Preek Zondag 18 · De hemelvaart

PDF SERIE 1 | SERIE 2*

PDF SERIE 2*, audio en video hierboven, en online leespreek hieronder
zijn onderdeel van een NIEUWE serie leespreken over de catechismus,
die D.V. in 2025 op deze website zal worden geplaatst.

Vragen bij de preek (met dank aan: GG Alexanderpolder)


Preek catechismus Zondag 18

 
De Heere Jezus heeft diep geleden onder Pontius Pilatus. Hij is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle.

Maar na Zijn diepe lijden, stond Hij met Pasen op uit de dood. Hij overwon de dood en het graf. Als teken en bewijs dat Hij werkelijk de Zoon van God was. Als teken en bewijs dat Zijn werk, dat Zijn betaling voor de zonde voldoende was.
 
Daarna (schrijft Lukas) heeft Hij Zichzelf (aan Zijn discipelen) levend vertoond heeft, met vele gewisse kentekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan (Hand. 1:3).
 
Tot de dag van Zijn hemelvaart: na de opstanding, de tweede trap van Zijn verhoging.
Als Hij met Zijn discipelen samen op de Olijfberg is.

Hij zegent hen. En terwijl Hij hen zegende werd Hij opgenomen daar zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen (Luk. 24.50, Hand. 1:9).
Toen is, zegt onze catechismus, Christus voor de ogen Zijner jongeren van de aarde ten hemel opgeheven
 
En terwijl, jongens en meisjes, de discpelen Hem nakijken in de richting van de hemel, staan er ineens twee mannen bij hen in witte kleding. Twee vriendelijke engelen, die zeggen:

Gij Galilese mannen, wat staat u en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in den hemel, zal alzo komen, gelijkerwijs u Hem naar de hemel hebt zien heenvaren (Hand. 1:11).
Met andere woorden: Op Gods tijd zal Hij terug komen!
 
En dan buigen ze hun knieën (en wij met hen) en aanbidden ze hun Heere.
Lukas schrijft: En zij aanbaden Hem, en keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap (Luk. 24:52).
Met grote blijdschap! Bijzonder…

Waarom zijn ze zo blij? Omdat ze hun Heere niet kwijt zijn!
Hij zal bij hen blijven, zoals Hij beloofd heeft, al de dagen. En Hij zal hen de Heilige Geest, de Trooster sturen. En op Gods tijd zal Hij terugkomen.
 
Over die troost gaat Zondag 18 van onze Heidelbergse Catechismus.
We gaan die Zondag met elkaar lezen, de vragen en antwoorden 46 tot en met 49.

Zondag 18

Zondag 18, vraag 46. Wat verstaat u daarmede: Opgevaren ten hemel?
Dat Christus voor de ogen van Zijn jongeren van de aarde ten hemel is opgeheven, en dat Hij ons ten goede daar is, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
 
Zondag 18, vraag 47. Is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?
Christus is waarachtig mens en waarachtig God. Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op aarde; maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.
 
Zondag 18, vraag 48. Maar zo de mensheid niet overal is waar de Godheid is, worden dan de twee naturen in Christus niet van elkaar gescheiden?
Ganselijk niet (echt niet!); want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.
 
Zondag 18, vraag 49 Wat nut ons de hemelvaart van Christus?
a. Ten eerste dat Hij in den hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is.

b. Ten andere dat wij ons vlees in den hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen.

c. Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.
 
Het thema voor de preek van vanmiddag is:
De hemelvaart Heere Jezus Christus
 
We gaan samen letten op twee aandachtspunten
1. De feiten (vanuit Zondag 18 de vragen en antwoorden 46, 47 en 48)
2. De troost (vanuit Zondag 18 vraag en antwoord 49)
Als eerste dus:

1. De feiten

Antwoord 46 van Zondag 18 zegt als eerste: Christus is voor de ogen Zijner jongeren van de aarde naar hemel is opgeheven.

Wat een tegenstelling, als je terugdenkt! Eerst heeft Hij zo diep gebogen. Na Zijn geboorte werd Hij gelegd in een kribbe. Hij moest vluchten naar Egypte. Zijn leven lang werd Hij veracht, en niet geloofd. Zijn leven lang heeft Hij geleden, vooral aan het einde van Zijn leven. Totdat Hij stierf aan het kruis.
 
Ja, jongens en meisjes, dat was wat je met je ogen kon zien.
Maar wat je niet met je ogen kon zien, maar wat wel gebeurde was: dat de Heere al dat lijden leed voor Zijn kinderen. Hij leed het lijden, dat zij verdiend hadden. Hij stierf de dood, die wij hadden te moeten sterven.

