Vader, in Uw handen, beveel Ik Mijn geest · Lukas 23

In Uw handen, beveel Ik Mijn geest
Preek Lukas 23:46: En Jezus, roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

Thema preek Lukas 23: Vader, in Uw handen, beveel Ik Mijn geest

Het sterven van de Christus, en het sterven van de christen
1. Goede Vrijdag – geschiedenis     
2. Goede Vrijdag – troost

PDF LEESPEEK

Schriftgedeelte over In Uw handen, beveel Ik Mijn geestLukas 23:33-48
33 En toen zij kwamen op de plaats genaamd Hoofdschedelplaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter- en den ander ter linkerzijde.
34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.
35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost; dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.
36 En ook de krijgsknechten tot Hem komende, bespotten Hem en brachten Hem edik,
37 En zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.
38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.
39 En een van de kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.
40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
41 En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.
43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.
44 En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe.
45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde middendoor.
46 En Jezus roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest.
47 Als nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.
48 En al de scharen die daar samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die geschied waren, keerden weder, slaande op hun borsten.

Links bij preek Lukas 23: In Uw handen, beveel Ik Mijn geest
Begrafenis Jezus door Jozef van Arimathea (Lukas 23) – Goede Vrijdag
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Lukas 23

TERUG LIJDENSTIJD | LUKAS

Gemeente, de tekst voor de preek op de avond van deze Goede Vrijdag kunt u vinden in het Schriftgedeelte dat ons voorgelezen, in Lukas 23, daarvan het 46e vers.
De preek gaat over Lukas 23:46, waar we Gods Woord als volgt lezen: En Jezus, roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.
We overdenken op deze sterfdag van de Heere Jezus daarvan vooral deze woorden:
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest

Het is een aanhaling van Psalm 31:6, waar David zegt: In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
Het zijn ook woorden die stervende door Stefanus aangehaald worden, als hij roept: Heere Jezus, ontvang mijn geest (Hand. 7:59).

Het thema voor de preek vanavond is:
Het sterven van de Christus, en het sterven van de christen

Er zijn twee aandachtspunten.
We letten als eerste op: Goede Vrijdag geschiedenis. Christus geeft immers in Zijn sterven Zijn ziel echt in de handen van Zijn Vader.
Daarna letten we in de tweede plaats op Goede Vrijdag troost. Want omdat Christus toen Zijn ziel gegeven heeft in de handen van Zijn Vader, daarom mag iedere oprechte christen (zoals Stefanus en zoveel anderen) in het stervensuur zijn of haar ziel toevertrouwen aan Christus, en door Hem ook aan de Vader.

Dus: Het sterven van de Christus, en het sterven van de christen.
Twee aandachtspunten:
1. Goede Vrijdag – geschiedenis
2. Goede Vrijdag – troost

Als eerste dus:

1. Goede Vrijdag – geschiedenis

Gemeente, als wij denken aan een sterfdag, dan denken we ongetwijfeld aan de dag dat één van onze geliefden of meerderen van hen van de tijd zijn overgegaan in de eeuwigheid.
Goede Vrijdag is ook zo’n sterfdag. Een dag waarop we denken aan een geheel enig sterven, aan het geheel enige sterven van de Zaligmaker, Jezus Christus.

Zes uur lang hangt de Heere Jezus inmiddels aan het kruis, aan het door God vervloekte kruis. Hij draagt de zonden van velen.
Hier zien we de vervulling van Jesaja’s profetie: Hij heeft geen onrecht gedaan. Er is nooit bedrog in Zijn mond geweest. Maar het behaagde de HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt (Jesaja 53:9-12).
Het zwaard is ontwaakt tegen Gods Metgezel (Zach. 13:7). En het doorsteekt in Zijn hart.
Hij drinkt de bittere beker van Gods wraak.

Duisternis bedekt de aarde, drie uren lang. Zijn Vader in de hemel trekt het licht van de zon in, maar vooral ook het licht van Zijn vriendelijke aangezicht.
Het ontlokt Hem de roep uit Zijn hart: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door (Luk. 23:45).

Hier wordt het Lam van God geslacht. Tot een rantsoen, tot een losprijs voor velen
(Mar. 10:45).
Hier offert Hij vrijwillig Zijn ziel op tot een schuldoffer voor God (Jes. 53:10).
Dit is het meest wonderlijke moment in geschiedenis van deze wereld: De Zoon van God, door de Vader naar deze wereld gezonden, lijdt en sterft voor zondaars.

