Trek mij · Hooglied 1 · voorbereiding

Trek mij, wij zullen U nalopen
Preek Hooglied 1:1-4: Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Uw olien zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Trek mij, wij zullen U nalopen!

PDF · AUDIO

YouTube player

Thema preek Hooglied 1: trek mij, wij zullen U nalopen

  1. Verlangen van bruid
  2. Gebed van bruid
  3. Blijdschap van bruid

Preek Hooglied 1: Trek mij, wij zullen U nalopen

Het Hooglied, hetwelk van Salomo is. Zo begint het eerste vers van dit Bijbelboek. Het Hooglied, het lied der liederen. Geschreven door koning Salomo.
Wat is dat eigenlijk voor een lied, het Hooglied? Dat is een goede vraag om te stellen aan het begin van de behandeling van het Schriftgedeelte dat we met elkaar gaan overdenken. Want de meningen daarover verschillen nogal.
Sommigen zeggen: het Hooglied, dat is een liefdeslied van of voor een jong bruidspaar. Het bezingt de intieme liefde tussen man en vrouw, het mooie van huwelijk en seksualiteit.
Anderen zeggen: nee, dit lied gaat eigenlijk over Salomo en zijn bruid. Het is een historisch lied, dat zeker ook een andere betekenis heeft: het wijst naar het huwelijk van Christus en Zijn bruid.
Weer anderen zeggen: nee, dit lied gaat in de eerste plaats over de liefde van Christus tot Zijn bruid, Zijn volk, Zijn kerk. Dus niet een lied in de eerste plaats over het huwelijk en de liefde van Salomo, maar over de liefde van Christus tot Zijn bruid, en over haar liefde tot Hem. En bij dat alles wordt gebruik gemaakt van en verwezen naar de schoonheid van de liefde tussen man en vrouw. Hoewel het aardse huwelijk maar een schaduw is van het hemelse huwelijk.

Ik kies voor de laatste optie. Dit lied bezingt in al zijn schoonheid de liefde van Christus tot Zijn kerk. Dit lied bezingt de liefde van Christus tot Zijn bruid, en de wederkerige liefde (de teruggaande liefde) van haar tot Hem. Het is een lied tot troost van Zijn bruidskerk. En een lied om onbekeerden aan te sporen om Hem ook te zoeken en te volgen.

Ik ga geen uitgebreid exposé geven van argumenten, maar ik waardeer het dat u kritisch meedenkt, en wil dus toch wel een paar argumenten noemen in het voordeel van de door mij gemaakte keuze. Ik zal drie argumenten noemen.

  1. De inhoud van dit lied is heel anders dan van een gewoon liefdeslied. Je bruidegom aanprijzen aan andere vrouwen? Anderen aanmoedigen hem lief te hebben en hem te volgen? ‘s Nachts je geliefde aan de deur laten staan, totdat hij weggaat? Dat is niet de gewone inhoud van een gewoon liefdeslied.
  2. En, in de tweede plaats, vooral ook dit: Welke man ook een aards liefdeslied dicht of componeert, hij bezingt natuurlijk alleen maar de liefde, de schoonheid en de aantrekkelijkheid van zijn bruid! En daarbij bezingt hij hooguit iets van zijn eigen tekort en verlangen. Maar in dit lied is het werkelijk andersom. Hierin zingt de Bruidegom, de hemelse Bruidegom van Zijn Eigen volmaaktheid en van Zijn Eigen zuivere liefde tot Zijn bruid. Terwijl Hij haar haar gebrek laat noemen. Hoewel Zijn liefde die bedekt.
    Wie zou ooit zo zingen van de volmaaktheid van zichzelf en van het gebrek van de ander? Geen mens! Dat komt ook alleen maar God en Christus toe.
  3. Ik denk als derde en laatste nog aan de oproep die gedaan wordt in Hooglied 5:1: ‘Wordt dronken!’ Dat kan geen oproep zijn voor een gewoon huwelijksfeest, immers dronkenschap wordt in de Bijbel overal veroordeeld.

Met andere woorden: dit is een geestelijk boek. We vergeestelijken het niet, we doen niet aan inlegkunde, het is geestelijk van zichzelf, en we doen alleen maar aan uitlegkunde.
Het Hooglied van Salomo is een boek, het is poëzie, het is een lied waarin de koning Salomo in beeldende taal de geestelijke liefde bezingt tussen de hemelse Bruidegom en Zijn aardse bruid.

