Zuurdesem of nieuw deeg – 1 Korinthe 5

Zuurdesem of nieuw deeg

Preek 1 Korinthe 5:6-8: Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

LEESPREEK

Een weinig zuurdesem

Ds. J. IJsselstein – 1 Korinthe 5:6-8
 
Liturgie:
Psalm 96:5,6
Psalm 119:17
Lezen 1 Korinthe 5
Psalm 101:2,3,4,5,6
Psalm 40:4
Psalm 30:3,8
 
Er is veel mis, maar toch zijn ze tevreden.
Ze zijn stevig verdwaald, maar toch zijn ze trots op wie ze zijn.
 
Er is veel mis, ze zijn stevig verdwaald, want er is iemand in de gemeente, zo lezen in vers 1 van 1 Korinthe 5 (de heidenen, de onchristelijke mensen zouden zich ervoor schamen!), er is iemand in de gemeente die het houdt met zijn stiefmoeder.

Waarschijnlijk was die stiefmoeder zelf geen lid van de gemeente, maar hij wel.
En hij, dat bewuste gemeentelid, heeft een seksuele relatie met zijn stiefmoeder. Een incestueuze verhouding die God heel nadrukkelijk verboden heeft (Leviticus 18:8, 20:1).
 
En men laat het gebeuren.
Reden? Het motto van de gemeente van Korinthe: alle dingen zijn geoorloofd (6:12).
Wij bepalen zelf wel wat kan en wat niet kan.

En ze zitten er ook niet mee, ze hebben er ook geen verdriet over. Paulus zegt in vers 2: u hebt er geen leed, geen rouw over gedragen. Sterker nog, het tegenovergestelde is waar:
u bent nog (steeds) opgeblazen (vers 2).
 
Opgeblazen zijn. Daar ging het over in 1 Korinthe 4. Je lijkt heel wat, maar je bent niets. Want het is allemaal lucht.
Dat begon al in het paradijs. Dat was het begin van alle zonden: opgeblazenheid, hoogmoed.

Het begon met één zonde, en die werd de bron van heel veel andere zonden.
Het begon met één mens, met Adam. En die heeft alle mensen na hem bedorven en besmet, zoals Paulus zegt in Romeinen 5: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben (Romeinen 5:12).

Hier zien we, zomaar in één enkele pennenstreek door Paulus getekend: de ellendige toestand waarin wij van nature allemaal zijn.
Levend in de zonden (welke dat ook zijn), maar nog steeds (net als Adam destijds): hoogmoedig! ‘Ik laat me niet zomaar iets aanzeggen, ik bepaal zelf wel wat goed is: alle dingen zijn geoorloofd’. En maar doorgaan…

Dat kan trouwens ook als je in de kerk zit en ernstig luistert. Het Woord prikt in je hoogmoedige hart, maar je zegt: ‘Dat klopt niet, hor, zo ben ik echt niet!’
Lieve mensen, doorzie toch uw lot. Uw doolt, u dwaalt als een verloren mens over de wereld. En u denkt dat u het allemaal zelf wel weet, en dat u uzelf wel kunt redden, maar dat gaat zo niet goed, het loopt verkeerd met u af!
 
Luister vanmorgen voor uzelf, en zie ondertussen uw gevaar, uw levensgevaar.
Als wij vanmorgen samen luisteren naar het woord van God, onze tekst, die u vinden kunt
in 1 Korinthe 5:6-8:

Uw roem is niet goed. Weet u niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur
maakt? Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn moogt, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid.

