Zoek de dingen die boven zijn · Preken Kolossenzen 3

Preek Kolossenzen 3:1-3: Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

PDF · Audio

YouTube player

Thema preek Kolossenzen 3: Zoek de dingen die boven zijn

Met Christus opgewekt:
1. Wat dat is
2. Wat daarbij hoort
3. Wat de reden daarvan is

Preek Kolossenzen 3: Zoek de dingen die boven zijn

Stel, jongens en meisjes, dat je vroeger in de stad Kolosse (we hebben een stukje gelezen uit de brief van Paulus aan de gemeente van Kolosse), stel dat je in die stad Kolosse op de markt een kind van de Heere was tegengekomen, een kind van God. En je had hem gevraagd:
‘Meneer, waar woont u…?’
Dan had hij vast gezegd: ‘Kind, ik woon hier, in Kolosse. Deze prachtige stad, dat is mijn thuis. Hoewel, jongen, wat bedoel je eigenlijk precies? Want dit is wel mijn thuis, hier woon ik wel, en ik heb het hier in de stad goed naar mijn zin, maar… aan de andere kant, ik voel me hier niet thuis… Ik voel me hier zo vaak een vreemdeling. Mijn echte thuis, lieve jongen, is ergens anders…’
‘Waar dan, meneer?’
‘Daar, in hemel… Het echte leven, jongen, is waar men Jezus ziet. Hij, mijn Heere en Zaligmaker is opgevaren naar de hemel. Hij is daar! Ik verlang er zo vaak naar om bij Hem te zijn. Ik zie zo uit naar de dag van Zijn terugkomst.’

‘Vroeger, jongen, was dat anders. Vroeger toen leefde ik (zoals Bijbel dat noemt) als een heiden. Maar op een gegeven moment, op Gods tijd, is uit Efeze hier in de stad Kolosse het Evangelie gekomen. En toen is er een wonder gebeurd. Voorheen leefde ik in duisternis (1:13), voorheen was ik vervreemd van God, ik was een vijand door het verstand in boze werken, dat wil zeggen door mijn zonden (1:21). Ik was gebonden door de macht van de duisternis.
Maar toen is er iets, toen is er veel, toen is alles in mijn leven veranderd.
De Heilige Geest heeft dat Woord gezegend. En daardoor ben ik tot bekering en geloof gekomen. Ik heb van de Heere een nieuw hart en een nieuw leven gekregen.
Ik ben, jongen, verlost door het bloed van Christus (1:14).’

Zo was het inderdaad gegaan in de gemeente van Kolosse.
Kolosse was een stad in Turkije. Zo’n 175 km ten oosten van Efeze. De stad lag in de provincie Frygië.
Je hoort voor het eerst in Handelingen 2 van mensen uit die provincie Frygië. Als de bezoekers van de Pinksterdag worden opgenoemd, dan zijn daar ook mensen bij uit Frygië en Pamfylië (Hand. 2:10).
Paulus is ooit op zijn zendingsreis langs Kolosse gekomen, maar de Heilige Geest had hem geen toestemming gegeven om daar het Woord van het Evangelie te brengen
(Hand. 16:6). Dat betekent dus dat de meeste mensen in de gemeente van Kolosse Paulus waarschijnlijk nooit persoonlijk hebben ontmoet.

Voorheen waren de meeste mensen uit de gemeente Kolosse heidenen. Dat wil zeggen: mensen die het Woord van God niet kenden, die niet wisten van God en van de Heere Jezus.
Voorheen waren de meeste mensen uit de gemeente heidenen, maar vanuit Efeze is het Evangelie ook in Kolosse gekomen, waarschijnlijk door het werk van Epafras.
Maar, zoals het nu ook nog steeds zo is, zo was het toen ook.
Het waren in die gemeente jonge christenen, die het Woord van God met blijdschap hadden ontvangen, die gebroken hadden met de wereld en met de zonde, maar toen… kwam er strijd.
En toen bleken de jonge christenen nog niet vast te staan in het Woord.
En dus werden ze gemakkelijk een prooi van de duivel.