Dus dit lied gaat over het hemelse huwelijk tussen de Heere Jezus Christus en Zijn bruidskerk.
Een lied dat gezongen wordt om… Ja, waarom eigenlijk? Wat is Gods doel met dit lied, met het Hooglied?
Het bezingt de hoogste liefde om Gods kinderen te laten zien, dat er nog zoveel aan hun liefde ontbreekt. Om zo de liefde in hun hart en het verlangen in hun ziel aan te wakkeren, levend te maken en op Hem te richten. Met de bede dat dat anderen tegelijkertijd zal aansporen om ook deze Bruidegom te zoeken, lief te hebben en te vrezen.

De tekst voor de bediening van het Woord (in deze dienst van voorbereiding voor de komende bediening van het Heilig Avondmaal) vindt u in Hooglied 1, daarvan de verzen 2,3 en 4. Hooglied 1: 2-4, waar we het Woord van God als volgt kunnen lezen:
Hij kusse mij met de kussen Zijns monds; want Uw uitnemende liefde is beter dan wijn. Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw naam is een olie, die uitgestort wordt; daarom hebben U de maagden lief. Trek mij, wij zullen U nalopen!
De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in U verblijden; wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn; de oprechten hebben U lief.

Het thema van de preek is:

Trek mij, wij zullen U nalopen

We letten samen op drie aandachtspunten. Op:
1. Het verlangen van de bruid
2. Het gebed van de bruid
3. De blijdschap van de bruid

Als eerste dus:

1. Verlangen van bruid

Hij kusse mij met de kussen Zijns monds.
Het is een uitroep van verlangen. Naar Iemand die ze kent. Immers, onbekend maakt onbemind. Het is een uitroep van verlangen naar Iemand Die ze heeft leren kennen, die ze eerder heeft ontmoet. Aan Wier hart ze sindsdien meer dan ooit verbonden is geraakt.
Want ze zegt: Hij! Ze heeft verder helemaal geen uitleg. Verdere uitleg is ook helemaal niet nodig. Hij alleen is mijn Liefste!

Wie zegt dat? Wie verlangt er eigenlijk? En naar Wie?
Het is de bruid, de geestelijke bruid. Het is een kind van God, die hier het verlangen bezingt naar haar Bruidegom. Naar de meerdere Salomo. Zei de Heere Jezus dat niet van Zichzelf: Meer dan Salomo is hier (Mattheüs 12:42)?
Zijn naam was Jedid-jah, door de HEERE geliefd (2 Samuel 12:25).
Dat gold in het bijzonder en volmaakt van de meerdere Salomo: Gods Geliefde Zoon.
De bruid, een kind van God, verlangt naar Hem.

En dat is wonderlijk. Dat een mens verlangt naar God.
Want ooit was zij, net als wij allemaal, tevreden met een leven zonder God en zonder hoop (Efeze 2:12). Maar toen God in haar leven kwam, als de roepende God, toen werd alles anders. Toen werd ze door Woord en Geest wakker geschud uit haar dodelijke rust. Toch ging ze breken met haar zonden, toen ging ze de Heere zoeken en vragen om vergeving en verzoening. En toen kwam er in haar hart een verlangen naar God. Ik moet zeggen: God werkte dat verlangen in haar ziel. Want geen mens verlangt uit zichzelf ooit naar God.

Wanneer verlang je naar elkaar, als mensen?
Als je elkaar kent. En als je van elkaar houdt. En als je elkaar niet ziet, als er afstand is.
Zo is het ook hier. Hier is een kind van God, dat de Heere heeft leren kennen. Een kind van God, die iets heeft leren kennen van Christus. Maar ze verlangt ernaar om Hem weer te zien, om Hem terug te zien en om meer van Hem te kennen.

Kent u, kennen wij, dat verlangen?
Want dit beschrijft niet alleen wat je als kind van God gekregen hebt. Maar het is ook bedoeld als een spiegel! Want er is zoveel meer te krijgen, dan dat we gekregen hebben.
Zeker het is ook bedoeld als troost en bemoediging. Maar het is ook bedoeld om ons eerlijk te wijzen op onze tekorten.
Ken ik, ook na ontvangen genade, dat verlangen, dat hartelijke, dat dagelijkse verlangen naar God en Christus? Omdat Hij in mijn leven kwam, en ik iets ben gaan zien van dat wonderlijke, van dat onbegrijpelijke van: Hij voor mij, Hij in mijn plaats? Zijn straffen voor mijn straf, Zijn vergeving in plaats van mijn vloek?
Wat is dat een wonder, als je dat voor het eerst in je leven mag zien en geloven. Als een kus, als een hemelse kus. Die doet weten en ervaren: Genade is uitgestort op Zijn lippen (Psalm 45:2).