Dit is met recht de Goede vrijdag.
Dit is een hoogtijdag in ons kerkelijke jaar.
Dit is een feestdag voor Gods Kerk.
Omdat het bittere lijden van deze stervende Jezus ons de vrede brengt.
Omdat door Zijn striemen ons genezing geworden is (Jes. 53:5).

Geliefde medechristenen, kinderen van God, hier hangt de Zaligmaker in onze plaats.
Omdat wij de eeuwige dood moesten sterven. Daarom sterft Hij.
Omdat wij door God verlaten moesten worden. Daarom wordt Hij verlaten.
Omdat wij onder moesten gaan onder Gods eeuwige toorn. Daarom gaat Hij vrijwillig onder, onder de vloed van Gods wraak.

Laten we huilen schaamte en berouw, om zoveel zondeschuld.
Laten we aanbidden in verwondering en verbazing, om zoveel zondaarsliefde.
En: Laat ‘s Heeren lof ten hemel rijzen!
Hier hangt onze Zaligmaker, Die ons zo uitnemend heeft liefgehad. Die ons, terwijl Hij onze zonden droeg, heeft liefgehad tot het einde (Joh. 13:1).

Niet omdat wij Hem liefgehad hebben, maar eenzijdig, alleen om Zijn onbegrijpelijke liefde. Hier zien we de waarheid van wat Johannes schrijft: Wij hebben God niet liefgehad, maar Hij heeft ons lief gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden (1 Joh. 4:10).
Zes uur lang hangt de Heere Jezus inmiddels aan het kruis, aan dat door God vervloekte kruis. En dan…
Dan klinkt ineens het laatste kruiswoord: En Jezus, roepende met grote stem, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

Als wij, mensen, sterven, dan bezwijkt ons vlees en ons hart (Ps. 73:26).
De meesten mensen sterven uitgeput, verzwakt, ademloos, bewusteloos.
Maar Jezus roepende met grote stem!
Iedereen moet het horen. Ook Zijn vijanden, die denken dat Hij hulpeloos door God verlaten is.
‘Ik leg Mijn leven vrijwillig af. Niemand neemt het van Mij. Ik ben de goede Herder, Ik leg Mijn leven af voor de schapen.’ (Joh. 10:15-18)

En Jezus, roepende met grote stem, zeide: Vader!
Een liefelijke, bemoedigende, vertrouwenwekkende Naam: Vader.
De eeuwige, de almachtige Vader in de hemel staat boven Hem. En staat garant voor Zijn bescherming en bewaring. Want U zult Mijn ziel in de hel niet verlaten; U zult niet toelaten dat Uw Heilige de verderving zie (Ps. 16:10).

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest: in Uw handen.
Niet in Uw voorzienigheid, niet in Uw wil, welbehagen of raad, -ik zeg niet dat dat niet zo is-, maar, zo zegt Jezus: in Uw handen.
In Uw geopende handen, in Uw milde handen, in Uw bewarende handen.
Het geeft enerzijds iets weer van afhankelijkheid. Hij geeft Zijn ziel in de handen van Zijn Vader, om Hem te ontvangen in de hemelse heerlijkheid. En om Zijn ziel en lichaam te herenigen op de komende paasmorgen.
Maar het is ook bewijs van zekerheid en hoop: De Vader zal Hem bewaren. Zijn lichaam, Zijn vlees zal (zegt Psalm 16) zeker wonen en: rusten in hoop (Ps. 16:9, Hand. 2:26).

Vader, in Uw handen beveel Ik.
Dat wil zeggen: vertrouw Ik toe, geef Ik over. Aan U.
Dat is niet passief, maar actief. Ik vertrouw Mijn ziel aan U toe! Ik geef hem aan U!

In vertrouwen, in rust, in hoop en in vrede geef Ik U: Mijn geest, Mijn ziel.
Maar de Herder en de schapen zijn onafscheidelijk aan elkaar verbonden, in leven en in sterven. En dus vertrouwt Jezus hier niet alleen Zijn ziel in de handen van Zijn Vader, maar ook (zo zegt Calvijn): in één bundel, in één geheel, al de zielen van de gelovigen.
Uw gelovige ziel, geliefde medechristenen, is hier, op dit knooppunt in de heilsgeschiedenis door Jezus toevertrouwd in de handen van Zijn Vader: betalend, verzoenend, reddend, beschermend en bewarend.

