/ / Preek Zondag 11: Naam is Jezus, Zaligmaker

Preek Zondag 11: Naam is Jezus, Zaligmaker

Download PDF

PDF LEESPREEK

Audio

Video

Preek Catechismus Zondag 11  | Ds. J. IJsselstein
Preek Catechismus Zondag 11 | Ds. J. IJsselstein

Leespreek online

Jezus, Zaligmaker van zondaren
Ds. J. IJsselstein – Heidelbergse Catechismus Zondag 11

Gemeente,
De preek van vanmiddag gaat over Zondag 11. Laten we de twee vragen en twee antwoorden van Zondag 11 samen lezen.

Zondag 11, vraag 29. Waarom wordt de Zoon van God Jezus, dat is Zaligmaker, genoemd?
Antwoord: Omdat Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost; daarbenevens, dat (dat wil zeggen: en verder omdat er) bij niemand anders enige zaligheid te zoeken of te vinden is.

Zondag 11, vraag 30. Geloven dan die ook aan de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken?
Antwoord: Nee zij; maar zij verloochenen met de daad de enige Heiland Jezus, ofschoon zij met de mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is.

Thema preek zondag 11: De Naam Jezus

Er zijn twee aandachtspunten:
1. De betekenis van Zijn Naam (zondag 11, 29)
2. De verlossing door Zijn Naam (zondag 11, 30)
Als eerste dus:

1. Betekenis Naam Jezus

Jongens en meisjes, iedereen van ons heeft een naam. Dat is handig, als iemand iets tegen je zegt, als iemand je iets wil vragen, of als iemand je roept.
Maar met de betekenis van bepaalde namen doen we niet zoveel meer.
Dat was vroeger anders. De kinderen in Israël kregen heel bewust een naam met een betekenis.
Hanna noemde haar zoontje Samuël. Want, zei ze: ‘ik heb hem echt van de Heere gebeden.’
En dat klopte ook.
Hoewel, de betekenis van die namen klopte niet altijd. De vader van Judas, noemde zijn zoontje ‘Godlover’. Maar hij werd uiteindelijk de verrader van de Heere Jezus. Dus, het klopte niet altijd met de betekenis van die namen.

Bij één Iemand klopte het wel, helemaal. Zijn Naam was zoals Hij was, en Zijn Naam is zoals Hij is: Jezus.
De engel Gabriël had die Naam al voor Zijn geboorte gezegd tegen moeder Maria: ‘En zie, u zult bevrucht worden en een Zoon baren en zult Zijn Naam heten Jezus’ (Lukas 1:31).

En tegen Jozef zei de engel in de droom: En zij zal een Zoon baren, en u zult Zijn Naam heten Jezus; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mattheüs 1:21).
Dit is de mooiste naam, die iemand ooit op aarde gekregen heeft: Jezus. En Hij is echt zoals Hij heet!

Want, wat betekent die Naam eigenlijk? En, hoe is Hij dan echt?
Dat heeft de engel gezegd: Jezus, dat wil zeggen: Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden.
Jezus betekent Zaligmaker, Zaligmaker van zondaren.
Dat moet je, jongens en meisjes, goed proberen te onthouden van deze zondag. Jezus betekent, zo zegt Zondag 11, Zaligmaker!

Hij verlost van de zonde.
Zonde, wat is dat eigenlijk? Zonde betekent letterlijk: doel missen.
Toen God ons schiep in het paradijs, was dat met het doel, met de bedoeling dat wij God zouden dienen, liefhebben, eren en vrezen.
Maar, dat hebben wij niet gedaan. We hebben tegen God gezondigd. Daar hoor je dat woordje ‘zonde’ ook al in. We hebben gezondigd. We hebben niet geluisterd naar Gods gebod.