Het thema voor de preek van vanmorgen is (met een verwijzing naar vraag en antwoord 2 van Zondag 1 van onze Catechismus):
Drie stukken zijn nodig om te weten
 
En die drie stukken, zijn de drie aandachtspunten voor de preek van vanmorgen.
     1. Hoe groot mijn zonden en ellende zijn (dat staat in vers 6)
     2. Hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost wordt (dat staat in vers 7)
     3. Hoe ik Gode daarvoor dankbaar zal zijn (dat staat in vers 8).
Als eerste dus:

1. Hoe groot mijn zonden en ellende zijn

Paulus zegt in vers 6a: Uw roem is niet goed.
Zeker, dit alles wordt in de eerste plaats gezegd tegen Gods kinderen, tegen de gelovigen in de gemeente van Korinthe, maar ik trek het vanmorgen breder en betrek de les van dit Schriftgedeelte op ons allemaal.
Uw roem is niet goed. U hebt groot vertrouwen in uzelf en u vindt uzelf erg waardevol!
 
Dat sluit trouwens aan bij wat Paulus zegt in vers 2: U bent nog (steeds) opgeblazen.
Hoe groot zijn mijn zonden en ellende?
Zo groot! Dit is het!
Maar, zegt u: Wat is daar dan zo slecht en zo ellendig aan?

Nou, dat je vertrouwt op en waarde hecht aan lucht! Want opgeblazen zijn en roemen in jezelf betekent dat je vol zit met lucht!
En dat maakt dat je bent als Adam. In het paradijs wilde hij hogerop, hij wilde als God zijn. En hij blies zichzelf op. Maar, kijk in de spiegel, want u doet precies hetzelfde!

Ja, het kan zijn, dat je het allemaal heel goed weet en kan vertellen.
U zegt: Ik weet hoe de zonden en de ellende van de mens zijn!
Ja, maar de vraag is: Weet u ook hoe groot uw zonden en ellende zijn?
Anders is het allemaal lucht…

U zegt: Ik weet hoe God een mens bekeert!
Ja, maar de vraag is: Bent u zelf al bekeerd? Heeft de Heilige Geest u zelf al in uw hart   geprikt, waardoor de luchtballon van dat opgeblazen en hoogmoedige hart leeg gelopen is?
Anders is het allemaal lucht…
Is alles wat u weet en zegt geestelijke wijsheid, bevindelijke wijsheid, vanwege de ervaring van uw eigen hart? Of is het wereldse wijsheid, boekenwijsheid, wijsheid van horen zeggen, eigen wijsheid, lucht…?

Uw roem is niet goed, zegt Paulus. U vertrouwt op uzelf. U bent tevreden met en trots op uw mening en uw liefde voor de waarheid, maar (vers 6): Weet u niet, dat een weinig zuurdesem het gehele deeg zuur maakt?
Het lijkt een nieuw beeld, dat Paulus invoert, maar dat is het niet. Het gaat nog steeds over (waar het in hoofdstuk 4 ook over ging), over opgeblazen zijn.

Maar het beeld wordt eigenlijk scherper.
Want dat opblaasspeelgoed, dat blaas je op met schone lucht. Maar broodjes die (voor het bakken) rijzen van zuurdesem, die worden eigenlijk opgeblazen van de lucht van de schimmels en bacteriën van verzuurd, van bedorven deeg.
 
Want, daar moet je, jongens en meisjes, aan denken. Het gaat hier eigenlijk over het bakken van brood. Wij hebben gist om ons deeg te laten rijzen, maar vroeger gebruikte je om dat deeg te laten rijzen, een restje van het vorige deeg.
Een restje van het vorige deeg, dat ondertussen helemaal zuur geworden was, dat loste je op in lauw water en dat mengde je dan door het nieuwe deeg en dan ging dat deeg rijzen.

De kleine luchtbelletjes van dat zuurdesem drongen overal in door en zo raakte dat broodje langzaam opgeblazen. Gist en zuurdesem, dat zijn in de Bijbel beelden van de zonde.
Dat verzuurde zuurdesem is van zichzelf bedorven. En dat bederf ervan dringt (met die kleine luchtbelletjes) overal in door en maakt zo uiteindelijk dat hele deeg zuur.
Dat is het voorbeeld dat Paulus hier gebruikt.
 