Christus en Zijn Kerk, het Hoofd en het lichaam, zijn één. En dus zegt Jezus verzoenend en plaatsvervangend hier eigenlijk twee dingen:
Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.
En tegelijkertijd ook: Vader in Uw handen vertrouw ik ook de zielen toe van allen, die Ik liefgehad heb, die Ik gekocht heb, en die door Mij in Mij geloven zullen.
Vader, Mijn ziel voor, in plaats van en met hun zielen.
En dus: Vader, neem niet alleen Mijn ziel, maar ook hun zielen.
Al het werk dat Ik moest doen en wilde doen, is volbracht.
En hier is de vrucht, hier is het loon op Mijn werk: Mijn ziel én hun zielen.

Dit, o gelovigen, kinderen van God, is onze bevrijdingsdag.
Hier is onze schuld afbetaald.
Hier zijn onze zielen teruggegeven aan God.
Hier zijn we verlost van de eeuwige dood.

Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest.
Het valt op, gemeente, dat de Heere Jezus sterft met een Bijbeltekst op Zijn lippen.
Hij leefde met het Woord. En Hij sterft met het Woord op Zijn lippen.
Onze tekst is een aanhaling uit Psalm 31:6. David is in doodsnood. Zijn vijanden zijn uit zijn ondergang. En dan, midden in die nood, vertrouwt hij zichzelf toe aan God.
Hij beroept zich op God, hij legt zich aan Gods voeten en zegt: In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!

Wat Jezus in Zijn stervensuur roept, is deze tekst uit Psalm 31. Maar als je goed luistert, dan hoor je drie dingen.
Er is iets gelijk aan Psalm 31:6: In Uw hand beveel Ik Mijn geest.
Maar er is ook iets aan toegevoegd: Vader. Eeuwige Vader.
En er is iets weggelaten: Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
Want de Verlosser aan het kruis heeft Zelf geen verlossing nodig.
Hij strijdt, Hij sterft en overwint door Zijn Eigen kracht. En roept in Zijn stervensuur met grote kracht: Vader, in U handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

2. Goede Vrijdag – troost

Gemeente, het sterven van de Heere Jezus was uniek.
Zoals Hij is niemand ooit gestorven en zal niemand ooit sterven.
Ons sterven is in meerdere opzichten anders. Ook het sterven van een oprecht christen.

Ons sterven is niet vrijwillig. We moeten sterven. Het is de mensen gezet eenmaal te sterven (zegt de Hebreeënbrief) en daarna het oordeel (Hebr. 9:27).
Wij sterven ook niet met kracht en vol bewustzijn, maar verzwakt en uitgeput.
En wij sterven ook niet zo(!) in de kracht van het geloof, zoals dat bij Christus was.
Zijn geloof, Zijn vertrouwen, Zijn kennen van de Vader, Zijn zekerheid was anders.
Het werd wel gehinderd door bestrijding en door de angsten van de hel, maar Hij werd niet gehinderd door zwakte, twijfel en ongeloof.

Maar dat neemt allemaal niet weg, dat het sterven van een christen, kinderen van God, in veel opzichten wel lijkt op het sterven van onze Meester.
Niet alleen in ons leven, maar ook in ons sterven is er: navolging van Christus.
Want, zo zegt Paulus: hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren (Rom. 14:8). We zijn in leven en sterven, naar lichaam en ziel, het gekochte eigendom van onze getrouwe Zaligmaker, Jezus Christus (HC, Zondag 1, 1).

Laat ik een aantal zaken noemen, waarvan ik hoop en bid, dat die ons (of nu of in de toekomst) tot troost zullen zijn, bij het gaan over die weg, die niemand van ons ooit gegaan is, door het dal van de schaduw van de dood.
Ik noem ze u tot troost, als Goede Vrijdag troost.

In de eerste plaats: Zoals Christus sterft onder het oog van Zijn hemelse Vader, kinderen van God, zo zullen ook wij op Gods tijd sterven onder het oog van die God, Die om Christus’ wil ook onze God en Vader geworden is.
Veel mensen denken of zeggen: ‘Ik geloof voor na de dood in iets…, of in niets…’
Of: ‘Misschien is er wel een god…?’
Maar hoe zou je dan rustig kunnen sterven? Je ziel toevertrouwend aan…? Aan wie?
Aan niets? Aan iets? Aan een onbekende of onbereikbare god?
Nee, wie in Christus geborgen is, mag in geloof en vertrouwen zijn of haar ziel in vertrouwen en overgave overgeven aan de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

In de tweede plaats: zoals Christus leed en stierf met het Woord, zo ook leeft en sterft een christen met het Woord in het hart of op de lippen.
Zeker, anders dan Christus stierf. Maar toch, met woorden van David op de lippen, of met vergelijkbare woorden in het hart: In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij God der waarheid (Psalm 31:6).
Ons toevertrouwend aan een genadig en ontfermend God, Die om Christus’ wil ons genadig door de doodsjordaan dragen en in Immanuëlsland ontvangen zal.