Hij kusse mij. Een kus heeft in de Bijbel, een kus had vroeger in het Oosten verschillende betekenissen.
Een onderworpen, een verslagen vijand kuste de grond. Als teken van ultieme onderwerping. Onderdanen kusten de voeten van de koning. Wie eer wilde bewijzen aan iemand, kuste zijn hand. Vrienden kusten elkaar de wang.
En dan waren er (net als nu) nog heel veel kussen als een sociaal gebaar, formeel, maar zonder al te veel betekenis of affectie.
Maar dit is een teken van echte liefde. Van intieme, hartelijke en warme liefde. Want het gaat hier om een kus op de mond. Dat deed je in Israël, en dat doe je bij ons maar bij één. Bij degene aan wie je trouw beloofd hebt, je verloofde, je man of je vrouw.

Een kus van liefde. Een onverdiende kus.
Ik had een klap verdiend, maar ik kreeg een kus.
Ik had de vloek verdiend, maar ik kreeg liefde.
Een onverdiende kus van liefde, aan mij, onwaardige gegeven. In de nacht van mijn zonde-overtuiging. Toen ik meest onwaardig was. Toen mijn verlangen het grootst, en mijn nood het hoogst was. Toen hoorde God. En toen vloeide er genade van Zijn lippen.
Voor mij. Dat vergeet je nooit.
Maar… blijf, kinderen van God, niet (om woorden van Hosea te gebruiken) in de kindergeboorte staan (Hosea 13:13), want er is nog zoveel meer te krijgen.

Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond.
Het is het verlangen van de bruid: laat Hij toch opnieuw Zijn liefde aan mij tonen. Want ik kan met niets anders tevreden zijn.

Is dat echt zo in ons leven, kinderen van God?
Ligt daar niet de oorzaak van veel dorheid in ons leven? Ik verlies Hem uit het oog. Maar, is Zijn afwezigheid mij wel tot last? Is de geestelijke stilte in mijn bidden en lezen mij wel tot zorg? Is dat geen bewijs van gebrek aan onze liefde tot Hem?
Nee, de reden ervan ligt niet in Zijn liefde. Onze dorheid, onze koudheid, ons gebrek aan verlangen, dat is onze schuld. Dat is de schuld van onze zonden, van onze slordigheid in lezen en bidden, van onze wereldgerichtheid.

Wat kan je, als je hieraan terugdenkt, terugverlangen naar toen, na vroeger. Ik heb U voorwaar in het heiligdom, voorheen beschouwd met vrolijk ogen, hoe zag ik daar Uw alvermogen, hoe blonk Uw Goddelijke eer alom (Psalm 63:2, ber.).
Ja, en toen zong ik dat andere daar ook nog bij: mijn God, U zoek ik met verlangen, zo ras wij het morgenlicht ontvangen, bij het krieken, bij het aanlichten van de dageraad.
Maar dat, dat laatste kan weer zo ingezonken zijn…

Toch blijft er bij Gods kinderen op de bodem van het hart ondanks alle dodigheid iets liggen van verlangen…, naar God.
Zelf kan ik dat verlangen niet wakker schudden. Dat enige, dat hoogste, dat grootste verlangen. Het vraagt alles om Zijn komst. Hij is het alleen, die ons heil volmaken kan. Hij kusse mij met de kussen van Zijn mond.

Nee, het is niet het verlangen om het te weten, met ons verstand en met ons hart. Maar zij die het weten, die er iets van kennen in hun hart, zij verlangen ook naar de gevoelige uiting, naar de voelbare ervaring van de liefde van Christus.
Naar dat we niet alleen weten, dat Hij ons kent en dat we iets mogen kennen van Hem, van Zijn trouw, van Zijn liefde, van Zijn blijvende trouw. Maar ook: dat Hij tot ons komt. Meer: dat we Hem persoonlijk mogen ontmoeten. Meer nog: dat Hij ons Zijn liefde toont met een kus van Zijn liefde. Met een kus in onze persoonlijke gebeden, in ons stil zijn voor God, in ons lezen van de Schriften, in ons gaan naar Gods huis en ook in de bediening van de sacramenten.