De zonde, dat is het ergste wat er op aarde is.
Er zijn heel veel erge en nare dingen. Zeker de laatste tijd. Misschien zeg je wel: ‘Soms kan ik er niet van slapen, ik word er helemaal bang van. Ik hoor over oorlogen, over mensen die andere mensen vermoorden, over erge ziektes, over aardbevingen. En er zijn ook zo veel erge dingen waar ik in de kerk over hoor, over de dood, de duivel en de hel.’ Maar één ding, jongens en meisjes, is het allerergste. Veel erger dan al dat andere: mijn zonde tegen God.
En al die andere narigheid, waar je misschien wel vaak aan denken moet, die is het gevolg van onze zonde tegen God. Al die narigheid komt door onze zonde! De zonde is het allerergste van alles.
Wat is eigenlijk het allermooiste van dit leven?
Je zegt misschien: ‘Gezondheid, of rijkdom, of heel veel geld, of mooie spullen?
Misschien is het vrijheid, vrede?’ Je zegt: ‘Misschien bedoelt u naar de kerk gaan?’
Ja, dat is ook mooi. Maar weet je wat echt het allermooist is voor dit leven? Dat het weer goed komt tussen God en ons hart.
Verzoening met God. Ken je dat woord nog? Dat woord ver-zoen-ing, daar zit het woord zoen in. Als je elkaar een zoen, een kus geeft, dan is dat een teken: alles is goed. Verzoening betekent: het is weer goed met God. Er is weer vrede gekomen met God.

Dus: het ergste is de zonde: de band met God is verbroken.
Het mooiste is verzoening, vrede met God: de band is hersteld, het is weer goed gekomen.
Je zegt: maar kan het dan weer zover komen?
Ja, zegt de Catechismus in Zondag 11, want de Zoon van God heet Jezus, omdat ‘Hij ons zalig maakt en van al onze zonden verlost.’
Hij maakt ons zalig. Hij verlost ons van het grootste kwaad: van de zonde. En Hij brengt ons tot het hoogste geluk, tot het hoogste goed: de vrede met God.

Weet je wat mij opvalt? De naam Jezus vertelt precies wat Hij doet.
Het is een heel mooie naam. Maar het is ook een heel eerlijke naam. Hij heet niet: grote Gelukbrenger, of Hemelverdiener. Maar Zijn Naam wijst heel eerlijk naar… naar onze zonden. Want Hij heet Zaligmaker van zondaren.

En dat is ook nodig. Wat ik heb geen Zaligmaker nodig, als ik mijn zonde niet ken.
Hij is een eerlijke Zaligmaker.
Denk maar aan de Samaritaanse vrouw. De Heere Jezus zegt haar ‘alles wat ze gedaan heeft’, door heel eerlijk naar haar zonden te wijzen. Hij wijst heel eerlijk de zonden van haar leven aan.

Wat dat betreft lijkt de Heere Jezus (zo zou je kunnen zeggen) op een dokter. Hij noemt zichzelf ook ‘Medicijnmeester’, dat wil zeggen: dokter.
Als je nooit ergens last van hebt, dan ga je niet naar een dokter. Als je niet ziek bent, dan heb je geen dokter nodig, zeggen we.
Zo zijn er heel veel mensen, ook heel veel kinderen, die de Heere Jezus niet nodig hebben. Want ze hebben nergens last van. Ze hebben helemaal geen last van hun zonden.
Nou, waarom zou je dan naar de Zaligmaker van zondaren toegaan?
Ja, dan kan je wel over Hem praten, dan kan je wel van Hem zingen, maar dan betekent Hij eigenlijk helemaal niets voor je.

Wat doet een dokter eigenlijk, als je wel ergens last van hebt, als je ziek bent en je naar hem toe gaat?
Nou, de dokter stelt vragen. Hij zegt: ‘Waar heb je last van? En hoe is dat gekomen? En wanneer is het begonnen? Heb je misschien iets verkeerds gegeten?’
En daarna gaat de dokter je onderzoeken. Hij zegt: ‘Waar zit de pijn? Wijs het eens aan?’ En hij drukt eens hier en daar in je buik.
En dan zegt hij misschien wel heel eerlijk: ‘Je hebt een blindedarmontsteking, je moet geopereerd worden.’
Je zegt: ‘Dokter, kan het ook met een tabletje, of met een drankje, of met een zalfje?’ ‘Nee’, zegt die eerlijke dokter, ‘het moet echt, je moet echt geopereerd worden.’

