U komt belofte toe en kinderen · Handelingen 2

U komt belofte toe en uw kinderen
Preek Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

Thema preek Handelingen 2: U komt belofte toe en uw kinderen

De belofte voor u en uw kinderen
1. het verband van het vorige vers
2. de inhoud van de belofte
3. het adres van de belofte
4. het voorrecht van de belofte

PDF LEESPREEK (2015)

audio van dooppreek – 12 juni 2022

Preek Handelingen 2: U komt belofte toe en uw kinderen

Gemeente, wij overdenken vanmorgen met elkaar de bekende tekst uit Handelingen 2, vers 37. Dit Schriftwoord:
Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal.

Het thema voor de preek is: De belofte voor u en uw kinderen.
We gaan als eerste letten op het verband met het vorige vers. Immers de tekst begint met het woordje ‘want’, wat terug verwijst naar wat er aan de tekst vooraf gaat.
In de tweede plaats gaan we letten op de inhoud van de belofte, in de derde plaats op het adres van de belofte (aan wie is die belofte gericht?), en in de vierde plaats zullen we het voorrecht zien van deze belofte.

Dus: De belofte voor u en uw kinderen

  1. Het verband van de tekst (‘want’, zo begint tekst)
  2. De inhoud van de belofte
  3. Het adres van de belofte (u en uw kinderen en allen die daar verre zijn)
  4. Het voorrecht van de belofte (zo velen als er de Heere onze God toe roepen zal)

Als eerste gaan we dus letten op

1. Het verband met het vorige vers.

Waar Petrus zegt: mannen, moordenaars, u die Jezus verworpen hebt, u met bloed aan uw handen, bekeert u. Dat wil zeggen: ga anders denken over God, over uzelf en uw zonden, en over Jezus van Nazareth, die u gekruisigd hebt.
En doe publiek belijdenis van uw misdaden, van de vuilheid van uw zonden en van die andere, die nieuwe gedachten, en laat u dopen in de Naam van Jezus Christus.
En zoek de vergeving en de verzoening van uw kwaad bij Hem alleen: ‘tot vergeving der zonden’. En u zult de gave van de Heilige Geest ontvangen.

Maar, en dat is de vraag die hier aan de orde is, hoe kunnen arme, verslagen zondaars toch hopen op genade? Hoe kan een mens, doorpriemd in zijn hart, verslagen van geest, die zichzelf in zijn denken moet veroordelen, die gebroken heeft met God, die opgestaan is tegen de Almachtige, die de Messias verworpen heeft… hoe kan zo’n slecht, zondig en opstandig mens hopen op genade?
Is er nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen? Ja, die is er wel, maar… is dat wel voor mij?

Heel veel mensen passen zonder aarzelen allerlei beloften op zichzelf toe. Ze zeggen: God heeft het toch beloofd, nou dan, dan is het ook voor mij.
Maar die verslagenen van hart, die zeggen: ‘o God, ik ben zo slecht. Zou het voor mij wel kunnen? Het kan ongetwijfeld voor iedereen, maar kan het ook voor mij? Als ik mijn zonden steeds voor ogen zie zweven?

Hoe kan ik toch vergeving van zonden ontvangen, hoe kan de Heilige Geest ook gaan wonen in mijn hart?
Zeker, ik weet dat Petrus en de apostelen later zeggen in Handelingen 15:31:
Deze (Jezus) heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël (dat bloed aan zijn handen heeft) te geven…(!), te geven bekering en vergeving der zonden.
Maar wordt die bekering en vergeving van zonden nu ook aan mij gegeven? Wordt Hij nu ook mij gegeven? Is die genade ook beschikbaar voor mij?