Eén zondaar bederft, infecteert de hele gemeente. Zo was het met die man die leefde met zijn stiefmoeder. Het besef van de zonde vervaagt. ‘Hij doet het toch ook? Nou, dan mag ik het ook!’ En de heiligheid van de gemeente wordt er door aangetast en verzuurd.
 
Eén zonde, nu komt het dichterbij, bederft de hele mens.
Nu kan je kijken naar andere mensen, die grote en zichtbare zonden doen. Ja, dat valt ook op. Zeker, als je veel zuurdesem in het deeg doet, dan gaat het deeg heel hard rijzen.

Maar laten we ons niet vergissen. Want Paulus zegt eigenlijk: Eén zonde, van welke soort dan ook, bederft de hele mens. Eén klein stukje zuurdesem, laat het deeg ook prima rijzen. En het resultaat is hetzelfde: opgeblazen brood. Dus, of u nu een opvallende zondaar bent, die openlijk en publiek in de zonde leeft, of dat u heel netjes bent…

Ja, tenzij u helemaal geen zonden hebt. Maar wie van u heeft er geen zonden? Gaat u eens staan, steekt u uw hand eens op? Wie van u is er zonder zonde?
Al hebt u maar één of twee zonden, dan is dat als een zuurdesem uw hele bestaan doorgetrokken. En het heeft u (totaal!) bedorven (2 Korinthe 11:5)!
 
Als je dat echt tot je door laat dringen, als de Heilige Geest je daar echt aan ontdekt, dan kijk je niet meer opzij, naar iemand anders. Dan zeg je: Ik heb gedaan dat kwaad is in Uw ogen (Psalm 51:4). Mijn hart, mijn leven is totaal verzuurd en bedorven.
 
En daar zit het probleem in de gemeente van Korinthe.
Men is hoogmoedig, men denkt alles te weten, en men is tevreden en trots, omdat men
geen oog heeft voor dit: Ik ben bedorven! Als gerezen, als opgeblazen deeg dat doorzuurd is met gist, met de zuurdesem van de zonde.
 
Hoe groot zijn mijn zonden en ellende?
Zo groot, dat mijn(!) natuur verdorven is (zondag 3, 7). Zo groot, dat ik(!) totaal onbekwaam ben tot enig geestelijk goed en geneigd ben tot alle kwaad (zondag 3, 8).

Omdat ik(!) tegen de allerhoogste majesteit van God heb gezondigd (zondag 4, 11) en daarom het rechtvaardige oordeel van God verdiend heb, terwijl ik helemaal niets heb om mijn schuld te betalen en af te lossen (zondag 5, 12).
 
Hebt u al zo naar uzelf leren kijken?
‘Ja, ik lijk wel een net kerkganger, en ik voel me wel beter dan deze of gene, maar ik ben… dat is het: Ik ben verloren! Ik ben totaal verzuurd door het gif van de zonde.’
 
Nee, ik vraag u vanmorgen niet of u daar mee eens bent en of u het goed vindt dat ik dat zo zeg. Dat kan allemaal lucht zijn…
Ik vraag u: Kent u uzelf zo voor God? Uit ervaring? Bevindelijk?
 
Ons tweede aandachtspunt

2. Hoe ik van al die zonden en ellende verlost wordt

Paulus zegt in vers 7: Zuivert dan de ouden zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn moogt, gelijk u ongezuurd bent. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus
 
Wat heeft zo’n verloren mens nu nodig?
Zeker, iedereen heeft dat nodig, maar mensen die hun ellendige toestand zien, die voelen en ervaren dat ze dat nodig hebben!
 
Wat dat is, wat zij nodig hebben, wat wij allemaal nodig hebben, dat gaat Paulus verduidelijken met het beeld van het Pascha, het vroegere paasfeest.
En dat gaat Paulus toepassen op het gemeenteleven. En ook op het persoonlijke leven van de leden van de gemeente.

