: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
Laat uw hart toch niet langer ontroerd blijven.
 
Dat zegt de Heere ook tegen u, medediscipelen, geliefde medechristenen. Wankelend, bezorgd, vol van twijfel en strijd. Laat uw hart niet langer ontroerd blijven.
U gelooft in God. Of: blijf geloven, blijf vertrouwen in God.

Wat bent u onrustig, o ziel, hoop op God (Ps. 42:6).
Richt uw verduisterde oog toch op God, Die krachtig bevonden is een Hulp in de benauwdheid. Een Toevlucht en Sterkte in de dag der benauwdheid (Ps. 46:2).
 
U gelooft in God, gelooft ook in Mij.
God is de Onzichtbare. De Heere God, jongens en meisjes, kan je niet zien met je gewone ogen.
Dus, discipelen, jullie geloven in de onzichtbare God. Je weet, je gelooft en vertrouwt dat Hij zorgt, dat Zijn oog op jullie rust.

Geloof dan ook in Mij. Ook als Ik zo meteen heenga. En jullie Mij voor een tijdje niet meer zullen zien.
Leer geloven, discipelen, ook al zie je de liefde op Mijn gezicht niet meer.
Lees dan toch door Mijn woorden, de liefde in Mijn hart.
 
Geloof, vertrouw, geef je met al je ellende, schuld en ongeloof aan Mij over.
Verlaat u op Mij. Steun op Mij. Houdt u, terwijl u van uzelf niets hebt, vast aan God en aan Mij. Zeg met de dichter: Ik steun op God, mijn Toeverlaat, dus heb ik niets te vrezen (Ps. 91:5, ber.).
 
Dat is het eerste woord, het eerste medicijn voor het ontroerende hart van de discipelen.
Nu het tweede woord, het tweede medicijn:

2. In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen

In het huis van Mijn Vader. In de hemel.
Het is, jongens en meisjes, alsof de Heere aan Zijn discipelen in al hun onrust en verdriet een verrekijker geeft. De verrekijker van het geloof. Waardoor een kind van God kan kijken naar (zoals de Bijbel dat noemt) een vergelegen land.
 
Hier, Petrus, en jij ook, Thomas, en jij, Johannes, kijk eens met ogen van geloof?
Ja, ik weet het, tranen van verdriet en zorg, maken dat kijken in de verte moeilijk. Maar toch, kijk eens, naar het huis van Mijn Vader.

Soms heet de hemel in de Bijbel een land, een ver gelegen land. Soms een stad, de stad die fundamenten heeft. Soms een koninkrijk, het Koninkrijk der hemelen. Soms een paradijs, het hemelse paradijs.
Maar hier noemt de Heere de hemel: het huis van Mijn Vader. Een permanent thuis.
 
Want, jongens en meisjes, dat is het vooruitzicht van een kind van de Heere. Als je de Heere dient en liefhebt, als je een nieuw hart van de Heere gekregen hebt, als je arm bent van geest, als je hongert en dorst naar de gerechtigheid van de Heere Jezus Christus, als je ziel bezweken is van verlangen naar God, als je voor de vergeving van al je zonden alleen vertrouwt op het bloed van de Heere Jezus, dan laat de Heere je vanmorgen ook meekijken door de verrekijker van het geloof, naar dat hemelse huis.
 
Je kijkt van ver. En het is ook nog niet zover. Maar als de Heere je genade geeft, mag je er wel iets van zien en geloven: dat is (dat is de troost van de Heere Jezus), dat is ook mijn toekomst.
Een huis. Dat is een plaats waar je elkaar als het goed is liefhebt, waar anderen van je houden, waar niemand je ooit vergeet, een plaats waar je altijd welkom bent. Dat is thuis.

Een huis blijft ook staan. Dat staat als een huis. Wij hebben hier geen blijvende stad. Ons lichaam is een tent, een tabernakel die afgebroken wordt. En als je ziek bent of oud, dan voel je dat meer dan ooit.
Maar een kind van God is op reis. Naar huis. We zijn op reis naar het huis van de Vader, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemel.
 
En, zo zegt de Heere Jezus, in dat huis zijn vele woningen.
Het is niet zo dat iedereen daar een huis voor zichzelf heeft. Iedereen apart, lekker op zichzelf en voor zichzelf genietend.