En wat blijkt dan de Heilige Geest een wonderlijke Heelmeester, een wonderlijke Dokter te zijn. Hij heeft deze mensen diep geprikt in hun hart, doorstoken en doorpriemd zijn ze. En nu klagen ze als met de rouwklacht over een enig kind, als ze in gedachten zien Wie ze doorstoken hebben.
Ze zijn anders gaan denken (dat is het werk van Gods Geest in hun hart), ze zijn anders gaan denken over God. Dat is de eigenlijke betekenis van ‘bekering’. Anders gaan denken, een andere gezindheid krijgen. Ze zijn anders gaan denken over God. Ze zien dat ze met Hem gebroken hebben.
Ze zijn anders gaan denken over Jezus. Ze zien dat God Hem gezonden heeft als de Messias en Zaligmaker. En ze zijn ondertussen ook anders gaan denken over zichzelf. Als ze zich realiseren tot in het diepst van hun binnenste: wij hebben Hem, ik heb Hem verworpen!
En zo klinkt de rouwklacht uit hun hart omhoog: o, wee mij, dat ik zo gezondigd heb.

Klagende, berouwvolle zondaars, die komen met smeking en geween.
Maar… is er weI hoop? In die schijnbaar hopeloze toestand? Is er wel houvast voor zulke roepende zondaars?

Ja, maar die hoop en dat houvast ligt niet in ons, die ligt niet in u. En die ligt ook niet in bepaalde eisen of voorwaarden waaraan wij zouden moeten voldoen.
Wie is slecht, die erkenne zijn slechtheid en verlorenheid, die belijde zijn schuld, en die wete en gelove dat er uit enkel genade bij God verzoening en vergeving is voor de grootste van de zondaars.

Want… en dat(!) zegt Petrus: want u, zelfs u, mannen met bloed aan uw handen, want u
komt de belofte toe!
Die belofte. Dat is dàt, wat de Heere gezegd heeft. Dat is de grond, dat is de basis. Dat is de grond om u aan te sporen om u te bekeren en om uw zonden te belijden en daarmee te breken. Dat is de basis om u aan te sporen om te komen met smeking en
geween. En om al komend niet te wanhopen, maar te luisteren naar de belofte van God. Dat brengt ons als vanzelf bij ons tweede aandachtspunt:

2. De inhoud van de belofte.

Want u komt de belofte toe. Welke belofte is dat?
Dat is in de eerste plaats de belofte uit Joël 2 vers 28, de belofte die op de Pinksterdag vervuld is:

En daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitgieten over alle vlees, en uw zonen en uw dochteren zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen, uw jongelingen zullen gezichten zien.
Een belofte, die ook volgens de kanttekening bij de Statenvertaling een belofte is ‘volgens’, dat wil zeggen ‘in de lijn van’ het verbond van God, dat Hij gemaakt heeft met Abraham en zijn zaad.
Dus gaat het hier ten diepste om een herhaling van de belofte uit Genesis 17 vers 7:
En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.
Een belofte waarin God van harte en welgemeend zegt de God te willen zijn van dit volk. Het is ook niet voor niets dat die beide beloften (uit Genesis 17:7 en uit Handelingen 2:39) in ons doopformulier na elkaar genoemd worden. Ze horen ook echt bij elkaar!

En nu zegt God dat dus opnieuw…
En ik vraag u: Is dat geen wonder? Op het moment dat zij voor Hem staan. Met bloed aan hun handen, met tranen in hun ogen… Zo zwaar, zo diep gezondigd. Zij hebben God en Zijn Gezalfde verworpen…
Maar (en wat schittert daarin toch onbegrijpelijke een eenzijdige liefde van God), Hij heeft hen niet verworpen. God heeft Zijn belofte niet ingetrokken.

U bent (moordenaars, verslagenen van hart; en u, iedereen die nu luistert), u bent kinderen van het verbond. Kinderen van het volk Israël. Leden van de zichtbare kerk.
En het woord van de belofte kom tot u.
Het woord der zaligheid is tot u gezonden. (Handelingen 13:26)

En dit is de inhoud van dat woord: er is een Zaligmaker beschikbaar. En u hebt vrije toegang tot Hem. De weg naar Hem is een geopende weg, de deur naar Hem toe staat open. En u mag Hem door geloof aannemen, als de uwe, als door God geschonken.
En de reden daarvan (van dat dat mag) ligt zeer zeker niet in u. Die ligt, zegt God, in Mij.

Hier wordt Christus aangeboden (aan vijanden!) gehuld in een evangelische belofte. God biedt Zijn genade aan, een belofte van zaligheid en vergeving, God biedt Zijn Christus aan, aan moordenaars.