Hoe ging dat vroeger? Dat paasfeest?
Wel, toen de Israëlieten voor het eerst het paasfeest vierden in het land Gosen (in Egypte), toen moesten ze een paar dingen doen.

In de eerste plaats moest alle zuurdesem uit het huis weggedaan worden. Alle restjes, alle kruimeltjes oud en zuur deeg moesten weg. Dus moest het hele huis op zijn kop. Overal moest er gezocht worden: niet alleen op de tafel, maar ook eronder, ook op de vloer, achter de kast, letterlijk: overal!

En daarna moesten ze zeven dagen lang brood eten, dat zonder dat zuurdesem gebakken was (Exodus 12:15, Deuteronomium 16:4). En wie dat niet deed?
Die werd afgesneden, die werd buiten de gemeente geplaatst (Exodus 12:15).
 
Hoe word je van al je zonden en ellende verlost?
In deze weg, dat is het eerste: breken met de zonde!
Doe die zuurdesem weg! Die besmet, die infecteert je hele leven!

Zeg niet: ‘Andere mensen zijn zondaars, maar ik ben netjes’.
Dat(!) is nu juist dat zuurdesem! Dat is juist de zonde waar u mee breken moet: de zonde van hoogmoed!
Jeremia zegt: Bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg en maakt uw wegen en uw handelingen goed (Jeremia 18:11).
 
Kan je dan zo, door met de zonde te breken, de zaligheid verdienen? Nee, zeker niet.
Het middel ter ontkoming werd aangewezen door het tweede van het paasfeest: het paaslam.
Want, zo zegt Paulus in vers 7b: Ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Daar op lettend, gaan we nu eerst zingen uit Psalm 40, het vierde vers.
 
Tegenover het eerdere beeld van de zuurdesem, staat nu het tweede beeld van het paaslam.
In de nacht van de uittocht uit Egypte, werd het paaslam geslacht. Een mannetje, van één jaar oud, in de kracht van zijn leven: een volmaakt, een volkomen lam, zonder enig gebrek.

Vier dagen lang was het in huis geweest, om zeker te weten dat het geschikt was, om geslacht te worden. Daarna werd het geslacht. Zijn bloed werd opgevangen en gestreken aan de bovendorpel en aan de zijposten van de deur. Als de HEERE dat bloed zou zien, dan zou de verderfengel voorbijgaan (Exodus 12:23).

Het geslachte lam zelf werd gebraden, geroosterd, terwijl er geen been gebroken mocht worden. Daarna werd het gegeten met ongezuurde broden en bittere saus, als aandenken aan de bittere slavernij in Egypte (Exodus 12; Deuteronomium 16).
 
Het waren allemaal beelden die vooruitwezen naar het bittere lijden van het toen nog komende Godslam, Jezus Christus.
Van wie Johannes later zei: Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt (Johannes 1:9).
Het Lam Gods, dat de last van de toorn van God en de hitte van het vuur van Gods wraak zou gaan dragen, voor en in de plaats van al de Zijnen. In Zijn bittere lijden in Gethsémané en aan het kruis op Golgotha.

Als een plaatsbekledend Lam, van Wie Jesaja ooit profeteerde: Als dezelve geëist werd, toen werd Hij verdrukt; doch Hij deed Zijn mond niet open; als een lam werd Hij ter slachting geleid, en als een schaap, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzo deed Hij Zijn mond niet open (Jesaja 53:7).

Zo heeft Christus eens voor de zonden geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat hij ons, zo schrijft Petrus later, tot God zou brengen (1 Petrus 3:18).

Het zuivere Godslam, onschuldig en rechtvaardig, voor mensen die totaal bedorven waren door de zuurdesem van de zonde en de misdaden.
Hij, Christus, dat Lam Gods, is de kern van de prediking van Paulus: Jezus Christus, en die gekruisigd (1 Korinthe 2:2).
 