Maar de hemel is (en u voelt, het is een voorbeeld aansluitend bij het beeld van de tekst), de hemel is als een groot appartementencomplex, met heel veel woningen.
Daar is rust, daar is ruimte, daar is alles.
Daar is, verwarde en twijfelende discipelen een huis voor Mij, en daar is een huis voor u.
Voor al Mijn kinderen, voor alle gelovigen is daar een huis.

Zelfs voor de allerkleinste gelovige, voor de jongste, voor de oudste, voor de meest wankele en twijfelende discipelen is daar een huis.
En dat huis is het huis van Mijn Vader. En dus ben Ik daar ook.

Dat, kinderen van God, geliefde medechristenen, zal de hemel van de hemel zijn. Christus Zelf zal de hemel van de hemel zijn. Onze lieve Heere en Zaligmaker, Die ons zo uitnemend heeft liefgehad. En Die Zichzelf voor ons heeft overgegeven tot in de dood. Hij zal daar zijn. En wij met Hem.
 
We kunnen hem hier in de ervaring van ons hart zo vaak kwijt zijn. Onze zonden maken scheiding. Ons hart kleeft aan de dingen van nu. Twijfel kan ons benauwen. En we kunnen onze verrekijker van het geloof zo ongebruikt laten liggen. Tenzij, totdat Hij ons hart weer onrustig gemaakt en vriendelijk tot ons spreekt, zoals hier.

Zo is het hier. Maar dan is de tijd van de scheiding voorbij. Dan gaat het geloof over in zien, in aanschouwen. Met Christus te zijn is verreweg het beste (Fil. 1:23).
 
In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben.
Als het niet zo was, had Ik het eerlijk tegen u gezegd. Met andere woorden: Mijn woorden zijn betrouwbaar.

Ons geloof is vaak zo wankel, omdat we de woorden van de Heere vergeten of niet kunnen of durven geloven. Vandaar deze liefdevolle toevoeging: Als het anders was, had Ik het tegen u gezegd. Wantrouw Mijn liefde niet. Ik ben geen leugenaar.
 
Gemeente, koopwoningen zijn duur.
Gods kinderen hebben een koopwoning, we hebben een gekocht appartement, een koninklijke accommodatie in het huis van de Vader. Duur gekocht met de prijs van het bloed van Christus, als een erfenis in de hemelen voor ons bewaard.
 
En alle andere mensen, ouderen, jongens en meisjes, wat hebben die eigenlijk?
Alleen die tent, die tijdelijke huurwoning. Waarvan de huur doorloopt…, totdat de huur afloopt.
En dan?
Geen huis meer.
En dan?
Weggeworpen in de eeuwige ondergang, in de hel, in de poel die brandt van vuur en sulfer, waar wening is en knersing van tanden.

Grotere tegenstelling is ondenkbaar!
Lieve vrienden, zonder God in de wereld. Het gaat zo niet goed met u. U bent op weg naar de eeuwige ondergang. Dit zou voor u, meer dan voor deze discipelen, een tijd van benauwdheid en ontroering moeten zijn. Want u bent echt in gevaar, u bent in levensgevaar.
 
Vraag toch of de Heere het u zal laten zien. Roep de Heere toch aan in den dag der benauwdheid. Als u de Naam van de Heere zult aanroepen, als u met al uw zonden en ellende tot Jezus vlucht, zult u zalig worden.
Maar zo niet, uw tent vergaat en uw huis zal branden. Zonder dat het uit te blussen zal zijn. God moge zich ontfermen over uw ondergaande ziel.
 
Gemeente, we hebben ondertussen twee medicijnen gezien, gegeven aan de verwarde en verontruste harten van de discipelen.
Het eerste was: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
Het tweede was: In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben.
Nu het derde medicijn, het derde troostende woord van de Heere Jezus, in vers 2:

3. Ik ga heen om u plaats te bereiden

Ik ga niet zomaar weg. Maar Ik ga weg om iets voor u, discipelen, te doen.
Ik ga niet weg om goed voor Mezelf te zorgen en jullie kinderziel alleen achter te laten. Maar Ik ga weg, juist om voor jullie iets te doen: om voor jullie plaats te bereiden.