Want zij dachten waarschijnlijk, en de mensen om hen heen zeiden waarschijnlijk: ‘Nu is God wel in je leven gekomen, maar het moet natuurlijk wel verder. Je moet beter, je moet perfect, je moet volmaakt worden! Je moet komen tot volheid! En daar moet je jezelf wel een handje bij helpen.’
Door? Nou, dan komen al die dwalingen: door filosofieën, door theorieën, door overleveringen, door ideeën van mensen (2:8), door nieuwe regels te maken van oude, ceremoniële wetten (2:17, 21), door proberen door te dringen tot geheimenissen, tot mysteries (2:18), door een leven van onthouding van eten en drinken, door een heel ascetisch leven (2:21), en ga zo maar door.
Hoe dan ook, doe je best! Dan ga je vooruit! Zoek verbetering in jezelf!
Doe je best ervoor! Dan kom je tot de volmaaktheid!
Verleiders, dwaallichten waren het, die de jonge christenen in de gemeente van Kolosse drongen tot (wat Paulus noemt) schijn en eigenwillige, eigenwijze godsdienst (2:23).

Daartegenover zet Paulus iets anders. Het leven van een kind van God ziet er, als het goed is, anders uit. Maar het is geen leven van werk-heiligheid, van verbetering die je zelf presteert, die je zelf werkt (vandaar dat woord werk-heiligheid). Het is geen leven waar je zelf iets mee verdient.
Maar, het is wel een leven in heiligheid, en een leven gericht op de hemel.

We zien het in onze tekst, in Kolossenzen 1:1-3. Daar lezen we Gods Woord als volgt:
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:
Met Christus opgewekt

We letten samen op drie aandachtspunten.
We letten als eerste op: Wat dat is.
Indien u dan met Christus opgewekt bent.
Als tweede op: Wat daarbij hoort.
Zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

En als derde op: Wat de reden daarvan is.
Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

Dus: Met Christus opgewekt:

1. Wat dat is
2. Wat daarbij hoort
3. Wat de reden daarvan is

Als eerste dus:

1. Wat dat is: Met Christus opgewekt

Jongens en meisjes, wat is er gebeurd met Goede Vrijdag? Wat is er gebeurd met Pasen?
Op Goede Vrijdag stierf de Heere Jezus aan het kruis. Met Pasen stond Hij op uit de dood.
En terwijl Hij dat deed, nam Hij al Zijn kinderen mee. De Bijbel zegt, als het gaat over Gods kinderen: Wij zijn met Hem gestorven. Dat deed Hij voor ons. Hij nam ons mee in Zijn sterven (Rom. 6:8). Wij zijn ook met Hem begraven. Dat deed Hij voor ons. Hij nam ons mee in Zijn graf (Kol. 2:12). En wij zijn ook met Hem opgestaan. Dat deed Hij voor ons. Hij nam ons ook mee uit het graf (Rom. 6:4).
Wij hadden door onze zonden verdiend om te moeten sterven. Maar Hij deed het voor ons. Wij hadden verdiend om daar, in het graf, altijd te moeten blijven. Maar Hij stond ook voor ons op uit de dood.

Dat heeft de Heere Jezus toen, destijds verdiend voor al Zijn kinderen.
Maar, toen waren wij er nog niet. Dat is bijna 2000 jaar geleden.
Dus doet de Heere nu nog iets. Nu geeft Hij dat, wat de Heere Jezus verdiend heeft, door Zijn Heilige Geest ook in ons hart.
Hij maakt ons dode hart levend. Hij laat ons opnieuw geboren worden.
En je snapt, jongens en meisjes, als iemand gestorven is en levend wordt, dan wordt het niet een beetje anders, dan wordt het helemaal anders. Dan wordt alles anders!
Dan wordt heel je leven anders.

Maar de vraag is (en daar gaat deze brief, en daar gaat deze tekst over): Hoe wordt het dan precies anders? En wat wordt er dan precies anders?
Want er waren toen mensen en er zijn nu nog steeds mensen, die zeggen: ‘Als je kind van de Heere geworden bent, dan moet je echt zorgen dat je leven er perfect uit gaat zien! Zorg dan bijvoorbeeld dat je helemaal alleen woont, en dat je niets meer van de wereld ziet. Neem afstand van alles, want dan word je vanzelf door je eigen inspanningen beter, volmaakt, perfect.
Alleen, jongens en meisjes, dat werkt niet. Om het zo te doen. Om het zo zelf te doen.
Want je kan wel in een hutje op de hei gaan wonen, maar het je neemt je zondige hart mee naar de hei. En dus lukt het daar ook niet.
En dus werden de jonge christenen in Kolosse misschien wel moedeloos.
Maar wat erger was, ze vergaten het werk van de Heere in hun hart.
Zo moet het dus niet. Zo wil de Heere het niet. Dat was echt een dwaling.

