Roos van Saron, Lelie der dalen – Hooglied 2 – voorbereiding

Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen

Preek Hooglied 2:1-7: Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.

LEESPREEK


Lees preek: Roos van Saron, Lelie der dalen

Gemeente, als we denken aan de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal, bij leven en welzijn volgende week zondag, dan denken we in gedachten aan de woorden van de verhoogde Christus, opgeschreven door de apostel Johannes op het eiland Patmos, zoals die staan in Openbaring 3:20: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop; indien iemand Mijn stem zal horen, en de deur opendoen, Ik zal tot hem inkomen, en Ik zal met hem avondmaal houden, en hij met Mij (Openbaring 3:20).
De opperste Wijsheid richt haar tafel aan (Spreuken 9:2). Christus Zelf nodigt Zijn kinderen tot de overvloed van Zijn liefde en genade.

We gaan dat in de voorbereidingspreek van vanmorgen zien, als we samen met elkaar een gedeelte overdenken van het voorgelezen hoofdstuk, Hooglied 2. De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Hooglied 2, daarvan de verzen 1 tot en met 7. Ik lees u samenvattend de verzen 3 en 4 nog een keer voor:
Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.

We gaan onze tekstwoorden uit Hooglied 2:1-7 één-voor-één, vers voor vers met elkaar overdenken. Woorden die gaan over de:
Hartelijke en wederzijdse verbondenheid tussen Christus en Zijn Kerk

We zien in de eerste plaats in vers 1:

Hoe Christus Zichzelf aanprijst aan Zijn bruid.

Als hij zegt: Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.
Hij, Christus, is in het heelal de blinkende Morgenster, de Zon der gerechtigheid (Mal. 4:2; Openb. 22:16).
Hij is onder de dieren de Leeuw uit de stam van Juda (Openbaring 5:5).
Hij is onder de bloemen een Roos.

En dan moeten we, gemeente, niet denken aan de rozen zoals wij die hebben, maar aan een prachtige, karmozijnrode anemoon, een heerlijk ruikende narcis of weidesaffraan of aan een van de andere prachtige bloemen die groeiden op de vlakte van Saron, iets ten zuiden van het Karmelgebergte, op die vruchtbare vlakte grenzend aan de Middellandse Zee. Daar, op die vlakte van Saron, groeiden en bloeiden de mooiste, zeldzaamste en heerlijkste bloemen uitbundig.
En nu zegt de Bruidegom, nu zegt Christus, tegen Zijn bruid: Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen. Ik ben een bloem vol van zuiverheid, schoonheid en pracht.

Het is een beeldende vergelijking die ons tenminste drie dingen aanwijst. De vergelijking van de Bruidegom met een roos van Saron en een lelie der dalen, wijst in de eerste plaats op

a. De ongeëvenaarde schoonheid, begeerlijkheid en aantrekkelijkheid van Christus.
Hij is vol van majesteit, indrukwekkend schoon, mooi, prachtig als een roos, als een lelie.
Hij is vol barmhartigheid, zacht en teer als de bloemblaadjes van een roos en lelie zijn.
Hij is zuiver, zonder smet of rimpel. Zoals de apostel Petrus schrijft: een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:19), een Hogepriester, heilig, onnozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden (Hebreeën 7:26).
Hij is oneindig hoog. Maar deze uitdrukking wijst in de tweede plaats ook op:

b. De ongekend nederigheid en het diepe buigen van Christus
Zo diep heeft Hij gebogen en buigt Hij, dat Hij, als de hoge, eeuwige God, Zichzelf wil vergelijken met een roos, met een lelie die groeit in de dalen.
Als de zon zich zou vergelijken met een led-lampje, dat zou zeldzaam zijn.
Maar dat de eeuwige God, voor Wie de engelen hun gezichten bedekken (Jesaja 6:2), Zich vergelijkt met een roos, ja, dieper, met een lelie der dalen, met een lelie uit de diepten, dat is onbegrijpelijk.