In de derde plaats: Zoals Christus gelovig stierf, vertrouwend op de betrouwbaarheid van Zijn hemelse Vader, zo mag een gelovig christen zich in zijn sterven ook gelovig verlaten op God. En zeggen met Asaf: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart? Maar God is de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid (Ps. 73:26).

In de vierde plaats: Zoals Christus in Zijn sterven tevreden was met God, zo mag een stervend christen tevreden zijn met God en God alleen.
Alles zal ons ontvallen, we moeten alles achterlaten, maar we houden God in Christus over, en dus is er geen verlies. Als het leven ons Christus was, zal sterven winst zijn (Fil. 1:21)

In de vijfde plaats: Zoals Christus wist, dat bij Zijn sterven slechts één ding van waarde was, zo weet ook een stervend kind van God, dat slechts één ding van waarde is op het uur van ons sterven: onze ziel.
Ons geld is dan van geen waarde meer, ons bezit ontvalt ons, geliefden zeggen we vaarwel. Maar wat eeuwig blijft, is onze ziel, die we toevertrouwen aan genadige Gods handen.

In de zesde plaats: Zoals Christus in Zijn sterven overwon en bevorderd werd tot grotere heerlijkheid, zo is het ook bij een stervend christen. Onze dood is de dood van onze zonden, en de doorgang van lijden tot heerlijkheid.

Paulus zegt: Wij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen (1 Kor. 15:52-53).
De doodsjordaan is de weg naar de heerlijkheid. En de dood zelf zal ons er brengen.
Het leven was ons Christus? Dan is sterven gewin. Want met Christus te zijn, dat is zeer verre, dat is verreweg het beste (Fil. 1:23).
We zullen met Hem als koningen heersen tot in alle eeuwigheid (Openb. 22:5).
Gelukkig perspectief, blij vooruitzicht, voor een van ieder die in Christus geborgen is.
Het lijden van deze tegenwoordige tijd is niet te waarderen tegen de heerlijkheid, die aan ons zal geopenbaard worden (Rom. 8:18).
We zullen altijd met de Heere zijn (1 Thess. 4:17).

Wat is er nodig om zo te kunnen sterven?
Kort gezegd: dat u dit eerder gedaan hebt: Uw ziel gegeven in de handen van God.
Wie geborgen is in Christus, die weet van een tijd dat God hem of haar ontdekte aan de werkelijkheid, aan de werkelijkheid van een verloren bestaan voor God.
U geloofde het ontdekkende woord: Ik ben verloren, ik ben onrein. Mijn zonden zijn oneindig veel. Mijn schuld is hemelhoog. Mijn hart is zo hard als een rots en ik ben een vijand van God.
Totdat u door Gods genade ook iets die andere werkelijkheid mocht ontdekken. En de Heilige Geest uw ogen ging richten op deze lijdende en stervende Zaligmaker.
Hoe Hij de drinkbeker van Gods toorn dronk, hoe de hitte van Gods gramschap op Hem geblust werd, voor zondaren zoals u…
En u door Gods genade uw totaal verloren ziel voor het eerste mocht toevertrouwen aan God: ‘Om Jezus’ wil, Heere, ontvang en red mijn geest, mijn verloren hart.’
En dat bleef niet bij één keer. Ook in tijden van zorg en verdriet, in tijden van strijd en aanvechting, van twijfel en ongeloof, van ziekte en rouw, mocht u opnieuw en steeds meer uw arme ziel in Zijn handen bevelen; alle hoop op uzelf opgeven en op Zijn genade alleen vertrouwen.

Alleen wie zo met God geleefd heeft, kan in vrede sterven. En die onbekende weg gaan, waarvan het einde onherroepelijk is.

