/ / Uit diepten roep ik (Psalm 130) – advent

Uit diepten roep ik (Psalm 130) – advent

Uit de diepten roep ik tot U – De profundis
Preek Psalm 130:1-3: Een lied Hammaäloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE! Hoor naar mijn stem. Laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen. Zo Gij, HEERE de ongerechtigheden gadeslaat, HEERE, wie zal bestaan?

Thema preek: Uit diepten roep ik

Doorleefde schuld leert:
1. Roepen
2. Bidden
3. Belijden

Dit is een voorbereidingspreek voor Heilig Avondmaal

PDF LEESPREEK

Schriftlezing over Uit de diepten roep ik tot U:
Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE !
HEERE ! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
Zo Gij, HEERE ! de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE ! wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Mijn ziel wacht op den HEERE, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Links bij preek over: Uit diepten roep ik tot U
Preek: Op U geworpen van baarmoeder af (Psalm 22)
Preek: Zie Ik kom (Psalm 40)
Preek: Maar bij U is vergeving (Psalm 130)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Psalm 130
– Wikipedia: De profundis

TERUG ADVENT | PSALMEN

John Owen, over Uit diepten roep ik tot U:
O Heere, door mijn menigvuldige zonden en tergingen, heb ik mijzelf in grote verlegenheden gebracht. Mijn ongerechtighe­den zijn steeds voor mij, en ik ben door dezelve, als door een waterstroom, overweldigd; want zij hebben mij in diepten gebracht, waarin ik dreig overstelpt te worden. Doch ofschoon mijn benauwd­heid groot is en mij ontstelt, zal of durf ik echter de moed niet opgeven en alle hoop van hulp en herstel wegwerpen. Ook zal ik geen ander geneesmiddel zoeken, noch wegen van bevrijding inslaan, dan mij te vervoegen tot U, o Jehovah, en wel tot U alleen. En in deze mijn toevluchtneming tot U, doen de grootheid en de drang mijner benauwdheden die mijn ziel drukken, mij zeer ernstig en aanhoudende zijn in mijn smekingen. Terwijl ik geen rust heb, kan ik U geen rust geven: O, hoor dan naar mijn stem; merk op de stem mijner smekingen.