En wat ik nu nodig heb, om van al die zonden en ellende verlost te worden of te zijn, is dit, dat ik weten en zeggen mag ‘dit Pascha, dit Lam, deze Christus is ook voor mij geslacht.’
Kan je dat zelf pakken? Kan je dat zelf regelen? Kan je daar zelf voor kiezen?
Nee, dat kun je niet pakken, dat kan je krijgen. Uit genade.

En daarom moet de zuurdesem van de zonde eruit. Daarom moet de hoogmoed weg.
Het is God de Heilige Geest Zelf, die die hoogmoed in het hart van Gods kinderen breken gaat en ze gewillig gemaakt om te buigen.

Waarom is dat nodig?
Omdat iemand die hoogmoedig, omdat iemand die opgeblazen is, niets wil krijgen.
Die wil alleen iets verdienen. Die zegt: Ik kan het zelf wel. Ik wil het zelf doen!
 
Maar genade krijg je. Voor niets!
Genade is iets dat gegeven wordt aan mensen die de doodstraf moeten krijgen.
Genade wordt weggeschonken aan mensen die niets verdienen en die alles verzondigd hebben. En die in een weg van bukken en buigen, in een weg van berouw en droefheid, komen met smeking en geween.

Nee, daar verdienen ze helemaal niets mee. Maar het is wel de weg, waardoor God zondaars leidt en brengt aan Zijn voeten.
En wat wordt het daar een wonder. Als God de ogen van zulke verslagen harten (waar Hij Zelf in geprikt heeft, die leeg gelopen zijn van hun opgeblazenheid) Zelf gaat richten op het Lam Gods: Zie het Lam Gods.

En als zij dan, tot hun verwondering en verbazing, iets mogen zien van wat Jesaja profeteerde: Maar Hij is om onze (ja, ook om ‘mijn’) overtredingen verwond, om onze (ja, ook om ‘mijn’) ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons (ja, ook ‘mij’) de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons (ja, ook ‘mij’) genezing geworden (Jesaja 53:5). Het Lam is geslacht… voor mij.
 
Het moest geslacht worden. Zo groot was de toorn van God over mijn leven. Eer God die ongestraft liet blijven, heeft Hij ze gestraft aan Zijn lieve en eniggeboren Zoon, op het vloekhout van het kruis (formulier Heilig Avondmaal).
Het moest geslacht worden. En het is geslacht. Voor mij

Wonder van onbegrijpelijke en eenzijdige genade van God. Nu heeft God, voor mij, omdat er bij mij geen weg en geen mogelijkheid meer was, Zelf een weg gebaand.
Zelf een lam ten brandoffer voorzien (Genesis 22:8): namelijk Christus (vers 7).
Christus, de van eeuwigheid gezalfde Middelaar, die wilde gaan staan, vrijwillig, tussen een toornend God en verloren zondaars.
 
Dit alles is niet alleen bedoeld als een aansporing voor roepende zondaars, om het leven buiten henzelf in Hem, in Christus, in het Lam Gods te zoeken, maar het is ook en vooral voor Gods kinderen bedoeld (dat is eigenlijk in de eerste plaats het doel van Paulus) als aansporing om de zonden weg te doen uit het persoonlijke leven en ook uit het midden van de gemeente.

Omdat, kinderen van God, het Lam Gods geslacht is voor u en omdat u (zoals Paulus zegt in vers 7) ongezuurd bent, juist daarom moet u de zuurdesem van de zonden weg doen!
 
U bent ongezuurd. In Christus bent u, kinderen van God, geheiligd.
In Hem bent u een nieuw schepsel, het oude is voorbijgegaan en het is alles nieuw geworden (2 Korinthe 5:17). U bent, zoals Paulus later zegt in 1 Korinthe 6:11: Afgewassen, geheiligd, gerechtvaardigd, in de Naam van de Heere Jezus Christus en door de Geest van onze God.
 