Hier toont Christus Zich aan Zijn bruid, aan Zijn kerk, aan Zijn kinderen, in ongekende schoonheid, vol van majesteit en heerlijkheid, zuiver, heilig, oneindig hoog, en… diep gebogen. Want Hij nam onze menselijke natuur aan, Hij werd geboren in diepe nederigheid. Hij heeft onder ons gewoond (Johannes 1:14) als een Lelie der dalen. Hij heeft Zich diep vernederd. Hij verliet de glorie van de hemel en kwam naar de aarde om door een weg van nameloos diepe vernedering verloren mensen op te zoeken en terug te brengen tot God (Filippenzen 2:6-8).

Hier zien we Christus zowel in Zijn oneindige hoogheid, als in Zijn diepe vernedering.
Niemand van ons zal ooit in staat zijn om de diepte te peilen van onze diepe val in Adam. Maar niemand van ons zal ook ooit in staat zijn om te zeggen en te doorgronden hoe diep Christus gebogen heeft in Zijn diepe vernedering.

Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen. Het wijst op de hoogheid en de heerlijkheid van Christus. Het wijst op Zijn vrijwillige en diepe vernedering. Maar het wijst in de derde plaats ook op

c. De vrije en onbeperkte toegang die er is tot Hem
Deze bloemen, rozen en lelies, bloeiden uitbundig in het open veld. Ze mochten aangeraakt, gepakt, geroken, gestreeld, ja, geplukt worden.
Ze stonden niet in een privétuin, ze stonden niet achter glas, ze stonden niet opgesloten in botanische tuinen waarvoor een toegangsprijs werd gevraagd. Zo ook Christus, Hij was en is vrij toegankelijk.

Onbekeerde vrienden onder ons, is dit niet een teken en bewijs van uw diepe ellende?
Dat u nog nooit iets hebt gezien van de heerlijkheid en de aantrekkelijkheid van deze Christus, Die zo hoog was en zo diep wilde buigen, terwijl er een vrije toegang tot Hem is? Is het geen teken en bewijs van uw slechtheid en vijandschap, nu u de vrije toegang tot Hem hebt, dat u tot nu toe nog nooit tot Hem gegaan bent?

Kinderen van God, hier is uw Gastheer, die volgende week de tafel voor u zal aanrichten (Psalm 23:5). Hij prijst Zichzelf aan: Ik ben een Roos van Saron, een Lelie der dalen.
Maar Hij zegt ook iets over u, kind van God, want we zien in de tweede plaats in vers 2:

Hoe Christus Zijn kerk, Zijn bruid ziet.

Gelijk een lelie onder de doornen, alzo is Mijn vriendin onder de dochteren.
Ik ben een Lelie: zuiver, rein, onbesmet.
U, mijn kind, bent (door Mij!) als een lelie. U weerspiegelt iets van Mijn beeld. Uw leven laat iets zien van Mijn werk in uw hart. Want, als Ik op u neerzie, dan zie Ik u als een lelie onder de doornen.
Gemeente, het is niet de avondmaalgang die straks een scheidslijn door de gemeente trekt.

Want misschien zitten er wel kinderen van God (dat is niet goed, maar toch) in de bank, en anderen gaan aan zonder Goddelijke recht. Dit trekt de grote scheidslijn door het midden van de gemeente: ziet Christus u en mij als een lelie, of als een doorn?
Bent u als een lelie onder de doornen? Of zit u als een doorn naast een van de lelies?

Als een doorn. Een beeld dat wijst op onzer aller herkomst. We waren in het paradijs als lelies, maar we werden om eigen schuld doornen. Van die harde, prikkende, pijn doende prikkels, doorns.
Zoals Micha die beschrijft, als hij zegt: De beste van hen is als een doorn; de oprechtste is scherper dan een doornheg (Micha 7:4a).
Hoe u ook leeft, wat u ook allemaal zegt, daar gaat het niet in de eerste plaats om. Want er zijn ook mooie, zelfs bloeiende doornstruiken. Maar toch, het zijn en blijven doornstruiken.