‘Heere, is er een zalfje voor mijn hart?’
‘Nee, je moet echt een nieuw hart hebben. Je hart is zo slecht, zo zondig, dat is niet meer beter te maken. Het komt alleen maar goed, als Ik je een heel nieuw hart geef, als Ik je een heel nieuw mens maak.’

Maar, weet je wat nu zo gelukkig is?
Deze Dokter, deze Zaligmaker, waarover het gaat in Zondag 11, zegt nooit: ‘Helaas, jij bent eigenlijk te erg voor Mij.
Jouw kwaal is zo erg, daar kan Ik helemaal niets aan doen. Helaas! Niets aan te doen.’
Dat zegt deze Dokter nooit.
Luister maar, de Catechismus zegt in Zondag 11: Hij verlost ons van al onze zonden.
Deze dokter is wel heel radicaal.
Je zegt: ‘Dokter, mag de helft van mijn blindedarm blijven zitten?’
‘Nee, zegt hij, ‘die blindedarm gaat er helemaal uit.’
‘Heere, mag ik één zonde houden, want daar houd ik zo van? Mag ik die diep in mijn hart verstoppen?’
‘Nee, onmogelijk. Je moet van al je zonden verlost worden.’

Jezus verlost van zonden.
Bij verlossing denk je aan? Aan een gevangenis, of aan iets wat heel erg zwaar en moeilijk is voor je.
En dat is ook zo. Als God je laat zien wat zonde is, als je gaat zien dat je tegen God gezondigd hebt, dan wordt dat een zware last voor je. Dan wordt dat als een zwaar pak op je rug. Net als bij die man uit het boek ‘De Christenreis’ van Bunyan.
Dan zeg je: ‘Heere, ik heb gezondigd. Ik heb de geboden van U niet gehouden. Ik heb ze allemaal overtreden, door mijn zonden van ongeloof, van ongehoorzaamheid, van
ondankbaarheid, van liefdeloosheid, en van nog veel meer.’
Als je die zonden ziet, dan doet dat ook pijn vanbinnen.
Het is ook niet voor niets, dat de Heere Jezus Zichzelf een Dokter noemt!
Heb jij wel eens pijn in je hart? Ik bedoel: heb jij wel eens diep verdriet in je hart, omdat je tegen God gezondigd hebt?

Veel mensen, die zulke pijn van binnen voelen, veel mensen die iets van hun zonden zien, gaan van alles en nog wat beloven aan de Heere.
Ze zeggen: ‘Ik heb een hemelhoge schuld en er moet voor al mijn zonden betaald worden, maar, Heere, ik zal heel erg mijn best doen om alles aan U te betalen. Ik zal heel erg mijn best doen om een beter mens te worden. Ik zal heel erg mijn best om van nu af aan al Uw geboden echt te houden!’
Wat wordt je daar moe van. Aan de ene kant van dat zware pak van je zonden, en aan de andere kant van dat eindeloos je best doen om jezelf beter te maken, terwijl het helemaal niet lukt.
Andere mensen, die last krijgen van hun zonden, denken: ‘Ja, maar wacht even, ik heb wel tegen God gezondigd, maar er is meer. Ik ben ook altijd een ernstig mens geweest. Ik heb altijd heel veel gebeden. Ik ben niet zo onverschillig als andere mensen. En soms heb ik, als ik in de kerk zit te luisteren naar de preek zelfs tranen in mijn ogen. Laat ik nog meer dan voorheen, nog beter dan in het verleden mijn best doen!’
Er zijn zelfs mensen, die nooit verder komen dan dat. Ze zoeken het en ze blijven het zoeken bij (zoals de Catechismus dat zegt in Zondag 11), bij zichzelf.
En dat is levensgevaarlijk!
Je hebt een dodelijke ziekte, je weet het, het is je verteld en je voelt het, maar je gaat niet naar de dokter. Je wilt niet naar de dokter, want je wilt het zelf proberen op te lossen.
Dat kan je dood worden.
Dat wordt onherroepelijk je dood!