Beseft u wel, lieve mensen, wat daar gebeurde, en wat hier vanmorgen in de kerk gebeurt…?
Ik sta tussen God en u. En ik hoor bij u, ik ben één van u. Ik sta tussen God, de heilige en de rechtvaardige God, die in enkele en onbegrijpelijke liefde Zijn Zoon gegeven heeft.
Dat is de ene kant. God. En aan de andere kant staat (en zit hier) een menigte van mensen die God en Zijn Gezalfde verworpen hebben.
En ik heb mandaat gekregen om u vrede aan te bieden… Er is een Zaligmaker beschikbaar voor u…
Niet omdat we goed zijn, niet omdat we iets verdienen. Maar omdat God het gezegd heeft. Omdat Hij het beloofd heeft: als u de Naam des Heeren zal aanroepen, dan zult u zalig geworden (vers 21)

Onze derde gedachte:

3. Het adres van de belofte.

Voor wie is die belofte, aan wie is die belofte gericht?
Petrus zegt het, tegen al die mensen die voor hem staan. Het is een enorme menigte. En hij zegt letterlijk tegen iedereen: de belofte is voor u.
U hebt toegang, de deur staat open. U mag komen. Ik wijs u zelfs de weg daar naartoe: bekering en belijdenis van zonden. Keert weder, afkerige kinderen, en Ik zal uw afkeringen genezen. (Jeremia 3:22)

Petrus wil niet, God wil niet dat iemand zal wanhopen en zal zeggen: het is niet voor mij, ik ben buitengesloten.
Het evangelie sluit niemand uit.
Ook niet de allerslechtsten. Tegen hen wordt dit juist gezegd. Omdat zij juist geneigd zijn om te wanhopen. Juist tegen zulke mensen, die hun slechtheid zien, zegt Petrus: wanhoop niet! Daar is de belofte van God.
U draagt (hoe slecht u ook bent) het grote voorrecht, dat die belofte van het Evangelie
voor u is.

Welke belofte is dat?
Is dat de belofte dat u zalig zult worden? Belooft God u en iedereen zaligheid? Zegt God: mensen, wees gerust, u zult allemaal zalig geworden? Het komt goed met iedereen van u? Nee, dat zeker niet.
Dit is de belofte: u bent welkom. Verloren zondaars, u bent welkom. Er is voor u een weg geopend, een pad gebaand, en u mag komen. En als u komt, dan zal Ik u niet afwijzen.
Het is de nadrukkelijke nodiging van God, het is de nadrukkelijke aanbieding van de Heere: er is vergeving, er is zaligheid beschikbaar voor u.

Verslagenen van hart, u die niet kunt geloven, u die niet durft te geloven, u die zegt: mag dat wel?
God geeft u als het ware een basis, een fundament om te geloven. En dat fundament is dat wat God zegt: Kom, er is een Zaligmaker die bij u past bij uw verloren leven.
U hebt het recht gekregen, Ik heb u een recht gegeven (vanwege Mijn verbond) om te komen.
Voordat we nu verder gaan, gaan wij samen eerst zingen uit psalm 25 het tiende vers.

U komt de belofte toe.
Al die mensen horen dat. Het geld hen allemaal. Petrus maakt toch geen uitzonderingen? Al die mensen. Maar die mensen zijn niet allemaal gelijk.
Er zijn verslagenen van hart. Maar er zijn ook mensen die… (u zegt:) die afwachten, die neutraal zijn.
Nee, het ligt veel scherper. En daar moeten we wel goed oog voor hebben. Er zijn maar twee soorten mensen, nu en op de Pinksterdag.
Er zijn mensen die (zoals vers 41 zegt) verslagen zijn in het hart en dit woord met vreugde aannemen. En de anderen verwerpen het!
Er zijn daar op de Pinksterdag, en er zijn nu, hier in de kerk, twee soorten van mensen. Zoals de Heere Jezus zei: er zwemmen twee soorten van vissen in het visnet.
Van oorsprong zijn we allemaal gelijk. Kinderen van Adam. Diep gevallen in het paradijs. Kinderen van het verbond. Allemaal gebracht op het erf van het verbond. Allemaal (destijds) besneden, allemaal (nu) gedoopt. Allemaal geluisterd naar de belofte van het Evangelie: bekeer u, geloof het evangelie, en u zult vergeving van zonden ontvangen.