Hij kusse mij.
Mij, die het zo verzondigd heeft. Maar toch, dat is mijn hoogst verlangen!
Hij kusse mij met een kus van liefde, als een teken van vergeving en verzoening, als een bewijs: ‘het is goed, met God, door Christus’.
Zoals de vader de verloren zoon omhelsde en kuste: ‘het is goed, mijn zoon, je schuld is vergeven’ (Lukas 15:20), zoals Jozef zijn broers kuste (Genesis 45:15).

Dat is toch het verlangen van al Gods kinderen? Ik richt me in de preek van vanmiddag vooral tot u. Laat dat geen reden zijn voor u, die Hem niet kent, om niet meer te luisteren. Luister goed, naar de rijkdom en het geluk van Gods volk, die in deze verzen worden uitgetekend.
De bruid heeft maar één verlangen. En dat vervult haar. De Bruidegom. Christus! Hij overtreft alles. Als Hij nu maar tot mij kwam!

Leeft dat wel zo in ons hart, kinderen van God? Laten we oppassen voor doodsheid in onze avondmaalgang: ‘Ik ga gewoon, want ik ga altijd. Het is een liefdebevel, en dus ga ik uit gehoorzaamheid. Ja, vroeger was er een hevig verlangen in mijn ziel, nu is het anders…’
Maar, wat is er dan gebeurd? Is onze Bruidegom veranderd? Is Zijn liefde verflauwd?

Nee, kijk maar in vers 2b. Als de bruid denkt aan Zijn liefde, als ze terugdenkt aan Zijn liefde, dan roept ze uit: Zijn uitnemende liefde is beter dan wijn.
Zijn liefde, de liefde van Christus is alles overtreffend, onvergelijkbaar en weergaloos.
Beter dan wijn: het toppunt van smaak, genoegen en verfrissing.
Beter dan dat, veel beter dan wijn. Want?
Want van wijn kan je genieten, maar het is ook gevaarlijk. Als je te veel drinkt, zal het je lichaam schaden. En wijn geeft wel even blijdschap en een goede stemming, maar dat gaat over. En daarbij kan er ook nog wel een gebrek aan wijn zitten, een bijsmaak.
Maar de liefde van de Bruidegom, de liefde van Christus is puur en volmaakt.

Als u, kinderen van God, een ogenblik denkt aan de liefde van Christus, aan Zijn verkiezende liefde, aan Zijn komende liefde, aan de liefde van Zijn gehoorzaamheid, aan de liefde van Zijn lijden, Zijn vergeving en verzoening, aan Zijn liefde van aanneming tot kinderen, aan Zijn vasthoudende liefde, aan Zijn vernieuwende en heiligmakende liefde, aan Zijn liefde in het u leiden op de weg van Zijn voorzienigheid, aan de liefde van Zijn kastijding… Dan zingen we toch met de dichter van Psalm 4:7: ‘Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldig zijn?’
Als de liefde van Christus nooit uw hart in vervoering gebracht heeft, kent u Hem dan wel echt?
Zijn liefde is beter dan wijn. Ik bedoel deze liefde, die de Heere Zelf heeft aangeduid, toen Hij zei (Johannes 15:9): Gelijkerwijs de Vader Mij liefgehad heeft (en hoe groot was die liefde!) heb Ik ook u liefgehad; blijft in deze Mijn liefde.

——

We gaan verder met vers 3: Uw oliën zijn goed tot reuk, Uw Naam is een olie, die uitgestort (dat wil zeggen: uitgegoten) wordt; daarom hebben U de maagden lief.
De geur van Uw kostbare olie doordringt ons leven en ons hart.
Het doet denken aan wat Petrus schrijft in 1 Petrus 2:7: u dan die gelooft is Hij dierbaar. Zijn geur is kostbaar voor de gelovigen.
En, (en is dat niet veel belangrijker?) Paulus schrijft in Efeze 5:2 dat Zijn offer een goede reuk was voor God: Gode een welriekende reuk.