Wat zegt de Bijbel ervan? Wat zegt Paulus tegen de christenen in Kolosse?
We gaan het zien in ons tweede punt:

2. Wat daarbij hoort: Zoekt de dingen die boven zijn

Wat daarbij hoort? Bij een nieuw leven? Bij een leven als kind van God?
Zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God

Zoeken.
Een woord dat ons wijst naar de kern van wie we zijn, naar de kern van hoe we zijn.
We zijn zoekende mensen. Want er is iets in ons, wat onrustig is, wat niet tevreden is.
Dus zoeken we. Wij allemaal.
Maar de vraag is wat we zoeken. Het is denk ik goed, gemeente, omdat even goed met elkaar te analyseren. Laat ik het in een vraagvorm gieten: Wat is, denkt u, het grootste gevaar dat de gemeente, dat de christelijke kerk in deze tijd bedreigt?

Het vergeten van God.
Als ik dat zo zeg, denken we allemaal natuurlijk direct aan de mensen buiten de kerk of aan mensen die de kerk verlaten hebben. Maar we moeten kritischer naar onszelf kijken.
Natuurlijk, we geloven in God. We gaan ook naar de kerk. Maar in het gewone leven zijn we vooral druk met onze baan, met ons huis, met onze hobby’s, met ons uiterlijk, met onze vakanties en met zoveel andere dingen meer.
Zeker, we doen dingen die met God te maken hebben: we bidden voor ons eten, we lezen in de Bijbel, we vloeken niet, we gaan als kinderen naar een christelijke school en zondags gaan we naar de kerk.
Maar vaak zonder relatie met, zonder verlangen naar God.

Dat verlangen is er niet, of het wordt weggeconcurreerd door onze verlangens naar andere dingen. Naar geluk, gezelligheid, vriendschap, status, carrière, welvaart…
Geen dingen die per se zondig zijn, maar ze zijn wel gericht op deze tijd.
En God is er voor geval van nood.
Of herkent u dat niet…?

Kortom, we kijken naar beneden, naar nu, naar deze tijd. En niet of weinig naar boven. Nog steeds zoekend. Ja, want er blijft iets in ons dat onrustig is.
Maar we zoeken het meer in mooie dingen, in tastbare spullen, in materie, of in het beleven van dingen. In plaats van in het onzichtbare, in het verlangen naar en in het leven met God.
Alsof het leven hier, op aarde, is. En niet daar, in de hemel.
Terwijl we weten dat de Heere Jezus gezegd heeft: deze wereld gaat voorbij (Mat. 24:35).
En dat alles geldt niet alleen het leven van buitenkerkelijke mensen of van onbekeerde mensen. Dit is ook het grote gevaar voor degenen die de Heere vrezen.
De isolatie, de ascese zoals destijds in Kolosse, is in onze tijd verdrongen door (maar het is even misleidend!): genieten van.
Maar, als we kijken naar ons dagelijkse leven: Waar is God? Waar is ons verlangen naar Hem?
Kinderen van God, geliefde medechristenen, u wordt vooral aangesproken in onze tekst: Waar is God in ons leven? Op maandag, op dinsdag, op woensdag, op donderdag, op vrijdag, op zaterdag…?
Waar is ons verlangen naar God? Of is dit leven ons thuis? Is dit leven onze toekomst?

Vandaar de aansporing van Paulus in vers 1: Zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God.
Zoek die dingen! Verlang daarnaar! Zet uw gedachten daarop!
Dit zegt dus iets over de richting van ons hart. Dit zegt iets over ons verlangen: probeer dat te krijgen, probeert dat te bereiken!
Verlang naar en zoek naar de dingen die boven zijn. In de hemel. Waar Christus is, zittend aan de rechterhand van God.
Met andere woorden, zoek in plaats van al die dingen van nu, waar je zo fijn van kunt genieten, de dingen van de kerk, de dingen van school, de dingen van je hobby’s, je werk en je vrije tijd, zoek in plaats van dat alles de dingen van de hemel.
Welke dingen zijn dat?

Zoek naar, verlang naar, denk aan:
a. God Zelf. Nu Hij Zijn lieve Zoon voor ons overgaf tot in de dood en weer opwekte tot leven, met de bedoeling dat wij zouden leven tot Zijn eer, om Hem groot te maken…, zouden wij dan niet aan Hem denken en Hem zoeken?

Zoek naar, verlang naar, denk aan:
b. De Heere Jezus Christus. Nu Hij ons meenam in Zijn lijden, in Zijn sterven en in Zijn opstanding, zouden wij dan niet aan Hem denken en Hem zoeken?