De grote vraag is: is mijn aard, is mijn kern, is mijn hart veranderd?
Nee, er is nog nooit een doorn vanzelf veranderd in een lelie. Dat is Gods werk, dat is het werk van wedergeboorte door de Heilige Geest. Waardoor ik zeggen mag: ‘Ik was een doorn, maar de Heere maakte me… Nee, dat durft u zo niet te zeggen. Zo zeg ik het niet. Zo kan je ook niet aan het Heilig Avondmaal: ‘kijk eens, wat een mooi lelietje ik ben…’

Het is Christus Zelf, en Hij alleen zegt van Zijn kinderen: ‘u bent als een lelie onder de doornen.’
Midden in die prikkende, pijn doende, verwondende omgeving heb Ik u geplant. Dat was Mijn werk, het werk van Mijn handen. Ik heb u geplant.
Als een lelie…, is Mijn vriendin onder de dochters van de wereld.

Als een lelie onder de doornen.
Dat zegt iets over het lijden van Gods kinderen in deze wereld. De doorns om hen heen prikken en verwonden hen. Lijden en beproeving is voor Gods kinderen geen zaak van blijdschap, maar wel vaak van zegen. Sterker nog: het is een gift van Christus, want Paulus schrijft in Filippenzen 1: Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden (Filippenzen 1:29).

Het lijden is bedoeld om de zonden uit ons leven uit te bannen, om ons te heiligen, om ons aan Christus gelijkvormig te maken (Filippenzen 3:10), om ons te leren Zijn voetstappen te drukken en om ons klaar te maken voor de hemel.

De uitdrukking als een lelie onder de doornen zegt iets over het lijden van Gods kinderen, maar het zegt ook iets over hoe Christus Zijn bruid waardeert. U voelt in die uitdrukking iets van Zijn liefde voor, van Zijn zorg voor en van Zijn blijdschap met Zijn kinderen, als Hij naar hen kijkt, als naar een lelie…
Bent u een doorn? Of bent u als een lelie?

U zegt: ‘waaraan kan ik dat zien en weten?’
Hieraan: iemand die een doorn is, is in de eerste plaats zoals hij of zij altijd geweest is. We zijn immers allemaal van nature geboren als doornen. Als ik nog een doorn ben, dan is er nog nooit een tijd in mijn leven gekomen, dat alles anders geworden is vanbinnen.

Mijn hart ging schreien van droefheid naar God. De zonde werd me tot een last. De dienst van de Heere werd me een lust, niet alleen op zondag, maar ook doordeweeks. Ik ging de Heere zoeken. Het Woord werd in mijn mond, hoewel ik alles miste en mis, zoeter dan honing (Psalm 119:84, ber.). Ik ging in het verborgen mijn knieën buigen. De roep werd in mijn hart geboren: o God, wees mij zondaar genadig.
Nee, een doorn weet er allemaal niets van. Die bleef onveranderd van hart.

Doornen zijn in de tweede plaats (ik zei het al) hard en ze steken. Hard van hart. Ongevoelig voor het Woord. Nee, doornen verdragen heus wel een opbeurend woord of een mooie beschrijving van hoe het leven van Gods kinderen is, of van hoe de Heere werkt in het hart van Zijn kinderen.

Maar doornen steken, steken hard en scherp, als het Woord hen wil raken. Dan prikken ze dat Woord lek, met hun tegenargumenten, met hun excuses. Als het Woord hen raakt en veroordeelt, dan steken ze terug. Terwijl Gods oprechte kinderen zeggen: ‘Ja, Heere, zegt U het maar eerlijk. Doorgrond mijn hart en zie of bij mij een schadelijke weg is en leidt mij op de eeuwige weg’ (Psalm 139:23-24).

Doornen, in de derde plaats, verstikken het Woord. Het zijn mensen die zo bezig zijn met de zorgvuldigheden van het leven, met de begeerten van hun hart, dat ze wel goed kunnen luisteren naar en genieten van een mooie preek, ze keuren hem ook goed (of soms af), maar daarna gaan ze door, daarna gaan ze verder met hun eigen ding. Doornen gaan door. En dus wordt het Woord verstikt (Markus 4:18-19).