En toch gaan zij straks, en gaan wij straks of op de ene, of op de andere manier naar huis. Of op de ene manier. Als verslagenen, geprikt in het hart, maar ook indringend genodigd om te komen. Met de bijzondere troost en aanmoediging van de Heere: U die de Naam des Heeren aanroept, u zult zalig worden. Er is een weg geopend, er is genade beschikbaar. Zelfs, ja juist voor mensen zoals u.
Is dat geen reden, gebrokenen van hart en verslagene van geest, om uit te roepen: ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp?
U gaat of zo naar huis, of u gaat straks naar huis, net als die nette burgers van Jeruzalem toen, als voorbeeldige kerkmensen nu, als mensen die… dit Woord verwerpen.
En ik waarschuw u ernstig: acht het bloed van het testament op deze dag niet opnieuw onrein. Als u daar mee doorgaat, dan blijft er geen slachtoffer over voor de zonde.
En dat zal dan niet zijn omdat God niet wilde, omdat God niet bereid was, maar dat zal dan zijn omdat u Hem en Zijn genade en verbond verworpen hebt.

Zeker, op de achtergrond schuilt Gods verborgen welbehagen. Alleen zij geloven, alleen zij nemen het Woord aan, die geordineerd zijn tot het eeuwige leven, zoals later staat in Handelingen 13:48.
Gods vervuld Zijn beloften uiteindelijk (werkelijk en effectief) alleen in die verslagen harten. Zij zijn werkelijk erfgenamen van de belofte. Zij krijgen de inhoud van de belofte. Die past de Heilige Geest toe in hun hart.
Maar hier in onze tekst gaat het nadrukkelijk om de prediking van het Evangelie. En dan hebt u geen enkele reden om uzelf te verontschuldigen. Om uzelf te verontschuldigen als zou u niet behoren bij die uitverkoren kerk. Want dat weet u niet.
Wat u wel weet is dat God u roept. En ik zeg u: Hij meent het.

U komt de belofte toe… En uw kinderen.
Wie zijn dat? Waar zijn die? Misschien zijn die wel thuis. Opa en oma passen misschien wel op ze.
Uw kinderen, onze kinderen… Hier in de kerk, thuis, bij de oppas…
Jullie, jongens en meisjes. De Heere God meent het heel echt als hij zegt: kom naar Mij toe, kinderen.
Doe je dat wel? Of stel je dat steeds maar uit…? Of denk je steeds: dat komt later wel een keer…?
Weet je, dat is erg, dat is heel erg gevaarlijk.
Wat je eigenlijk doet is één van deze twee dingen.
Of je zegt: Heere, hier ben ik, met mijn slechte en zondige hart. Ik kom biddend naar U toe. Bekeert U me toch, Heere, dan zal ik bekeerd zijn. Helpt U me toch. Wat moet ik toch doen? U zegt: Kom tot Mij. Maar ik weet niet goed hoe ik komen moet. Wilt U het doen? Wilt U me een nieuw hart geven!
Doe dat toch, jongens en meisjes, zo roepend tot Heere bidden.
Je zegt: is dat alles? En verder? Verder niks. Als je zo de Heere zoekt, biddend op je knieën, dan zal Hij je zeker horen. Hij zal je zeker niet wegsturen. Maar Hij zal je aannemen en maken tot een kind van Hem.
Dat is het ene. Je zoekt of biddend Heere… of… (je zegt): ‘ ik vergeet het, ik denk er niet aan’.

Nee, dat betekent eigenlijk iets anders. Dat betekent dat je eigenlijk zegt: Heere, ik wil U niet. Ik heb er geen zin in. Uw genade, die mag U wat mij betreft houden.
Het is komen (laat de kinderen tot mij komen), of weigeren, afwijzen, niet willen.

U en uw kinderen.
Een van de meest heldere Bijbelteksten als het gaat om het goed recht van de kinderdoop. Wat betreft de voorrechten van het verbond is er geen verschil tussen volwassenen en kinderen. En dus mogen de kinderen net zo goed gedoopt worden, mogen zij net zo goed het teken van het verbond, het teken van de doop dragen, als de volwassenen.
Daar is geen speld tussen te krijgen.