Want, zo zegt de Catechismus in Zondag 11: bij niemand anders is enige zaligheid te zoeken of te vinden.
Dat is scherp, dat is heel scherp! Want dat keurt alles, wat wij doen en wat wij hebben, af!
Doe alles wat je zelf probeert en wat je zelf denkt te hebben maar in de vuilnisbak.
Want niemand kan ooit iets verbeteren aan zijn eigen hart. Hoe je je best ook doet, het komt nooit goed!
Nee, dat is geen theorie, dat is praktijk. Dat gebeurt. Dat ga je zien, als God werkt in je hart.
Wat? Dit: dat alles van jezelf, zelfs het beste wat je denkt te hebben, in de kliko mag.
Denk maar aan wat Jesaja zegt:
Doch wij allen zijn als een onreine, en al onze gerechtigheden zijn (het beste van ons is) als een wegwerpelijk kleed (Jesaja 64:6)
Het is voor mij, zegt Paulus, allemaal schade (geen winst, maar verlies), schade en drek (vuilnis, te vies om aan te pakken) (Filippenzen 3:8).

Je zegt: ‘Maar wat heb ik dan wel? Als al het goede van mij eigenlijk nergens toe deugt?
Als dat allemaal bij het vuilnis kan?
Wat je dan wel hebt? Niets, niets dan zonde.
Je zegt: ‘Wat moet ik dan doen?’
De Catechismus zegt het in Zondag 11 heel duidelijk en heel eerlijk: Er is zaligheid, maar die is alleen te zoeken en te vinden bij de Zaligmaker!

Wat klinkt dat tegelijkertijd als een hartelijk welkom bij de hemelse Dokter: ‘Kom nu toch naar Mij toe! Zoals Hij Zelf gezegd heeft: Kom herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt. Vermoeid van al dat zelf proberen, en belast onder die zware last van zonde en schuld. Kom herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik(!) zal u rust geven (Mattheüs 11:28). Kom, u die belast bent met het loodzware pak van de zonden op uw rug, u die moe bent van al dat werken, van al dat proberen, van al dat reformeren, terwijl het allemaal maar niet lukken wil, kom tot Mij!
En vertel Me van uw kwaal. Vertel Me van je zonden.
Zeg het tegen Mij: waar heb je last van? Want Mijn Naam is Zaligmaker. En Mijn liefste werk is, dat Ik verlos van het grootste kwaad en verloren mensen terugbreng bij God.

Wat krijgt de Naam Jezus waarde voor mensen die niet meer weten, hoe ze het zelf ooit nog goed moeten krijgen. Als de Heere al onze wegen gaat blokkeren om ons heen te dringen naar die weg, waar we diep in ons hart vijand van zijn. Want we willen het o zo graag zelf doen.
En wat is het een zegen van de Heere en wat gloort er hoop en verwachting, als Hij Zelf in het leven van zo’n vermoeide zondaar (die niet meer werken kan) licht laat vallen op deze Jezus. Als de Heere Zelf Hem laat zien aan een dodelijk vermoeid hart.
Als God Zelf in de nacht van onze zonde-overtuiging tot onze ziel gaat spreken:
Al waren uw zonden als scharlaken (en dat zijn ze!), ze zullen wit worden als sneeuw.
Al waren zij rood als karmozijn (en dat zijn ze!), ze zullen worden als witte wol.
U kunt uzelf nooit meer schoon wassen. Maar Ik zal het doen! (Jesaja 1:18)