Zoek naar, verlang naar, denk aan:
c. De engelen, de gestorven heiligen, het hemelse Jeruzalem, de kroon en de glorie hierboven.
Of is de woestijn van dit leven aantrekkelijker, dan wat achter de blauwe lucht boven ons voor ons nog verborgen is?

Als onze Liefste in de hemel is, zouden wij dan niet naar Hem verlangen?
Is het geen diepe belediging, geen minachting voor onze lieve Heere en Zaligmaker, dat we Zijn genade wel willen hebben om ons te redden van de ondergang, dat we wel een toegangsbewijs voor de hemel willen hebben, maar ondertussen meer naar de dingen hier beneden verlangen dan naar Hem?
Is dat dankbaarheid? Is dat een bewijs van een goed huwelijk, van wederzijdse liefde?

Want, zo zegt de Heere Jezus in Mattheus 6: Want al deze dingen zoeken de heidenen (moeten we daarop lijken?), want uw hemelse Vader weet dat gij al deze dingen behoeft.
Zoek de dingen die boven zijn. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.

Zoek de dingen die boven zijn.
En: bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Wat, dat is de vraag, wat domineert ons denken? Waar zijn we doordeweeks mee bezig?
Waarom, kinderen van God, geliefde medechristenen, waarom zo we druk met onze bankrekening, met onze spullen, met onze toekomst hier?
Hebben wij geen schat in de hemel? Waar onze schat is, daar moet ons hart toch ook zijn? (Luk. 12:34).

Bedenk de dingen die boven zijn.
Laat ons hart zijn, daar waar onze Heere is. Daar waar onze Hoop is, die voor ons weggelegd is in de hemelen (1:5).
Laten we zoeken naar hemelse deugden, naar geloof, liefde, ijver, barmhartigheid, vriendelijkheid, nederigheid, geduld en hoop.
Laten we de voortgang van het Koninkrijk der hemelen zoeken, de verspreiding van het Evangelie.
Laten we veel denken aan de hemelse heerlijkheid, aan het nabij God te mogen zijn.
Het heeft zoveel gekost om ons leven los te kopen, om ons door de dood mee te nemen tot het leven. Zullen we dan gewoon verder leven voor onszelf? Zullen we dan met de vrouw van Lot achteromkijken?
Heb de wereld niet lief, noch hetgeen in de wereld is; zo iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem (1 Joh. 2:15).

Laten wij, voordat wij verdergaan nu eerst samen zingen uit Psalm 119:10:
Ik ben, o HEERE, een vreemdeling hier beneên;
Laat Uw geboôn op reis mij niet ontbreken,
Daar mijne ziel, omringd door duisterheên,
Zo dikwijls van verlangen is bezweken,
Om U te zien ter hoge vierschaar treên,
Tot straf van hen, die snood zijn afgeweken.

Gemeente, we zijn bezig met ons tweede punt: wat daarbij hoort.
Wat hoort bij een nieuw leven? Wat hoort bij een wedergeboren mens? Die opnieuw levend gemaakt is met Christus, door het werk van de Heilige Geest?

Een nieuwe richting, een nieuw verlangen.
Naar boven gericht, en niet naar beneden gericht.
Zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Misschien zegt u: ‘Ja, daar schort het wel aan in mijn leven. Wat kan ik daaraan doen, om dat te veranderen?
Ja, de verleiding is om dat het derde punt van de preek te maken: Wat moeten wij daaraan doen?
Maar toch is dat niet logisch. En wel om twee redenen.
a. In de eerste plaats: Is er ooit iets terechtgekomen van wat wij deden, van wat wij presteerden?
b. En, in de tweede plaats, het gaat hier om de richting van ons hart, om verlangen, om liefde.
Hebt u ooit tegen uw man of vrouw gezegd: ‘Schat, wat moet ik doen om meer van je te gaan houden, om vaker aan je te denken?’
Zo werkt het niet. Doen leidt niet tot liefde. Liefde leidt tot doen.
Dus als u gericht bent op de dingen van de wereld nu, dan is dat een probleem van uw hart. Het is een probleem van liefde, een probleem van verlangen. En niet als eerste een probleem van uw doen. Uw hart is, waar uw schat is.
Ons derde aandachtspunt:

3. Wat de reden daarvan is: Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.

Waarom wij het hemelse moeten zoeken? Dit is de reden: Want u bent gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God.