Doornen, in de vierde plaats, hoe je daar ook aan probeert te trekken, ze zijn stug en onbeweeglijk. Hoe de Heere ook trekt aan uw hart, het komt niet in beweging. U zegt: ‘dat kan ik niet helpen, zo ben ik nu eenmaal’. Ik zeg: het is de hardheid van uw zondige en onbekeerlijke hart.

Doornen, in de vijfde plaats groeien en tieren welig. De Heere zegt tegen Zijn kinderen: ‘Ik zie u als een lelie naast een doorntje?’ Nee, de Heere zegt: ‘Ik zie u als een lelie in het midden van de doornen’. Die doornen die groeien hard, die overwoekeren de grond. En ze zijn ook veel groter en veel opvallender dan die kleine bloemetjes.
Het grote, het opvallende, het in het oog springende, het snelgroeiende is niet altijd (misschien wel meestal niet) het echte, het oprechte.

Gods kinderen daarentegen zijn als een lelie in Gods oog. Als een lelie, geplant door God Zelf. Door God, die de wortel van de doornenstruik in hun hart brak, en Zijn genade in stilte plantte in hun binnenste. Het zijn mensen die iets weten van de droefheid over hun zonden, van de droefheid naar God, tegen Wie ze gezondigd hebben (2 Korinthe 7:10).

Het zijn mensen die iets weten van het stille zuchten om ‘mijn zonden, die Uwe hoogheid schonden’. Het zijn mensen, die met de nood van hun leven tot God vluchten: ‘Ik kom, Heere, in angst tot U gevloden, ai, haast U tot mijn hulp en red’. Het zijn mensen die door Gods genade komen met smeken en geween. Het zijn mensen die in hun ervaring door eigen schuld overal buiten staan, maar zonder de Heere niet meer verder kunnen.

Als een lelie, kwetsbaar en broos. Want hoe snel worden die tere plantjes, die zo onopvallend groeien tussen de doornen, vertrapt. Hun steeltjes knakken gemakkelijk, hun blaadjes zijn zo gemakkelijk geneigd tot verwelken, hun bloemblaadjes kunnen afbreken, en vertonen al snel lelijke plekken.
Dat is de reden dat de Heere niet zegt: ‘u bent een lelie, zo volmaakt als dat Ik ben’.
Nee, u bent als een lelie. Er is in u maar een klein beginsel, u lijkt (en dat is door Mij en door Mijn genade) een heel klein beetje op een klein lelietje.
Maar het blijft alles klein, teer, kwetsbaar, gebroken en vaak besmeurd (zondag 44, HC).

Doornen zien geen vlekken, doornen breken nooit. Het zijn de bloemen die treuren om hun zonden. Hun harten zijn vaak gebroken.
En dus durven doornen gemakkelijk naar het Heilig Avondmaal te lopen. Maar de lelies worstelen zo vaak in hun hart, in de bank waar ze zitten. Maar hoor, tot uw troost, het woord van Christus: ‘u (nee niet die doornen, maar u: gekrookt riet, rokende vlaswiek, verwelkt en geknakt lelietje), u bent dierbaar in Mijn oog’.
U zegt wel, terecht, dat u zwart bent (Hooglied 1:5), maar Christus zegt: ‘Ja, maar door Mij en Mijn genade, bent u desondanks in Mijn oog als een lelie’.

Bent u een doorn? Of bent u als een lelie?
Dat kunt u weten. Aan? Ook hieraan, of u iets kent van wat nu volgt. Want nu komt de bruid zelf aan het woord. We zien in de derde plaats vers 3:

Hoe de bruid de hoogheid van de Bruidegom prijst en aanbeveelt.

Als zij zegt: Als een appelboom onder de bomen des wouds, zo is mijn Liefste onder de zonen; ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit er onder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.