Hoe kan dat eigenlijk, jongens en meisjes?
Je zegt: ‘Is God dan niet boos, niet vertoornd, niet beledigd vanwege onze zonde?’ Jazeker! We hebben het eerder ook gezien, dat God de zonde moet en wil straffen. Want Hij is heilig en rechtvaardig.
Maar Hij heeft de zonde gestraft. En daarom is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1).
Voor Gods kinderen, voor mensen met een nieuw hart geldt: De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, op Jezus. Hij heeft voor ons de straf gedragen, toen Hij vrijwillig de beker van Gods toorn, die wij hadden moeten drinken, voor ons leeg dronk, toen Zijn lichaam door God gebroken werd aan het kruis op Golgotha.
Eer God de zonden ongestraft liet blijven, heeft Hij die gestraft aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus aan het kruis. Daarom geldt voor al Gods kinderen: de hitte van Gods gramschap is geblust.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Verlossing door Naam Jezus

We lezen nog een keer vraag en antwoord 30.
Vraag 30 van Zondag 11 zegt: Geloven dan die ook aan (of: in) de enige Zaligmaker Jezus, die hun zaligheid en welvaart bij de heiligen, bij zichzelf, of ergens elders zoeken?
Het antwoord zegt: Nee zij; maar zij verloochenen met de daad de enige Heiland Jezus, ofschoon zij met de mond in Hem roemen; want van tweeën één: óf Jezus moet geen volkomen Zaligmaker zijn, óf die deze Zaligmaker met waar geloof aannemen, moeten alles in Hem hebben, dat tot hun zaligheid van node is.

De vraag is eigenlijk heel simpel: Jezus, Zaligmaker?
Ja, goed, maar mogen we Hem en Zijn werk misschien ook combineren met iets anders?
Rooms-katholieke mensen zeggen: ‘Mogen we het werk van de Heere Jezus misschien combineren met de goede werken van onze heiligen? Misschien kan de heilige Petrus, de heilige Johannes of de heilige maagd Maria onze tekorten aanvullen?’
En wij zelf zeggen (of we denken het): ‘Zouden we het werk van de Heere Jezus misschien niet kunnen combineren met iets van onszelf? Want wij zijn toch nette kinderen, nette mensen, nette leden van de Gereformeerde Gemeenten, mensen die bidden, die uit de Bijbel lezen, en die Gods geboden proberen te gehoorzamen?
We vloeken niet, we stelen niet, we plagen geen andere kinderen?’
‘Misschien kan ik zelf op zijn minst iets betalen. Als ik 100 euro moet betalen, als ik 100 euro schuld hebt, zou ik dan niet (nee, ik kan niet alles betalen, maar), zou ik dan niet 10 euro zelf kunnen betalen, uit mijn spaarpot?’

Heel veel mensen denken zo. Eigenlijk zouden we wat ons betreft allemaal graag zo zalig willen worden.
Want, alleen een Zaligmaker, Die mij van mijn zonden verlost?
Ja, maar als ik daar dan heenga, dan wil ik wel iets meenemen. Dan wil ik iets meenemen, waarvan ik kan zeggen: ‘kijk, Heere, dat is voor U!’
‘Kijk, Heere, ik ben een gevoelig mens, ik huil wel eens tranen, ik ben ernstig, ik ken mijn zonden, ik heb er berouw over, en ik ken ook iets van de ervaringen van Gods kinderen.
En mijn eigen inzet en ijver liegen er ook niet om.’
En door dat alles, zo denk ik, door dat alles ben ik tenminste een beetje beter, een beetje geschikter voor de Zaligmaker, meer dan andere mensen die slechter zijn dan ik.

Want, als je in het gewone leven naar de dokter gaat, dan neem je toch ook zelf een medicijnkoffer en een verbanddoos mee? Of niet soms?