Om voor jullie daar, in het huis van Mijn Vader, plaats klaar te maken.
Zoals, jongens en meisjes, de meester of de juf plaats voor jullie maakt in de klas, door de stoelen alvast klaar te zetten. En al ben je op je eerste schooldag nog zo klein, nog zo bang en nog zo verlegen, je stoel staat klaar, met je naam erop. Omdat de meester of de juf je plaats klaargemaakt heeft.

Zo zegt de Heere Jezus zal Ik, discipelen, voor jullie, plaats gaan klaarmaken in de hemel.
Is die plaats dan niet al klaargemaakt, zoals de Bijbel zegt, van de grondlegging der wereld?
Jazeker, maar dit, wat de Heere Jezus hier zegt, is daarmee niet in strijd.

Want wil die plaats in de hemel uiteindelijk ingenomen kunnen worden, dan moet eerst gedaan worden, wat de Heere Jezus nu gaat doen.
Want onze zonden zijn zo groot, dat er zonder de dood van de Heere Jezus voor ons geen toestemming zou zijn, om het huis van de hemel binnen te gaan.

En zonder Zijn hemelvaart zouden wij ook geen recht hebben om daar binnen te komen.
Maar nu gaat Hij, als eerste, voor hen, voor Zijn discipelen, door een weg die niemand van hen gaan kan. Door een weg van bitter lijden, van sterven aan het kruis, van begraven worden, van opstaan en van de hemel binnengaan. Als eerste, voor Zijn discipelen, voor ons, voor al Gods kinderen.

Als wij de verrekijker van het geloof pakken en vooruitkijken naar het huis van de Vader, dan kan dat niet zonder deze troost. Anders zouden we denken: zal ik daar ooit wel komen? Heb ik wel recht op een plaats in dat huis, is daar wel een plek voor mij?
 
Dit is de troost van de Heere Jezus Christus: Ik ben heengegaan, door lijden, dood, graf, opstanding en hemelvaart, als eerste, om Zelf daar voor u plaats te bereiden.
Ik heb een huis gekocht voor u. Met de prijs van Mijn bloed.
Ik heb voor u het recht gekocht om daar binnen te gaan.

En Ik heb als Hogepriester uw naam op Mijn borst binnengedragen in het hemelse heiligdom.
En dus zult u, Mijn lieve kinderen, straks na uw dood de hemel binnengaan en merken: ik ben hier niet onbekend, ik kom hier niet onverwacht, mijn komst is voorbereid.
 
En in de tussenliggende tijd dat u hier op aarde bent, zal Ik ook uw hart klaarmaken door Mijn Heilige Geest, om daar straks te kunnen zijn. In de aanwezigheid van de heilige God.

Vandaar al die verdrukkingen, al die tegenspoed. Vandaar al die ziekte, die nood, dat verdriet en die beproevingen. Om u te heiligen. Om het uwe af te breken. Opdat Christus een gestalte in u zal krijgen. Totdat het genoeg is. Dan haal Ik u thuis.
 
Hoe moet het straks met u, lieve vrienden, die tot op de dag van vandaag geen recht hebt op een huis in de hemel? Misschien spaart u van alles en nog wat bij elkaar om de huurprijs te betalen. Maar het is een koopappartement! En de koopprijs is oneindig hoog. Onbetaalbaar. Voor u tenminste.

Maar niet voor Christus. Hij biedt de koopsom aan u aan. Voor niets. Volledige betaling van uw zonde en schuld. Nooit eerder hebt u zo groot aanbod gehad, als dat u nu (en zo vaak in het verleden vanaf deze plaats) wordt aangeboden.

Waarom hebt u tot nu toe de overeenkomst geweigerd?
Ik bedoel deze overeenkomst: een huis in de hemel zonder prijs, en een plaats bij Christus zonder geld?
 
Ik kan het niet begrijpen. Ik wil het niet begrijpen. Hoewel ik het begrijp als ik denk aan mijn vroegere hart.
Genade wordt u aangeboden, vergeving van schuld en eeuwig leven bij God.
En u wilt het niet? U zegt: Houd het maar? Aan de kennis van Gods wegen heb ik geen lust?
Kom, lieve mensen, verhard u niet, maar laat u leiden.