Want u bent gestorven.
Uw verlangen naar de wereld, naar de dingen van nu, is gestorven. Of niet…
Dat is wat anders als wereldmijding.
Hier gaat het niet om het kiezen van een andere richting.
Het gaat hier om het afgestorven zijn aan ons oude ik, aan ons oude verlangen.

Ons oude ik is, als de Heere ons nieuw leven gegeven heeft, in het graf gelegd.
Ons oude verlangen is, als het goed is, gestorven en begraven.
Paulus zegt: De wereld is voor mij gekruisigd (Gal. 6:14). Die dingen raken mij niet meer. De dood van Christus heeft mijn oude verlangen gedood.

Helemaal?
Ja helemaal. Want je kunt niet half gestorven zijn.
Hoewel mijn oude ik, de zonde, de wereld en de duivel aan me blijven trekken.
Vandaar ook de opdracht in vers 5: Doodt dan!
U bent gestorven. Doodt dan! Of beter gezegd: Heb ze gedood!
Met andere woorden: dit kan niet samengaan. Genade is echt de nekslag voor een leven in de zonde, voor een leven alleen maar voor de dingen van nu.

Maar wel in die volgorde. Niet eerst: Dood je zonden in eigen kracht.
Nee, vind kracht in Christus om de zonden te doden. Zoals we zingen met de berijmde Tien Geboden: Gun door het geloof in Christus, aan mij krachten om die te doen.
Eerst de werkelijkheid van mijn dood in Zijn dood.
En dan in Zijn kracht, wat staat in vers 5: Doodt dan uw leden die op de aarde te zijn, namelijk:
Hoererij: seksuele immoraliteit, iedere vorm van seks (fysiek of digitaal) buiten het huwelijk.
Seksuele onreinheid: in denken, praten of doen.
Schandelijke beweging: onbeheerste lust.
Kwade begeerlijkheid: de begeerlijkheid van de ogen, die de ogen meetrekt naar het onreine, naar dat zondige.
En de gierigheid: het nooit tevreden zijn. Welke is afgodendienst.

Het gaat vooral, dat valt op, over seksuele zonden, over heidens verlangen.
Met als hoofdwoord aan het begin: porneia. Eigentijds gezegd: porno.
Om welke (zo vervolgt vers 6) de toorn van God komt over de kinderen der ongehoorzaamheid.

Als wij uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij aan Gods genade niet wanhopen.
Maar leven in deze of andere zonden, dat is onverenigbaar met een nieuw leven.
Want in Christus heeft de zonde, als het goed is, de nekslag gekregen.
En we worden opgeroepen tot strijd tegen de zonde, ja zelfs tot het doden van onze zonden.

Door de kracht van Christus.
Kijk maar: want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.
U bent opgeborgen in Hem. Van eeuwigheid verkoren in Hem. Een geworden met Hem, in Zijn dood en in Zijn opstanding. Door de Heilige Geest aan Hem verbonden.
En geborgen in Hem. En dus: buiten het bereik van de macht van de hel.

Met Christus verborgen in God.
Ons leven, kinderen van God, geliefde medechristenen, kent een diep geheim.
De bron van ons leven ligt in God. Verankerd in God.
In God, met God, bij God. Ons verlangen, onze lust, ons leven is God.
En omdat dat zo is, daarom moeten we leven (en dat is ook ons verlangen) in nauwe gemeenschap, in persoonlijke omgang met God.

We moeten ons graf verlaten.
We moeten breken met onze oude zonden. Met de seksuele zonden van vers 5. Met de zonden van vers 8 en 9: gramschap, toornigheid, kwaadheid, lastering, vuil spreken uit onze mond (roddel dus), leugen en bedrog.
En leven in een leven met Christus, verborgen in God.

Dat is niet hetzelfde als dagelijks even een vluchtige blik in je Bijbel slaan en even snel bidden. Het is wat ons Doopformulier noemt: de Heere aanhangen met een waarachtig geloof, met vaste hoop en met vurige liefde.
Het is: leven met de woorden van de dichter als de praktijk van ons hart: Wie heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten?
Het is: ons met Hanna verheugen in de Heere (1 Sam. 2:1).
Het is: ons vermaak zoeken in de dingen van de hemel.
Het is het zoeken van hemelse gaven, zoals die beschreven staan in vers 12 tot en met 16 van ons teksthoofdstuk: Zo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden, de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid. Verdragende elkander en vergevende de een den ander, zo iemand tegen iemand enige klacht heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet ook gij alzo.
En boven dit alles doet aan de liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.
En de vrede Gods heerse in uw harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar.
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende de Heere met aangenaamheid in uw hart.
Want: u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

Met Christus, in God. En dus buiten gevaar.
Want God zal ons bewaren in alle verzoeking en verleiding (2 Tim. 1:12).