De Catechismus Zondag 11 zegt: Nee! Dat is onmogelijk! Dat is verloochening van de enige Heiland, van de enige Redder Jezus. Dat is de diepst denkbare belediging voor deze hemelse Dokter!
Als je naar een dokter gaat, dan zeg je: ‘Dokter, help me, ik ben ziek.’
Wie naar de Heere Jezus toegaat, wie tot Christus vlucht, die mag zeggen: ‘Heere, ik ben verloren, ik ben doodongelukkig, mijn hart is onverbeterlijk en wat mij betreft is het hopeloos.’

Is dat alles? Meer niet?
Ja, dat is alles! Want mijn hart is één hoop ellende, zonde, dood en schuld.
En dat is alles! En alles wat je meer denkt te hebben, is belediging, krenking en verachting van de Zaligmaker.
Je kunt, zegt de Catechismus, Zijn Naam wel noemen, maar als je denkt dat je Hem een handje helpen moet, dan ben je Zijn vijand!
Want Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was.

Want het is één van twee, zegt Zondag 11!
Of Zijn Naam is eigenlijk bedrog. Hij is geen echte, geen volledige Zaligmaker. Maar als ik dat denk, dan maak je God tot een leugenaar.
Of alles is in Hem.
Het is alles of niks. En het is: alles in Hem en niets in ons!

Pijnlijk is dat, wat de Heilige Geest zo aan Zijn kinderen leert.
Samen delen, samen werken, dat gaat niet, dat kan niet.
Het zelf doen, als een vriend van de wet, dat is een doodlopende weg. We moeten sterven aan de wet. Zelf doen, dat is onmogelijk.
En dat is het meest vernederende, wat er voor ons mensen is.
Dat je moet gaan zeggen: ‘Ik kan het niet en ik wil het niet. Alles van mij is tekort.’
Niet eens neutraal, het is niet alleen zo dat het onbruikbaar is, maar het is zoals Paulus zegt: schade. Ik dacht dat het winst was, maar het is verlies. En ik dacht dat het mooi was, maar het is drek, smerig en vuil in Gods heilige ogen.

Al uw gerechtigheden, uw beste werken, uw beste bevindingen, uw meest hartelijke tranen, alles wat u hebt en koestert, waarvan u denkt dat het Gods hart wel vertederen zal, dat alles is een wegwerpelijk kleed. Als het gaat om de weg om met God verzoend te worden, dan is het waardeloos, het kan allemaal bij het vuilnis.

Daar sta ik dan, voor de heilige en rechtvaardige God, als een naakte zondaar. Ik heb niets om me mee te bedekken. Heel mijn leven, heel mijn binnenste ligt open voor Hem. ‘Tegen U heb ik gezondigd, Heere, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. En zelf heb ik niets om te betalen.’

Wat wordt het juist dan voor zulke mensen een wonder, als Hij gaat zeggen: ‘Ik doe alles of niets.’
Vroeger zei ik: ‘Nee, Heere, ik wil graag delen, ik wil het graag samen doen met U. Wilt U mij een klein handje helpen?’
Maar nu heeft Hij plaats gemaakt voor Zijn eigen werk. En nu buig ik, en zeg ik: ‘Heere, doet U alles maar, want ik heb niets.’
Zalig niets te wezen in ons eigen oog voor God.
Want dan, juist dan toont Christus Zich een Zaligmaker van zulke, verloren mensen. Van zulke mensen, die zelf alles kwijt zijn, die niets meer hebben van zichzelf.
Wat wordt het dan een wonder, als je voor het eerst of opnieuw als een arme bedelaar je lege handen mag uitstrekken naar Hem, de Zaligmaker van zondaren. Als je met niets van jezelf tot Hem vluchten mag. En dan mag zien, ervaren en geloven, dat Zijn Woord waar is: ‘Ik voor u, Ik in uw plaats. U niets. Ik alles. Voor u.’
Een zo geschikte Zaligmaker, voor mij, een zo ongeschikte zondaar.
Een zo machtige Zaligmaker, voor mij, een zo machteloze zondaar.
Een (zoals de Catechismus dat zegt) Heiland, een Redder, voor een zo reddeloos verloren mens.