Uw Naam is als een uitgegoten olie! Wat een overvloed, wat een ruimte is er in U!
Een uitgegoten olie. Geen olie die opgesloten zit in een klein flesje. Maar een uitgegoten olie, een volheid van genade, zoals Johannes die beschrijft in Johannes 1:16: En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade.

Uw Naam is een olie. Daar zou heel veel over te zeggen zijn, over de namen van de Bruidegom, over de namen van Christus. Laat ik één voorbeeld noemen, dicht blijvend bij de tekst. Hij heeft Zichzelf genoemd: de meerdere Salomo. Vorst, Prins van vrede. De Vredevorst. Is dat ook niet een naam die Jesaja profetisch aan hem gaf? (Jesaja 9:6)
Wat een heerlijke geur verspreidt die Naam, voor wie vrede zoekt, met God.
Zijn naam is Salomo: Vorst, Prins van vrede.
En later heet de bruid Sulamith: zij die vrede krijgt.
Hij is het, die vrede gemaakt en gegeven heeft door het bloed van het kruis
(Kolossenzen 1: 20).

Om Hem, om Zijn Naam, om Zijn Wezen, om Wie Hij is, hebben de maagden Hem lief.
De maagden. Ineens noemt de bruid een andere personage: de maagden.
Dat zijn, als je dat vergelijkt met andere Bijbelgedeelten, kinderen van God die meer geoefend zijn in de genade, die meer door de Heere geleerd zijn.
Ik denk bijvoorbeeld aan wat Paulus schrijft in 2 Korinthe 11:1, waar staat dat Gods kinderen aan Christus zullen voorgesteld worden als een reine maagd.
En in Openbaring 14:14 worden de 144.000 gezaligden voor de troon, die het Lam volgen ook maagden genoemd: gereinigd en geheiligd door het Lam.
De maagden hebben U lief.

De grote vraag, in het bijzonder voor Gods kinderen, is: is dit een tekening van hoe ons leven is?
Laat het resultaat van de voorbereiding geen optelsom zijn van wat ik heb. Maar ook een onderzoek naar: wat ik nog mis.
Is dit, de overvloed van de genade van Christus, de ontmoeting met Hem en de kus van Zijn mond, is dat alles ons enige verlangen? Ook in deze week van voorbereiding?
Laat de week van voorbereiding niet alleen een onderzoek zijn rond de vraag: mag ik wel of niet aangaan aan het Heilig Avondmaal?
Voor u, die weet dat u een Goddelijke recht gekregen hebt om aan te gaan, is de vraag vooral: hoe zal ik Hem ontmoeten?
Verlangt ons hart naar een ontmoeting met Hem? Naar een kus van Zijn mond?
Dan is dit zonder twijfel ons gebed: Trek mij, wij zullen U nalopen.

Onze tweede gedachte:

2. Gebed van bruid

In vers 4 zegt: Trek mij, wij zullen U nalopen.
Trekt U mij! Want mijn verdorven hart en mijn inwonende zonde maken dat ikzelf onmachtig ben. En door gebrek aan liefde en verlangen ben ik misschien ook wel onwillig om op te staan.
Het doet denken aan wat de Heere Jezus later zegt in Johannes 6:44: Niemand kan tot Mij komen, tenzij dat de Vader, Die Mij gezonden heeft, hem trekke.

We kennen niet alleen iets van onze zonden, waarvan we de last voelen als we die voor Gods aangezicht overdenken. Maar we voelen ook iets van onze hulpeloosheid, waardoor we weten, ervaren, voelen: we komen niet uit onszelf.
En dat is de reden, dat een roepende zondaar (voor het eerst en opnieuw) altijd ook een op God wachtende zondaar is. Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord (Psalm 130:5).

De bruid verlangt en bidt: Trek mij, wij zullen U nalopen. Trek mij. Want het probleem zit bij mij. Bij mijn onvermogen, mijn liefdeloosheid, mijn biddeloosheid en dodigheid.
De bekende Chinese zendeling Hudson Taylor schreef ooit: ‘mijn liefhebbende hart is zwak, en mijn warmste gedachte is koud’.
Trek mij! Niet in de eerste plaats om naar het Avondmaal te komen, maar trek me tot U. Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden (Psalm 43:3), tot U!