Er zijn twee grote dagen, twee hoogtijdagen in het leven van een oprecht christen. Deze dagen, en leg uw hart en uw levensgeschiedenis daar maar naast:
Als eerste de dag, dat we met al onze al onze zonden en schuld tot Jezus vluchtten, en genadig ontvangen werden door de Zaligmaker van zondaars, Jezus Christus.
En als tweede de dag, dat we onze gelovige ziel mogen toevertrouwen aan God, roepend met Stefanus: Heere Jezus, ontvang mijn geest, en tot God genomen worden
(Hand. 7:59).

Laat ik, gemeente, nog paar dingen zeggen.
Laat ik als eerste een paar lessen trekken, uit wat gezien hebben.
Daarna woorden van waarschuwing richten tot die mensen, die nog buiten Christus zijn.
En daarna als derde eindigen met woorden van troost.

Een paar lessen uit wat we tot nu toe gezien hebben.
In de eerste plaats moeten we hier op aarde leven in het voortdurende besef dat ons einde nadert. Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur (Jak. 4:14).

In de tweede plaats moeten we in de tijd dat we nog leven, niet de dingen van de aarde zoeken, maar de dingen die boven zijn. Zoals Paulus zegt: Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God (Kol. 3:2-3).
Onze wandel moet in de hemelen zijn (Fil. 3:20). En onze ziel moet niet verkleefd raken met de dingen van deze wereld.

In de derde plaats: Als we weten dat onze ziel onsterfelijk is, en als we leven in de verwachting van een betere erfenis, dan moeten we onze ziel bijzonder bewaren voor de zonde.
Zoals de Spreukendichter zegt: Behoed uw hart boven al wat te bewaren is (Spr. 4:23).
Zoals de apostel Judas zegt: Bewaart uzelven in de liefde Gods (Judas 1:21).
We moeten biddend werk maken van onze heiligmaking, om die uit Christus te krijgen.
Want zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien (Hebr. 12:14).
Een van onze oudvaders zegt: Het zoeken om heilig te zijn, is onafscheidelijk verbonden aan een gegronde verwachting van de zaligheid.
Want in de hemel zal niets inkomen dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt, maar (alleen) die geschreven zijn in het boek des levens des Lams
(Openb. 21:27).

In de vierde plaats moeten we, als we weten dat ons stervensuur nadert, in navolging van Christus ook vrijwillig bereid zijn om te sterven.
Omdat we vast geloven in het leven na dit leven. En omdat we weten dat we dan onze ziel gelovig mogen toevertrouwen aan God.

b. Laat ik vervolgens ook woorden van waarschuwing meegeven aan u, die nog onbekeerd en buiten Christus bent.
Laat iedereen van ons ervan overtuigd zijn, dat het moment van ons sterven onafwendbaar is. We moeten allemaal sterven.
We zien en horen het ook om ons heen: Het leven is een damp, de dood wenkt ieder uur.
Binnenkort kan de dood ook aan uw deur kloppen. U bent vandaag dichter bij uw dood, dan dat u dat ooit geweest bent.
Duw de gedachte daaraan niet weg!
Gedenk te sterven!
Schik u om uw God te ontmoeten! (Amos 4:12)

Maar wat is uw toestand uitermate ellendig, ik bedoel die van u, die vreemdeling van genade bent. U hebt geen Zaligmaker voor uw zonden, geen verzoening voor uw schuld, geen vrede met God.
In Uw handen…
Verschrikkelijke gedachte! Niet in ontfermende handen, maar in rechtvaardige handen.
Vreselijk is het, te vallen in de handen van de levende God (Heb. 10:31).
Alles moet u achterlaten: uw huis, uw bezit… Alles…
Uw geliefden ontvallen u…
O, wat een verschrikkelijke gedachte: alleen verder te moeten.
Alleen door die onbekende weg. Onherroepelijk op weg naar de grote ontmoeting met God. Maar zonder hoop, zonder geloof, zonder moed, zonder houvast.
O, zie toch vandaag uw ellendige toestand eerlijk onder ogen. Erken en belijd uw zonde en schuld. En bid uw Rechter om genade!
En zie op Hem, op deze gekruisigde en stervende Christus. Zie op Hem en word behouden (Jes. 45:22).
Wie destijds (als was het in het stervensuur) op de verhoogde koperen slang zag, die werd genezen (Num. 21: 9). Zie dan toch nu op Hem, de van de aarde verhoogde Christus, hangend aan het kruis, en word behouden!