Gemeente, voor Jezus moet je een verloren mens zijn. Alles wat je meer bent, houdt je bij Hem vandaan.
Dus, geef het nu maar op, al dat werken, al dat proberen. Het wordt nooit meer iets met u. En het is een diepe belediging van Christus, een metterdaad verloochenen van Hem, als je denkt, dat je zelf toch nog iets kan bijdragen. Dat is de Zaligmaker verachten, dat is Hem beledigen, dat is op Zijn hart trappen, dat is doen met Petrus alsof je Hem niet kent.

Dat alles moet u, kinderen van God, ook niet vergeten, als het (als ik daar bij deze gelegenheid nog iets over mag zeggen) als het gaat om de bediening van het sacrament van het Heilig Avondmaal.
Wat moet je als kind van God meenemen naar het Heilig Avondmaal, naar de plaats waar het getuigenis van Christus klinkt: ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.’
Moet je dan zeggen: ‘Kijk, Heere, hier ben ik. Ik heb mijn ellendekennis wat uitgediept, ik heb weer oprecht beterschap beloofd, ik kan mijn hart gelukkig ook weer tot tranen toe bewegen, en ik voer ook weer goede geestelijke gesprekken?’
Nee, zo kan het niet!
Jongens en meisjes, de avondmaalstafel is net als de tafel bij een bruiloftsdiner. Bij iedere stoel staat een bordje, een kaartje.
Daarop staat: ‘Het brood is Mijn lichaam. De wijn is Mijn bloed. Dit zijn tekenen en zegels van de liefde van Mijn Vader, van Mijn liefde en van de liefde van de Heilige
Geest, voor…?
Ja, want dat is de vraag! Welke naam staat er eigenlijk op die kaartjes, op die bordjes die op de tafel staan? Wie mogen daar gaan zitten?
Overal staat dezelfde naam. Een naam die precies zegt wie de avondmaalgangers van zichzelf zijn. Bij iedere stoel staat een bordje ‘zondaar’, ‘tegen God gezondigd’. Want zondaars zijn en blijven we. Daar komen we nooit bovenuit. Dat willen we wel, we willen altijd maar groeien, groter en beter worden. Maar dan past het niet meer. Dan passen we niet meer bij de Zaligmaker van zondaren.
Maar als we buigen (soms vol van verzet en onwil, maar soms ook gewillig gemaakt), als we zeggen: ‘Ja, Heere, ik ben een zondaar, ik ben een verloren mens’, dan past het, en dan alleen.
Want Jezus past bij mensen, die Hij Zelf zo arm gemaakt heeft.
Zijn Naam is Zaligmaker van zondaren. Zijn Naam is Heiland. Hij is de Redder, Die redt van het grootste kwaad en brengt tot het hoogste goed. Hij is degene Die armen (die niets hebben; dat past!) met goederen vervullen zal. Rijken zal Hij leeg terugsturen.
Deze is de Steen, Die van u, de bouwlieden, veracht is, Welke tot een hoofd des hoeks geworden is. En de zaligheid is in geen Ander! Want er is ook onder de hemel geen andere Naam, Die onder de mensen gegeven is, door Welken wij moeten zalig worden. (Handelingen 4:11-12)
Geen andere Naam dan de Naam van Jezus.
En Hij, o eeuwig wonder van vrije genade, van de liefde van de Vader, gewerkt door de Heilige Geest, Hij ontvangt zondaars en eet met hen.

Zijn Naam is Jezus, goed onthouden, jongens en meisjes, het betekent zegt Zondag 11:
Zaligmaker van zondaars.

Amen.

– Preek catechismus zondag 10
– Preek catechismus zondag 12

TERUG CATECHISMUS