U bent (om Christus’ wil en in Hem) ongezuurd. Maar toch is er ook de oproep, de vermaning: Doe de zuurdesem van de zonden weg! Deze oproep (doe de zuurdesem van de zonden weg uit uw leven en uit de gemeente!) is bedoeld als een middel waardoor de Heere verder wil werken, waardoor de Heere u, die Zijn kinderen bent, meer naar het beeld van Christus wil vernieuwen.
Waardoor Hij u geven wil, wat u in Christus al bezit.
 
En dit is het middel: Doe de zuurdesem weg!
Doe de zuurdesem weg uit de gemeente. Doe die man weg, die zo openlijk en arrogant in de zonde leeft en blijft leven. Want die zonde is besmettelijk, en dus gevaarlijk.
Doe hem weg, niet uit haat tot hem of omdat u niet begaan zou zijn met zijn lot. Maar vanwege het gevaar van de zonde! En uiteindelijk ook om zijn ziel te redden (vers 5, 13).

Doe de zuurdesem weg uit de gemeente, maar doe het ook weg ook uit uw eigen leven! Kinderen van God, wast u, reinigt u, doet de boosheid van uw handelingen van voor Gods ogen weg, laat af van kwaad te doen (Jesaja 1:16).
Want het kan niet samengaan: een leven van genade en tegelijkertijd de zonde tolereren of doen.
 
En, zo vervolgt Paulus in vers 8: Zo dan laat ons feest houden, niet in de oude zuurdesem, noch in de zuurdesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde broden der oprechtheid en der waarheid (1 Korinthe 5:8).
 
Dat brengt ons bij ons laatste, bij ons derde aandachtspunt:

3. Hoe ik Gode voor zulk een verlossing zal dankbaar zijn

Hoe? Paulus zegt door feest te houden, door het vieren van het paasfeest.
Dat begon op de eerste dag met het slachten, het roosteren en het eten van het paaslam.

Leven in dankbaarheid kan alleen als je van het paaslam gegeten hebt. Als het bloed van Christus gesprengd is op je ziel. Als Zijn vlees waarlijk spijs, echt voedsel geworden is, voor je geestelijk hongerige ziel.
Als Christus je leven, je kleding, je voedsel, je alles geworden is.
 
En dan, na die eerste dag van het paasfeest, werd er een week lang, iedere dag, ongezuurd brood gegeten.
Om terug te denken aan de slavernij van Egypte, beeld van het vroegere leven in de zonde: uit zo grote nood en dood zijn we verlost!

Om (en dan denk ik aan de tijd van nu) in stilte te overdenken en te bemediteren in het hart: nu wordt mijn ziel, mijn hongerige ziel, vanwege het bittere lijden van het Lam, gevoed met Hem, als met het Brood des levens.

Hij is mijn leven geworden, Hij die Zichzelf voor mij heeft overgegeven. En als ik daar dan zo in stilte aan denk, dan zeg ik: Wat blijdschap smaakt mijn ziel. Als ik smaak en zie, dat de Heere goed is (Psalm 26:8 ber., 34:8).

Als ik iets van Zijn nabijheid mag ervaren, dan geeft dat vreugde, vrede en verwondering in mijn ziel. Dan is er wel treuren om mijn overgebleven zonden, om de boosheid die me altijd weer aankleeft. Want dat blijft een levenslange strijd voor me. Ik blijf zeggen met de dichter (Psalm 130:3): Zo U, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan?

Maar, dan is er ook blijdschap. Paulus zegt: het is een feest!Want U hebt mijn weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rij (Psalm 30:8, ber.)
Ik zeg: ik ben een ellendig mens, maar ik zeg ook: Ik dank God, door Jezus Christus! (Romeinen 7:24,25)
Nee, het is geen werelds feest, geen feest van plezier met jezelf en met anderen.
Maar het gaat hier om een hartelijke vreugde in God (zondag 33, 90).