Verslagen zijn ze misschien niet. Misschien zijn ze nog te klein om te luisteren. Maar de belofte komt ook tot hen. Er is ook een geopende weg voor onze kinderen.
Zult u ze daarom, ouders, uw kinderen biddend meedragen op die weg? Zeker uw kleine, uw allerkleinste kinderen. We kunnen onze kinderen zo snel kwijtraken. Draag ze toch onder uw hart, uw kleintjes, juist als u voor eigen hart en leven met verslagenheid vlucht naar die geopende weg.
Als je, ouders, vlucht uit een brandend huis, dan zal je er niet uitgaan zonder je kind of je kinderen uit bed gehaald te hebben. Je zult er je uiterste best voor doen om ze allemaal in je armen wee te dragen.
Als je dan nu, ouders, vlucht op die weg die er is tot behoud en verzoening van uw schuld, neem dan toch ook biddend zo je kleine kinderen mee. Denkend aan deze belofte: u en uw kinderen

U en uw kinderen, en allen die daar verre zijn.
Ver weg, wat betreft plaats. De boodschap van het Evangelie wordt eerst gebracht in Jeruzalem, daarna in Judea en Samaria, en uiteindelijk tot allen die verre zijn. Tot aan de einden van de aarde.
Ver weg, wat betreft plaats. Maar ook ver weg wat betreft tijd. Zolang de zon en de maan zullen zijn, geldt deze belofte: God zal Zijn Naam voortplanten van kind tot kind en van geslacht tot geslacht. (Psalm 72:17)

U en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zo velen als er de Heere onze God toe roepen zal.
Dat wijst ons in de vierde en laatste plaats op

4. Het voorrecht van de belofte.

Het voorrecht om een kind van het verbond te zijn.
De grens, de muur tussen joden en heidenen is niet meer. Het Evangelie is de wereld over gegaan. Maar uiteindelijk is het niet overal gekomen. Gods vrijheid, Gods soevereiniteit heeft bepaald dat het op de ene plaats wel, en op de andere plaats niet gekomen is. Of nog niet gekomen is.

Hier, bij ons kwam het wel. En wat is dat een voorrecht.
Nee, ik zeg niet dat iedereen daardoor zalig zal worden. Ik zeg niet dat de bijzondere beloften van het verbond voor iedereen zijn, die deze woorden horen. Ik zeg niet, dat het genoeg is dat je gedoopt bent.

Maar ik zeg wel, dat we het grote voorrecht hebben dat de beloften van het Evangelie tot ons komen. Een prediking van genade voor moordenaars. Met een teken aan je voorhoofd dat het echt waar is, dat het oprecht is, dat het welgemeend is, wat God beloofd heeft.

En ik zeg in alle ernst tot u, beste vrienden: veracht dat niet.
Het verwerpen van een aanbod van genade, van een aanbod van gratie, van vrijspraak aan moordenaars, het verwerpen van dat aanbod maakt die misdaad des te zwaarder. Het is een opnieuw verwerpen van God en van Zijn Christus.

Jongelui, je hebt als kind van rebelse en opstandige ouders, bij je doop als het ware de vlag van de Koning als een stempel aan je voorhoofd gedrukt gekregen.
En als je dan zo over de wereld loopt, terwijl je gedachten en je leven laten zien, dat je die Koning veracht en verwerpt, hoewel Hij je vriendelijk gratie en vergeving aanbiedt, jongelui… dan loopt het echt slecht met je af.
Veel slechter dan met die heidense mensen, die nooit het woord van het Evangelie gehoord hebben.

Zo gij Zijn stem dan heden hoort, geloofd Zijn heil- en troostrijk woord.
Verhardt u niet, maar laat u leiden.

Amen.

Links preek Handelingen 2: U komt de belofte toe, en uw kinderen
Handelingen 2:37: Geprikt in hart
Handelingen 2:37-38: Bekeert u, wordt gedoopt
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Handelingen 2

TERUG PINKSTEREN | HANDELINGEN