Het is vooral een uiting van eigen onvermogen. Ik ben totaal afhankelijk van U en van Uw liefde. U hebt mij eerst liefgehad. U hebt mij destijds Zelf getrokken met koorden van liefde. Maar het blijft zo. Ik ben en blijf totaal afhankelijk van Uw liefde, van de invloed en van het werk van Uw Heilige Geest.
Zonder Uw liefde kan ik niet liefhebben. Zonder Uw genade kan ik niet verlangen.
Het is een uiting van onvermogen.
En het is een uiting van verlangen: trek mij Heere, want het is mij goed om nabij U te zijn (Psalm 73:28).
En het is in de derde plaats ook een uiting van onwaardigheid. Ik durf niet, ik schaam me voor U. Ik ben het niet waardig. Trek me dan toch Zelf tot U. Want ik kan en durf alleen als U me trekt.

Als U mij trekt, dan zullen wij U nalopen.
Vanwaar die stelligheid? Waar ligt onze hoop? Zelfs in tijden van donkerheid en dodigheid? In Hem, in de Bruidegom Zelf, die het beloofd heeft: En Ik, zo wanneer Ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal hen allen tot Mij trekken (Johannes 12:32).
Hoort u de heilige samenhang? De bruid zegt: Heere, trek me! Want de Bruidegom heeft gezegd: Ik zal ze trekken. En ik zeg: Heere, ik hoop op Uw Woord (zie: Psalm 130:5).

Trek mij, wij zullen u nalopen. Dat laatste woord duidt op: rennen!
Ineens gaat het trouwens over: wij. U trekt mij, en dan lopen wij…
Als U mijn hart verlevendigt, als U mij kust met een kus van Uw liefde, dan zal daar iets van uitstralen. Dan zal Uw liefde, door Uw genade, ook anderen meenemen. Dan zullen wij U nalopen.

Het zegt ons wat er gaat gebeuren, als Hij ons trekt.
Maar het is tegelijkertijd ook een roep van verlangen. Van verlangen om heiligheid. ‘Heere, als U mij trekt met Uw liefde, dan lopen wij, dan rennen wij vol van ijver achter U aan.’ Zoals de dichter zingt van Psalm 119: dan zullen we U nalopen, U vrolijk nalopen op het pad van Uw geboden (Psalm 119:32).

Onze derde gedachte:

3. Blijdschap van bruid

We zagen een gebed van verlangen, een roep in hopeloosheid, en nu…
Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig! (Psalm 116:3, ber.)
Nu zegt de bruid: De Koning heeft mij gebracht in Zijn binnenkameren (vers 4).
Dit gaat het niet meer om het publieke deel van het paleis, waar iedereen mocht komen. Dit gaat om het privégedeelte, waar alleen de bekende, de meest intieme vrienden van de koning mogen komen. De plaats waar de Bruidegom Zijn bruid ontmoet.
Ik stond van verre. Ik wist niet hoe ik ooit tot Hem komen kon. En na al mijn dwalen (na ontvangen genade) wist ik niet hoe ik ooit weer bij Hem terug kon komen.
Maar nu, nu heeft Hij het gedaan: Hij heeft mij gebracht! Hij heeft mij binnengebracht. Hij heeft mij nabij gebracht, door Zijn bloed (Efeze 2:13).
Er waren zoveel onmogelijkheden, er waren zoveel belemmeringen. Maar Hij heeft ze allemaal overwonnen. En Hij heeft mij onwaardige, binnengelaten. Daar, in die plaats, waar Hij Zijn liefste ontvangt.
Nee, dit is geen liefde op afstand, zo van: wij kennen elkaar, maar wij zien elkaar nooit.
Nee, dit is zoals Paulus dat zegt in 1 Korinthe 13:12: ik ben door Hem gekend.
Dat wil zeggen: Hij heeft mij eerst liefgehad. Hij trok me met koorden van liefde. Zodat ik tot Hem mocht vluchten. En mocht ervaren: Er is genade uitgestort op Zijn lippen.

Maar zolang ik leef in deze wereld, word ik geplaagd door mijn eigen hart, dat Hem zo vaak vergeet en verlaat. Ik heb Hem steeds weer nodig. En Hij heeft het beloofd: Ik zal het doen. Ik zal u nooit loslaten, Ik zal nooit laten varen het werk van Mijn handen.
Ik zal ze allen (ook steeds weer opnieuw) tot Mij trekken.
Hij is het (steeds weer) die mij trekt, tot heel dichtbij, tot Hem.