Een vreugde, zoals de vreugde van Jeremia, die schrijft: Als Uw woorden gevonden zijn, zo heb ik ze opgegeten, en Uw woord is mij geweest tot vreugde en tot blijdschap mijns harten; want ik ben naar Uw Naam genoemd, o HEERE, God der heirscharen! (Jeremia 15:16)

Een vreugde als de vreugde van David, die zingt: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn (Psalm 4:7).
Een blijdschap als de blijdschap van Habakuk, die ooit schreef: Zo zal ik nochtans in de HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils (Habakuk 3:18).

Ja, een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, die Petrus kende, maar waar ook al Gods kinderen iets van kennen, om Hem: Dewelke u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petrus 1:8).
 
Er is vreugde, er is blijdschap in de dienst van de Heere.
Echte blijdschap, die blijft. Een vreugde in God, omdat Hij naar ons heeft omgezien.
 
Het leven van een kind van God is (dat zegt Paulus hier) een levenslang paasfeest.
Het Lam is voor ons geslacht. En nu?
Nu mag, nu moet ik levenslang ongezuurd brood eten. Dat wil zeggen: de zuurdesem van de zonde mag er niet meer zijn, dat moet ik voor eens en altijd weg doen en weg blijven doen.
 
Zeker, er is en blijft reden om te klagen over mijn eigen onvermogen. Want de boosheid kleeft me altijd aan. En ik weet dat het alleen kan in de kracht van Christus.
Maar het is, zoals het hier staat, ook opdracht, zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Filippi:

Alzo dan, mijn geliefden, gelijk u te allen tijd gehoorzaam geweest bent, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven: want het is God, Die in u werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen (Filippenzen 2:12-13).
 
Breek met de zonde van kwaadheid en boosheid (vers 8).
Breek met vijandschap, met onvriendelijkheid, met elkaar haten, met de verkeerde wil en met het doen van het verkeerde. En word oprecht! Spreek en doe de waarheid!
Breek met hoogmoed en wandel ootmoedig met God.
 
Want u bent uit het Egypte van de zonde gehaald, en nu bent u op weg naar Kanaän.
Dat wil zeggen: Leef niet meer voor nu! Maar richt uw ogen op de komende dag van de eeuwigheid en op de hemel hierboven.

En bid en smeek om het werk van de Heilige Geest, om de zonde in u te onderwerpen, tegen te gaan en uit te bannen. Opdat het niet als onkruid toch weer hier of daar zal opschieten.
Want dat zou en uw eigen leven schaden, maar ook tot grote verontreiniging zijn (want daar gaat het hier vooral over!) van de hele gemeente.
 
Het doet denken aan wat er staat in Hebreeën 12: Toeziende, dat niet iemand verachtere van de genade Gods; dat niet enige wortel der bitterheid, opwaarts spruitende, beroerte make en door dezelve velen verontreinigd worden (Hebreeën 12:15). Want een weinig zuurdesem verzuurt het hele deeg (Galaten 6: 9)
 
Eén zonde in uw leven, kinderen van God, die u aan de hand houdt, kan u in grote donkerheid en vertwijfeling brengen. Het is tot oneer van God en tot schade van de gemeente.
Eén zondaar in de gemeente, die openlijk in de zonde leeft en zich niet wil en laat corrigeren, die kan als een zuurdesem de hele gemeente besmetten.
En er is niets dat God meer haat dan de zonde!
 
De Heere geve ons bij het licht van Zijn Woord en bij de kandelaar van Zijn Heilige Geest onze zonden te zien, eerlijk onder ogen te zien en weg te doen.
Want we zijn, kinderen van God, geroepen om ons leven, ons hele leven, levenslang op te offeren als een levend dankoffer voor de Heere (Romeinen 12:1-2; zondag 32, 86).

Opdat u, kinderen van God (en daarmee ook de gemeente zelf) gebouwd worde, als een geestelijk huis tot eer van God en van Christus (1 Petrus 2:5).
Zuivert dan de oude zuurdesem uit, opdat u een nieuw deeg zijn moogt, gelijk u ongezuurd bent.
 
Amen