Er is een gewillige Zaligmaker, Die alles heeft en alles geven wil. Uit genade, voor niets. Kom dan toch met uw zonden en verlorenheid. Erken en belijd die en vlucht tot Christus om redding en behoud.
Wie Hem aanroept in de nood, vindt Zijn gunst oneindig groot.
 
Een vierde medicijn voor een verontrust, angstig en twijfelmoedig hart, in vers 3:

4. Zo kom Ik weder

Zoveel als u mist, als u zonder God en zonder de Heere Jezus Christus leeft, zoveel heeft de Heere ons uit genade gegeven.

In al de zwakheid van ons geloof, in al de twijfel die er kan zijn, in lijden en verdriet hebben wij iets, wat niemand in de wereld ons kan geven, en wat niemand in de wereld ons ook kan afnemen. Een enige, een unieke troost in leven en sterven. We hebben een getrouwe, een betrouwbare Zaligmaker. En dus hebben we alles.

Hij is niet van ons weggegaan om nooit meer terug te komen. Maar zoals een trouwe bruidegom in liefde en trouw zijn bruid nooit zal vergeten en altijd zal terugkomen van een reis, zo ook Christus. Ik kom weder. Ik kom terug.
 
Het staat hier scherp tegenover: Ik ga heen.
Dit: Wees niet ontroerd, wees niet bevreesd, Ik kom terug.
 
Denk je daar wel eens aan, jongens en meisjes? U, volwassenen?
De dag komt, dat de Heere Jezus terug zal komen op de wolken van de hemel.

De Heere Jezus heeft het Zelf voorzegd, toen Hij zei: En alsdan zal in den hemel verschijnen het teken van den Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen den Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid (Mat. 24:30).

Hoe zal het jullie vergaan, jongelui, u, gemeente, op die dag? Als u de Zoon des mensen, als u Jezus zult zien op de wolken in de lucht? Vandaag, morgen, of iets later?

Zult u Hem dan zien, als iemand die Hem doorstoken heeft met uw ongeloof?
Zult u dan beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons? En tot de heuvels: bedekt ons?
Of zult u blij uw hoofd omhoog richten en zeggen: Onze verlossing is aanstaande! Onze Verlosser, onze Heere en Zaligmaker is gekomen!
 
Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve (Mat. 24:31).
Discipelen worden straks thuis gehaald.
 
Want, dat is het vijfde medicijn voor een moedeloos, maar het uitziend hart, vers 3b:

5. En zal u tot Mij nemen

Op de dag van de terugkomst van de Heere Jezus Christus zullen al Gods kinderen bijeen vergaderd worden. Overal vandaan. En opgenomen worden in…?
Waar, jongens en meisjes?
Je zegt: In de hemel.

Dat is waar. Dat is helemaal waar. Maar het is eigenlijk niet helemaal compleet. Het is eigenlijk een beetje anders.
Want er zou geen blijdschap in ons hart zijn, als we wel in de hemel zouden komen, maar de Heere Jezus zou er niet zijn. Dan waren we erop achteruitgegaan.

Want toen wij nog op de aarde waren, was Hij zo vaak dicht bij ons. In Zijn woorden, in onze gebeden, in de bediening van de sacramenten. En als we Hem en de liefde van Zijn gezicht niet zagen, geloofden we door Gods genade wel de liefde van Zijn hart.
 
Maar als Hij, de Heere Jezus Christus, er in de hemel niet zou zijn…? Wat dan…?
Dan zou de hemel voor ons geen hemel zijn.
Ik zei daarstraks toch: Christus zal de hemel van de hemel zijn?
Maar gelukkig. De Heere Jezus zegt niet: Ik neem u op in de hemel.
Hij zegt iets anders: Ik zal u tot Mij(!) nemen.
 
Wat schittert daarin toch de liefde van Christus voor Zijn discipelen, voor al Zijn kinderen, ook en juist voor twijfelende en bestreden harten. En zal straks in de hemel, geliefde medechristenen, geen gewoon welkom zijn, maar een innige omhelzing.