Hoe weet u of u aan het Heilig Avondmaal mag aangaan? Als u hier iets van kent.
‘Christus is mijn Liefste onder de zonen’. Onder alles en iedereen van deze wereld is Hij mijn Liefste. Voor niets en niemand zou ik Hem willen ruilen of missen.
Hij staat werkelijk alleen. Hij is met niemand te vergelijken. Als een appelboom midden onder al de andere bomen van het woud. Als een appelboom onder de cederbomen, onder de eikenbomen. Een boom die heel anders is: een appelboom. Een grote, opvallende vruchtboom, enig in zijn soort.

Zo is Christus God boven allen te prijzen in der eeuwigheid (Romeinen 9:5). Zijn bloesem is als de bloesem van een appelboom: prachtig, geliefd vanwege zijn frisse kleur en geur. Zo is Christus: Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hooglied 5:16).
Is Christus voor u meer waard, is Hij voor u kostbaarder, hebt u Hem meer lief dan al het andere van deze wereld?

Maar, de bruid gaat verder. Het blijft bij haar niet alleen een zaak van waardering en hoge achting, het is voor haar ook een zaak van persoonlijke ervaring of bevinding.
Want het is niet genoeg, dat wij allerlei mooie dingen zeggen over Christus, of met woorden roemen in Jezus, het gaat erom of wij Hem persoonlijk, uit ervaring, door ontmoeting, bevindelijk kennen in ons hart.
De bruid zich namelijk nog iets: Ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit eronder, en Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.

Die appelboom met zijn bladeren biedt als eerste schaduw tegen de hitte van de zon.
Maar, ik zei het al, het is meer dan een redenering of vaststelling, het is de ervaring, het de bevinding van de bruid: ‘ik zit eronder, en ik heb grote lust, ik heb heel veel vreugde en blijdschap, in Zijn schaduw’. Ik heb grote lust in Zijn schaduw, en zit eronder.

Wat dat betekent? En gebruik dat, gemeente, in deze week van voorbereiding, als een spiegel voor uw ziel:
a. Dat betekent in de eerste plaats dat ik het grote gevaar heb leren kennen van het zijn buiten(!) die schaduw.
Daarbuiten is de hitte van Gods toorn tegen mijn zonde en schuld. Daarbuiten zijn de aanvallen van de satan, beproevingen en aanvechtingen.
Hebt u ooit persoonlijk iets geloofd en ervaren van die hitte van de toorn van de Heere tegen uw zonden? Als dat niet zo is, dan kent u ook niet het verkoelende van Zijn schaduw. Want het is de hitte die ons mensen naar de schaduw drijft, het is de brandende zon die ons naar de koelte drijft.

Zonder enige kennis van Gods grote ongenoegen, van de hitte van Zijn toorn over mijn zonde en schuld, zonder enige kennis van dat ik naar Gods rechtvaardig oordeel de dood verdiend heb (omdat God wil dat aan Zijn recht genoeg gedaan zou worden; zondag 5 HC), zonder dat ken ik ook niets van de verkoelende schaduw van Christus.
Ik heb groten lust in Zijn schaduw, en zit eronder.

b. Dat betekent in de tweede plaats, dat ik geen enkele rust of vrede kon vinden buiten die schaduw.
Misschien heb ik wel elders schaduw gezocht, misschien heb ik wel elders verlichting en verkoeling gezocht in mijn werken, in de verbetering van mijn leven, misschien wel in het vrijmoedig getuigen met mijn mond over Jezus, maar die schaduw was als die van de wonderboom van Jona. In de hitte van de zon verdorden zijn bladeren (Jona 4:7-8).

c. Het betekent in de derde plaats dat ik juist toen iets heb leren kennen van de uitnemendheid van de schaduw van Christus, van wie Jesaja profeteerde in Jesaja 32: En die Man zal zijn als een verberging tegen de wind, en een schuilplaats tegen de vloed, als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land (Jesaja 32:2).

d. Het betekent in de vierde plaats dat ik daar innig naar verlang, dat ik me diep bewust ben van de noodzaak van Zijn schaduw, van de schaduw van de bladeren van de boom des levens, van de schaduw van Christus. Die alleen kan mij beschermen tegen de hitte van de toorn van God.

