/ / Kananese vrouw (Mattheüs 15)

Kananese vrouw (Mattheüs 15)

De Kananese vrouw, en het brood van de kinderen
Preek Mattheüs 15:21-28: Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen. En zij zeide: Ja, Heere! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren .

Thema Mattheüs 15: Kananese vrouw

De Kananese vrouw en haar dochtertje
1. Zijn zwijgen (22-23a)
2. Zijn beproeven (23b-25)
3. Zijn verhoren (26-28)

PDF LEESPREEK

Schriftgedeelte over Kananese vrouw – Mattheüs 15:21-28:
En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! mijn dochter is deerlijk van den duivel bezeten.
Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.
Maar Hij, antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren schapen van het huis Israël.

En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, help mij! Doch Hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens voor te werpen.
En zij zeide: Ja, Heere ! doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren.
Toen antwoordde Jezus, en zeide tot haar: O vrouw! groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. En haar dochter werd gezond van diezelfde ure.

Links bij preek Mattheüs 15: Genezing dochter Kananese vrouw
Preek: Jezus en de rijke jongeman (Mattheüs 19)
Preek: Kinderen: Hosanna, Zone Davids (Mattheüs 21)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Mattheus 15

TERUG MATTHEUS

Dr. H.F. Kohlbrugge over Kananese vrouw:
Zo hoorde de Heere Christus de Kananese vrouw wel die Hem naliep en riep: ‘Heere, Gij Zone Davids, ontferm U mijner! Mijn dochter is deerlijk van de duivel bezeten’. Hij hield Zich echter als hoorde Hij haar niet. En nu zij nog nader komt, wendt Hij Zich zelfs van haar af en ontzegt haar schijnbaar alle hulp waarover zij zeker een niet geringe strijd des geloofs gestreden en voorzeker het ‘hoe lang’ in haar hart gevoeld heeft. Zij dacht echter: ‘ Gij zult mij toch helpen, en Gij moet mij helpen, want het ligt in Uw wezen, het is Uw ambt, Uw werk, dat Gij degenen die Uw hulp begeren en op U hopen, hulp verleent.’