Ik was ver weg. Ik ben nabij gebracht, door de weg die Hij gebaand heeft door Zijn eigen bloed (Hebreeën 10:19-20).
En toen ben ik weer verdwaald, als een verloren schaap. En nu (zegt de bruid) mag ik opnieuw zien en ervaren: Hij heeft mij gevonden, Hij heeft mij getrokken, Hij heeft mij gebracht en gemaakt tot een huisgenoot van God (Efeze 2:19), en nu mag ik wonen in de schaduw van de Almachtige (Psalm 91:1) en wonen in Zijn voorhoven (Psalm 65:4).
Hij heeft me gebracht in de binnenkamers van Zijn paleis.

Wij zullen ons verheugen en in Uw verblijden.
Mijn gebed is verhoord. En nu mag ik zeggen met Jesaja: Ik ben zeer vrolijk in den HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zich met priesterlijk sieraad versiert, en als een bruid zich versiert met haar gereedschap (Jesaja 61:10).
Nu mogen we zeggen met de dichter van Psalm 33: Want ons hart is in Hem verblijd, omdat wij op den Naam Zijner heiligheid vertrouwen (Psalm 33:21).

Dat geeft ook aan wat onze werkelijke, onze echte blijdschap zal zijn aan de bediening van het Heilig Avondmaal.
Niet het feit dat ik weet, dat ik genodigd ben en komen mag.
Nee. Hij Zelf is het centrum van ons verlangen, van onze vreugde.
Zonder Christus is er geen Avondmaal. Zonder Hem is alles leeg. Zonder Hem is het alleen maar vorm.
Het moet ons gaan en het mag ons gaan om de hernieuwde openbaring van Hem.
Het moet ons gaan, het mag ons gaan om het zien op Jezus.
Wat Petrus zo kernachtig beschrijft in 1 Petrus1:8: Om Hem, Denwelken u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
Een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde is het om Hem te zien. Om iets te zien van Zijn persoon, van Zijn namen, van Zijn werk, van Zijn liefde, van Zijn dienst, van Zijn woorden, van Zijn beloften, van Zijn reinigmakende en heiligmakende bloed, van Zijn rechtvaardigheid, van Zijn barmhartigheid, van Zijn kracht en macht en roem.
Want Hij is werkelijk: Alles.

Wij zullen Uw uitnemende liefde vermelden, meer dan de wijn.
Die zullen we vermelden. Wij zullen die vastzetten in ons geheugen. We zullen die nooit meer vergeten: Uw liefde, voor ons. ‘k Zal U nooit vergeten, U mijn Helper heten, al mijn hoop en lust (Psalm 33:10, ber.).
En, wij zullen die onvergelijkbare, die weergaloze, die onverdiende liefde van U ook verkondigen! In het verkondigen van Uw dood aan de tafel des verbonds.

En ik zal U in oprechtheid volgen. Want (vers 4): De oprechten hebben U lief.
Bij dat oprechte liefhebben hoort ook een oprecht en voorzichtig leven, ver van de zonde. Daar hoort bij een met vreugde gaan in het spoor van Gods geboden. Zoals de dichter zingt van Psalm 119: Ik zal Uw bevelen in der eeuwigheid niet vergeten, want door dezelve hebt Gij mij levend gemaakt (Psalm 119:93).
Ik zal U niet vergeten, maar ook Uw geboden zal ik niet vergeten.

Kinderen van God, de Bruidegom verlangt meer naar ons, dan wij naar Hem…
Dus is het gebed gepast, bijzonder in deze week van voorbereiding: Trekt U mij, dan zullen wij u nalopen.

Wachtend volk, Zijn hulp zal blijken!
Hij zal al de Zijnen (dat heeft Hij beloofd), ook de kleinen, tot Zich trekken.
En dan zullen wij Zijn naam vermelden en roepen Hem met blijde erkentenis aan.
Dat geve ons de HEERE, tot roem van Zijn naam, tot heerlijkheid van Zijn Christus, en tot de vertroosting en de zaligheid van onze zielen.

Amen.

Links bij preek Hooglied 1: Trek mij, wij zullen U nalopen!
Preek Hooglied 1: Zwart, doch liefelijk (2)
Preek Hooglied 1: De Koning aan Zijn ronde tafel (avondmaal) (3)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Hooglied 1

TERUG HOOGLIED