Wie komen tot deze Schaduw, tot deze enige Vruchtboom onder de bomen van het woud?
Het zijn zij, die vluchten en gevlucht zijn voor de hitte van Gods toorn. Denk maar aan Psalm 141: Ik kom, Heere, in angst tot U gevloden (Psalm 141:1, ber.). Het zijn zij, die vermoeid en belast zijn, moe van het klagen (Psalm 38:6, ber.), het zijn zij die rust zoeken in Hem.

Is hij uw hartenwens? Een verberging tegen de wind, een schuilplaats tegen de vloed?
Als waterbeken in een dorre plaats, als de schaduw van een zware rotssteen in een dorstig land?
Zalig zijn zij, die hongeren en dorsten naar Hem en Zijn gerechtigheid. Zij zullen vernachten onder de schaduw van Zijn vleugels (Ruth 3:9).

Gemeente, Christus is liefelijk in het oog van het geloof. Als we denken aan hoe Hij onze zaak behartigd heeft, onze natuur heeft aangenomen, geleden heeft, bloedend gestorven is aan het kruis, als we denken aan hoe Hij is opgestaan en naar de hemel is gegaan, en daar zit en staat als een Voorbidder en Pleitbezorger voor onze zaak. Als we daar iets van mogen zien, dan is Christus liefelijk in het oog van het geloof.
Maar het geloof is niet alleen een zaak van geloven met het verstand. Het is vooral ook een zaak van geloven en weten uit ervaring: door persoonlijke ontmoeting.

Ik weet niet alleen van Zijn verkoelende schaduw, maar sterker de bruid zegt: Ik heb grote lust in zijn schaduw, en zit er onder, en zijn vrucht is mijn gehemelte zoet. Dat wil zeggen: bij U schuil ik, tegen de hitte! U bent de schuilplaats, waar mijn hart toevlucht vindt in zielesmart (Psalm 71:2, ber.).

En (dat is het tweede wat de appelboom geeft) zijn vrucht, de vrucht van die appelboom, is zoet in mijn mond. De gelovigen eten van de vruchten van Christus, van de woorden uit Zijn mond, van de genade uit Zijn hand.
Zoals de dichter zingt in Psalm 119: Hoe zoet zijn Uw redenen (Uw woorden) mijn gehemelte geweest, meer dan honing mijn mond (119:103).

En de dichter van Psalm 94 zegt: Uw vertroostingen hebben mijn ziel verkwikt (94:19).
Later schrijft apostel Petrus: u hebt gesmaakt dat de Heere goedertieren is (1 Petrus 2:3).
En dat gaf in uw mond en hart een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petrus 1:8).
Gemeente, onderzoek uw eigen hart en leven.
Hebt u ooit begeerte gekregen tot de schaduw van Christus? Hebt u ooit de absolute noodzaak ervan gezien, om de verzengende hitte van de toorn van God te ontgaan? Hebt u ooit gezien, dat er geen andere weg is en was om die toorn te ontgaan, terwijl u ondertussen door uw eigen schuld overal buiten stond? Hebt u nergens buiten Hem rust gevonden?

En, hebt u ooit iets ervaren van het verkoelende van Zijn schaduw, toen Hijzelf u een plaats gaf onder Zijn vleugels? Hebt u ooit met uw mond en hart iets geproefd van de vruchten van Zijn werk? Van genade, van vergeving, verzoening van schuld, van vernieuwing van uw leven? Waardoor u geen doorn meer bent, maar geworden bent (als vrucht van Zijn genade!) als een lelie in Zijn oog?

Of, weet u eigenlijk van geen hitte? Of, weet u eigenlijk van geen schaduw?
Wilt u, als dat zo is, dan volgende week niet thuisblijven bij de bediening van het Heilig Avondmaal? Maar wilt u dan wel in uw bank blijven zitten? Terwijl u ernstig bidt en vraagt om alles wat u mist?