Het is niet zo dat ons proberen, ons strijden, ons doen, ons beschermt tegen de zonden die genoemd zijn. Want waar ligt de kracht van een nieuw, van een heilig leven?
In dit: in Christus verborgen met God.
In dat verborgen leven met God, in die nauwe betrekking op de Zaligmaker.
Die band van liefde en geloof, die de Heere werken wil, die bewaart voor de zonde.
Als we leven, kinderen van God, geliefde medechristenen, bij de Bron en putten uit Zijn kracht. Dan wordt Gods kracht in onze zwakheid volbracht. Dan worden we door de kracht van God bewaard tot de zaligheid (2 Kor. 12:9, 1 Petr. 1:5).
Alles draait om leven in innige verbondenheid met Christus. Om leven met Hem.
Als Hij ons opgewekt heeft uit onze dood, als Hij ons levend gemaakt heeft met Hem, dan zijn we verlost van de vloek van de wet. En dan worden we ook door Zijn kracht gebracht tot en bewaard bij een leven van heiligmaking. Maar zonder Hem, is alles hopeloos.

Gelukkig leven, als ons leven een leven met Christus is.
Zoals Paulus zegt in Galaten 2: 20: Ik ben met Christus gekruist (mijn oude mens is gedood), en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. En dat, en dat alleen houdt me weg van de zonde.
En hetgeen ik nu in het vlees leef, dat leef ik (niet in eigen kracht, maar) door het geloof des Zoons van God, die mij liefgehad heeft en Zichzelf voor mij overgegeven heeft.

Dat leven maakt ons voor de wereld gestorven.
Dus doet ook het verdriet van de wereld ons minder pijn. Want ons eigenlijke leven ligt in een andere wereld. Ja, als er tegenspoed is, mogen we, als de Heere ons dat geeft, ons met Habakuk zelfs in de Heere verblijden (Hab. 3:18).

U zegt: ‘Ja, dat moet een mens allemaal maar gegeven worden.’
Zegt de Heere Jezus dat ook, als Hij zegt: Zoek eerst het Koninkrijk van God?
Zegt Paulus dat hier ook, als hij zegt: Zoek de dingen die boven zijn?
Waarom zegt u het dan wel? Terwijl u gewoon doorgaat met dat verlangen naar de dingen van nu?
Gebruik toch niet uw dogmatiek als een zelfmoordwapen. Neem de waarschuwing toch ter harte. Bekeer u! Ga zo niet verder!
Breek met uw zonden, met u verkleefd zijn aan de dingen van deze aarde. En geef God niet en nooit meer de schuld van uw ongeloof.
Stop met het vullen van uw tijd met de dingen van nu. Houd ermee op! U besteedt uren aan van alles en nog wat. Maar ga nu toch bidden! En blijf bidden!
Probeer er ook niet alsnog wat van te maken, want er valt niets meer van te maken.
Ga niet werken om genade te verdienen. Genade is gratis en Christus kunt u krijgen.
Kom, en buig met al uw onmacht, onwil en vijandschap aan Zijn voeten. En roep, net zo hard en net zo lang, totdat God u genadig zal zijn. Geef uw verloren hart aan Christus. Dan geeft u Hem werk, dan geeft u Hem eer. Hij zal uw dode hart tot leven wekken.

Kinderen van God, geliefde medechristenen, indien (u wel) met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

Met Christus verborgen in God.
Totdat, zo zegt vers 4: Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zullen ook wij met Hem, na alle strijd en lijden, geopenbaard worden in heerlijkheid.
Als de Bruidegom komt, springend over de bergen, huppelend over de heuvels, dan is de strijd voorbij. Dan is de zonde voorbij. Dan zullen we eeuwig met de Heere zijn.
Vertroost elkaar met deze woorden. En zie verlangend uit naar Zijn komst!
Denkend aan Zijn laatste woorden: Ik kom haastelijk (Openb. 22:2).
Ja, kom, Heere Jezus.

Amen.

Links bij preek over Zoek dingen boven zijn (Kolossenzen 3)
Alle dingen schade en drek achten (Filippenzen 3)
Gevoelen in Christus Jezus (Filippenzen 2) – bevestiging
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Kolossenzen 3