U, die zo rustig doorleeft, uw tijd vliegt voorbij. De dood kan zo snel op u afkomen!
Alleen als uw ziel gered is, bent u veilig voor deze tijd en voor de eeuwigheid die komt.
Lieve mensen, leef toch in het besef van de komende eeuwigheid.

c. Laat ik afsluiten met woorden van troost.
Laten degenen die geliefden door de dood aan hen zagen ontvallen niet overmatig verdrietig zijn.
Als uw kind, uw ongeboren kindje, uw vrouw of man, uw vader of moeder, je opa of oma, je broer of zus in de Heere ontslapen is, wees dan niet al te verdrietig.
Als zij onze tranen vanuit de hemel konden zien, zouden ze verbaasd zijn. Hun verdriet is voorbij, hun tranen zijn gedroogd, eeuwige blijdschap is op hun hoofd (Jes. 51:11).

Verder, kinderen van God, nu Christus ons zo voorgegaan is in de dood, nu Hij als eerste voor ons weg gebaand heeft, door de dood tot het leven, nu is er voor ons geen reden meer om overmatig bang te zijn.
Ons sterven, zegt de catechismus, is geen betaling van onze schuld. Die is betaald.
Het is een afsterven van de oude mens (HC, Zondag 16, 42).
Het graf is voor ons een kleedkamer om het kleed van de zonde af te leggen. Met ons sterven, sterft onze grootste vijand: de zonde.
En ons sterven is tegelijkertijd opstanding van de nieuwe mens. Als Johannes in het boek Openbaring denkt aan de dood, en in gedachte blikt in een open graf, dan zegt hij: dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deelheeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht (Openb. 20:6).
Want na de dood is het leven ons bereid. Het eeuwige, zalige hemelleven. Met Christus te zijn, is toch verreweg het beste?

En daarbij, is het geen troost, dat ons geloof de vaste grond is van de dingen die we hopen, hoewel we ze nog niet zien?
Ons geloof blikt, terwijl we ons vasthouden aan Christus en aan Zijn onfeilbare woord toch over het graf heen? Als we zingen: Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, zo is God de Rotssteen mijns harten en mijn Deel in eeuwigheid (Ps. 73:26).

Als we ons nu al, terwijl we Christus nog niet zien, maar wel geloven, verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, hoe zal het dan straks zijn? Als we aan andere kant van de dood wakker worden en Hem zullen zien? Van aangezicht tot aangezocht? Hem, Die ons zo uitnemende heeft liefgehad? Christus Zelf zal de hemel van de hemel zijn.
Wij zullen altijd met de Heere zijn (1 Thes. 4:17).

Geliefde medechristenen, oprecht gelovigen in de Heere Jezus Christus, heb goede moed.
We hebben een enige troost in leven en sterven. We zijn gekocht met het bloed van de Zaligmaker. We hebben een vaste grond buiten ons, in de stervende en opgestane Christus.
Ons leven wordt gedragen door Gods trouw. Hij houdt ons staande in alle moeite en verdriet. En dat zal in ons stervensuur niet anders zijn.

Er is in ons leven een unieke zekerheid, voor de een ligt het duidelijker dan voor de ander, maar ieder van ons kent daar iets van: van de zekerheid buiten ons, in deze Christus. Die Zijn en onze ziel op deze Goede Vrijdag vrijwillig toevertrouwde aan Zijn Vader.
En als dat zo is, en dat is zo, dan zal Hij ons straks ook tot Zich nemen in heerlijkheid.
Als onze voet wankelt, zal Hij ons dragen en redden. Want Hij kent de weg.
Al gaan we straks door het dal van de schaduw van de dood, we hoeven geen kwaad vrezen, want Hij zal met ons zijn. Zijn stok en Zijn staf zullen ons vertroosten (Ps. 23).
Hij zal ons tot Zich nemen, ons verwelkomen, ons omhelzen.
En dan zullen we eeuwig zeggen, wat we hier vaak met zucht, maar toch ook van harte zeiden (maar dan volmaakt en voor altijd): Het is mij goed nabij God te zijn (Ps. 73:28).

Als het sterven wordt (zo zegt de puriteinse dominee John Flavel), wordt de ziel door geloof in de armen van Christus geworpen, waar zij zal blijven tot in de eindeloze eeuwigheid.

Blij vooruitzicht dat ons streelt, we zullen ontwaakt Gods lof ontvouwen.
Hem, het Lam dat geslacht is en leeft tot in alle eeuwigheid, in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Zijn Goddelijk beeld (Ps. 17:8).

De drie-enige God zij daarvoor eeuwig lof.
Halleluja.
Amen.