We zien in de vierde plaats in vers 4:

Een beschrijving van het werk van Christus in het hart van Zijn bruid.

Als er staat: Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is Zijn banier over mij.
Hij(!) voert mij, Hij brengt mij.
Alle roem is uitgesloten! Niemand kan zichzelf brengen in de intieme verbondenheid met Christus, in de gemeenschap met Hem. Hij brengt mij. En dat roept in deze week van voorbereiding om de bede uit hoofdstuk 1:4: Trekt U mij, dan zullen wij U nalopen!

Wij nodigen onszelf niet. En wij zijn de nodiging ook niet waard.
Hier ziet u iets van het totale onvermogen van de gelovigen om zichzelf bij Christus te brengen. En dus ook van hun totale onvermogen zichzelf aan het Heilig Avondmaal te brengen. Immers Hij is daar, aan Zijn tafel.
Aangaan aan de tafel is niet het resultaat van een verstandelijke beslissing: ik heb dit, ik heb dat, en nu heb ik Jezus, en nu ga ik… Bedrieg uzelf niet, gemeente.
De bruid zegt: Hij voert mij. Hij brengt mij.

Terwijl Zijn banier over mij is.
Daar zit iets in van bedekken, van overdekken. Terwijl Zijn liefde mij (arm, verloren, rechteloos, onwaardig mens) overdekt, mij bedekt, mij omwikkelt. Terwijl Hij ook Zijn banier, de banier van Zijn overwinning, van Zijn overwinning over mijn ziel, over mij uitrolt, voert Hij mij.
O, bid toch rusteloos en met grote ernst, kinderen van God, u die al jaren in uw bank blijft zitten, u durft niet, u weet niet hoe het moet…, bid om wat hier staat: Hij voert mij.
Hij heeft mij gevoerd uit modderig slijk. Maar nu leidt Hij mij ook verder op de weg des levens. Nu voert Hij mij in het wijnhuis, om Zijn uitnemende liefde te vermelden.

Uw verlangen vindt u verwoord in vers 5. Het is een vers van verlangen, en ook van vervulling. Als Hij het doet, als Hij mij brengt, niet in Zijn wijngaard, niet in Zijn wijnkelder, maar veel dichterbij, in Zijn paleis, aan Zijn tafel, dan…

We zien we in de vijfde plaats in vers 5:

De uitroep van de bruid vanuit de volheid van haar liefde tot de Bruidegom.

Ondersteunt gijlieden mij met de flessen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.
Ik ben er ziek van. Geef me toch tot versterking flessen, of (zo kan het ook gelezen worden in de grondtaal: koekjes van geperste rozijnen) en appels. Geef me toch van de vruchten van Uw werk, van Uw genade en van Uw zegen.

Totaal in beslag genomen (o, de Heere geve ons dat volgende week zondag, en ook in deze week van voorbereiding), totaal in beslag genomen door Zijn liefde, overweldigd door Zijn schoonheid en heerlijkheid, door het ervaren van Zijn nabijheid, zegt de bruid: ‘Laat het minder zijn? Neem het toch van de weg?’
Nee! Ze zegt: ‘Versterk me, ondersteun me toch. Deze mijn ‘ziekte’ kan alleen genezen door nog meer liefde en genade en zegen’.
En dan? Wat blijkt dan?

We zien in de zesde plaats in vers 6:

De tere liefde en zorg in wat de Bruidegom dan doet.

Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd, en Zijn rechterhand omhelze mij.
Mijn handen omhelzen Hem? Nee, de liefde komt van de andere kant!
Dit voelt als enkel verbazing, als enkel verwondering, vol van ootmoed en vernedering. Het is alsof de bruid haar hoofd laat wegzakken in de armen van de Bruidegom: Zijn linkerhand zij onder mijn hoofd en Zijn rechterhand omhelze mij.