Christus zal ons met liefde omhelzen. En een vermoeide bruid zal rusten aan het hart van een liefhebbende bruidegom: tot Hem(!) genomen.
In eeuwige rust, in blijdschap, in liefde, zingend van verwondering: U, o mijn liefste, bent blank en rood. U draagt de banier boven tienduizend. Alles wat aan U is, is gans begeerlijk. Want U hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.
 
Jongens en meisjes met een nieuw hart, kinderen van God, laten we veel bij onszelf (biddend, lezend in het Woord, mediterend) denken aan dit blijde vooruitzicht, vol van verzadiging van vreugde voor Gods aangezicht.

Hier was ons hart vaak zo onrustig. Daar is er rust, aan het hart van Christus.
Hier was er zo vaak duisternis. Daar is altijd licht. Het licht van Gods vriendelijke aangezicht zal stralen van het gezicht van Christus.

Hier waren tranen. Daar worden ze afgewist met een zachte doek.
Hier was verdriet, teleurstelling en zuchting. Daar zullen ze wegvlieden.
 
We zullen (wordt uw hart niet klein en verbaasd bij de gedachte, veert uw hart ook niet op van blijdschap en hoop in deze vaste wetenschap?), we zullen verhoogd worden.
Eerst werd Christus verhoogd. Door de weg van kruis en lijden.

Maar na deze Eersteling mogen we Hem uiteindelijk op Gods tijd ook volgen: door een weg van kruis, verdrukking en lijden verhoogd.
Verhoogd, bevorderd tot de eeuwige gemeenschap, tot de eeuwige omgang met de Zaligmaker. Die het Beeld is van de eeuwige God. In Wie al de volmaaktheden van God ons voor eeuwig zullen beschijnen.
 
U, onbekeerde vrienden, hebt een ander vooruitzicht.
Jesaja schrijft in Jesaja 33: De zondaren te Sion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? (Jes. 33:14)

U zou wel willen wonen in de hemel, maar niet bij God.
Dat is uw ellende. U bent zonder God. En u wilt niet met God leven. En dus past u straks niet bij God.
Johannes schrijft, denkend aan de hemelse heerlijkheid: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams (Openb. 21:27).

U wil, u kan, u mag zo bij God niet wonen.
Kom toch tot inkeer, voordat u verschrikt zult worden en zult beven bij de gedachte alleen… aan God.
 
Maar, gemeente, laat ik afsluiten met woorden van troost.
Ook voor ons, kinderen van God, geliefde medechristenen, is dit leven een dal vol tranen. We moeten, zo zegt de apostel Paulus, door veel verdrukkingen ingaan. Maar wat uiteindelijk overblijft, na alle moeite en verdriet, na alle aanvechting en twijfel is: rust, eeuwige rust. Onze vorige benodigdheden zullen vergeten zijn.
 
Het blijft een rust over voor het volk van God: rust in God, rust in de armen van Christus, Die ons tot Zich nemen zal. De schapen zullen eeuwige rusten in de armen van de goede en getrouwe Herder.

Er komt aan pijnlijke ziekten en moeilijke wegen een einde.
Er komt aan duisternis en gemis een einde.
Er komt aan onbegrepen wegen een einde.

Er komt aan onze zonden, onze ontrouw, ons ongeloof en onze twijfel een einde.
En dat einde is Christus. Hij Zelf. En God in Hem.
 
Die met onze laatste zucht op deze aarde, ook tegen ons (die in ons hart net zulke grote moordenaars waren als de moordenaar aan het kruis) zal zeggen: Heden zult u met Mij in het paradijs zijn.
 
Uw hart, geliefde medebroeders en zusters, jullie hart, jongens en meisjes en jongelui die de Heere liefhebben en dienen, worde niet ontroerd. Deze uitkomst staat vast.

Want als er één gebed verhoord is, zoals al de gebeden van de Heere Jezus Christus verhoord zijn, dan is het ook dit gebed, als laatste:

Vader, Ik wil (dat is Mijn diepste wens en verlangen), dat waar Ik ben, ook die bij Mij(!) zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen (dat is de hemel van de hemel: het aanschouwen van de heerlijkheid van Christus!), die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.
 
Het komt nu en straks, geliefde gemeente, maar op één ding aan: of u door genade in Christus bent, of niet…
 
Amen.