‘Waarom Heere, zoveel liefde voor mij? Voor mij!?’ Wat een onbegrijpelijke, eenzijdige liefde van U. Dit is vrije gunst, die eeuwig U bewoog. Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen!
Hij omhelst mij. Zo is Hij. Hij geeft de moeden kracht (Jesaja 40:29). Hij breekt het gekrookte riet niet, hij blust de rokende vlaswiek niet uit (Jesaja 42:3).
Maar Hij omhelst het vermoeide, het tot Hem vluchtende, en zegt: Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste! zie, Ik zal uw stenen gans sierlijk leggen, en Ik zal u op saffieren grondvesten (Jesaja 54:11).
Ik zal u ondersteunen, Ik zal u omhelzen. Wat een tere liefde van Christus voor al de Zijnen.

Hebt u ooit heerlijkheid en schoonheid leren zien in Christus? Gaat uw hart naar Hem uit? Naar Zijn schaduw, naar de vruchten van Zijn werk? Is Hij alles voor u geworden?
Sta dan toch naar meer voortgang op de weg. Sta dan naar meer kennis van Hem, naar meer ontmoeting met Hem.
Naar dit: ik zit onder Zijn schaduw, Zijn vrucht is mijn gehemelte zoet.

Als dat, door Gods genade werkelijk zo mag zijn: sta dan naar meer voortgang op de weg, naar meer kennis van Hem, naar meer en nadere ontmoeting met Hem.
Naar dit: Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond (Hooglied 1:2), Hij brengt mij in Zijn paleis en Hij omhelst mij.
Laat dat ons hartelijke verlangen zijn, kinderen van God, in deze week van voorbereiding.

En als de Heere ons daar iets van laat ervaren, laten we dan waakzaam zijn. Want juist dan dreigen er gevaren.
Zeker, de Heere kan Zelf in Zijn vrijheid Zich voor een tijd van ons terugtrekken, tot ons nut. Maar vaak is het zo dat de nabijheid van de Heere verbroken wordt door ons, door onze zonden, door onze liefde tot de wereld, tot een andere liefste, dan deze enige Liefste.

We zien in de zevende plaats in vers 7 dan ook: de vrees van de bruid om die gemeenschap met Christus te moeten missen.
Als zij zegt: Ik bezweer u, gij, dochteren van Jeruzalem! die bij de reeën, of bij de hinden des velds zijt, dat gij die liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het dezelve luste!
Laat niets, zo onverwacht en schrikachtig als gazellen en herten gestoord in hun rust kunnen opspringen. Laat niets die liefde (terwijl ik slaap in de armen van de Bruidegom) verstoren, waardoor Hij zou vertrekken.

De tere gemeenschap met Christus kan zo gemakkelijk verstoord worden.
Wie de liefde van Christus niet kent, is daar niet bang voor.
Maar zij die Zijn liefde het beste kennen, zijn het meest beducht, dat zij door hun eigen schuld de ervaring van die liefde weer zouden moeten gaan missen.
Daarom schrijft de apostel Judas: Bewaart uzelven in de liefde Gods (Judas 1:21).
We moeten, kinderen van God, biddend ons hart bewaren (Spreuken 3:23), de duivel weerstaan (Jakobus 4:7), de zonde doden en de hemel zoeken (Kolossenzen 3:1-5).

Tot slot, gemeente, ook als u nog een doorn bent, als u nog niet als een lelie gemaakt bent, ook dan moet u uzelf onderzoeken.
En als de uitkomst van dat zelfonderzoek is, dat u geen Goddelijk recht hebt om aan te gaan, nogmaals, wilt u dan volgende week niet thuisblijven?

De Heere geve ons een gezegende week, een gezegende avondmaalszondag, een dienst waarin Hij Zelf (het is Zijn werk!) Zijn kinderen aan Zijn tafel brengt, om ons daar in liefde te omhelzen.
Dan zullen we uitroepen met hart en mond:
Uw uitnemende liefde is beter dan wijn (Hooglied 1:2).

Amen.