Ja, sterker nog, Hij nam ons mee in Zijn dood. Om ons door Zijn opstanding ook mee op te wekken tot een nieuw leven.
En nu, nu Hij naar de hemel teruggaat, nu neemt Hij ook Zijn verloste volk, dat Hij zo duur gekocht heeft met de prijs van Zijn Eigen bloed, mee naar de hemel.
                                       
Wij hadden door onze zonden de hemel dichtgedaan. Maar nu Hij naar de hemel gaat, nu doet Hij de hemel weer voor ons open.
Hij draagt ons in Zijn hart mee de hemel binnen. Om tegen Zijn Vader te zeggen: ‘Kijk, Ik, en de kinderen die U Mij gegeven hebt (zie Jes. 8:18).
 
De hemelvaart, jongens en meisjes, laat ons meer dan ooit zien: Alles is volbracht!
De Heere Jezus komt weer thuis bij Zijn Vader. Want Zijn werk is klaar.
En Hij brengt tegelijkertijd ook al Zijn kinderen weer thuis bij God.  

En dus gaat de hemel open met gejuich! Met lof en gejuich van ontelbaar veel engelen. Maar boven alles met gejuich en vrolijkheid van de Heere Zelf (n.a.v. Zef. 3:17).
 
Onze Heere is met Zijn menselijke lichaam in de hemel.
Hij had het kort geleden ook gezegd tegen Zijn discipelen: Het is u nut (het is nuttig voor u) dat Ik wegga (Joh. 16:7). En ook tegen Maria zei Hij het: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God (Joh. 20:17). En dan zien Zijn discipelen Hem gaan…
 
En niet veel later ziet Stefanus Hem inderdaad in de hemel. Oog in oog met zijn vijanden roept hij: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods (Hand. 7:56). Daar staat Hij, in de hemel!

En nog weer later ziet ook Johannes Hem in de hemel: het Lam staande als geslacht (Openb. 5:6).
Dus is er geen twijfel mogelijk. De Vader heeft Hem thuisgehaald.
Als bewijs: Alles is volbracht!
 
En (zegt antwoord 46 van Zondag 18) Hij is ons daar ten goede, totdat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
Hij is ons daar ten goede.

Dat zagen Zijn discipelen, toen Hij naar de hemel ging. Want Hij zegende hen. Hij breidde zegenend Zijn doorboorde handen, met de littekens van Zijn kruis erin, over hen uit. Hij ging zegenend van hen weg. Totdat zij Hem door een wolk niet meer konden zien.
 
Maar, Hij is niet veranderd. Hij is nog steeds Degene, Die zegenend Zijn handen uitbreidt over Zijn Kerk. Dezelfde liefde waarmee Hij voor hen leed, diezelfde liefde heeft Hij nog steeds: weergaloze liefde, liefde tot het einde.

Milde handen, vriendelijke ogen zijn bij Hem van eeuwigheid.
Hij is niet veranderd.
Hoe het ook gaat in wereld. Hoe onze weg ook gaat. Hoe donker ooit Gods weg moog wezen, Hij ziet in gunst, met zegenende handen uit de hemel, op hen die Hem vrezen.
 
Totdat (zegt antwoord 46 van Zondag 18) Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden.
Dan geen kribbe meer. Dan geen verachting meer. Dan geen lijden meer. Dan geen kruis meer. Maar heerlijkheid, glorie, majesteit en eer. Als Hij als Koning zal verschijnen in heerlijkheid!

En alsdan zal in de hemel verschijnen het teken van de Zoon des mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde wenen, en zullen de Zoon des mensen zien, komende op de wolken des hemels, met grote kracht en heerlijkheid (Matth. 24:30).

Zie, Hij komt (schrijft Johannes op Patmos) met de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen over Hem rouw bedrijven; ja, amen (Openb. 1:7).

En vóór Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand (Matth. 25:32-33).
 
Aan welke kant zult u dan staan? Aan welke kant zal jij dan staan?
Zult u dan horen: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (Matth. 25:34)? Of zal tegen u gezegd worden: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, u die de ongerechtigheid werkt (Matth. 7:23).
 
Kunt u Hem dan ontmoeten, gemeente?
Zult dan zeggen: Dat is de stem mijns Liefsten, zie Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen (Hoogl. 2:8)? Of gaat u dan roepen: Bergen, val op ons? Heuvels, bedek ons (Luk. 23:30)?
 
Geliefde gemeente, leef in dat perspectief van de terugkomst van de Zoon des mensen.
Want deze wereld (en alles wat we hebben) gaat voorbij.
U moet eerdaags voor God verschijnen!
 
Maar (vraagt vraag 47 van Zondag 18) is dan Christus niet bij ons tot aan het einde der wereld, gelijk Hij ons beloofd heeft?
Op de achtergrond speelt de gedachte van Luther, dat de Heere Jezus niet alleen wat betreft Zijn Goddelijke natuur, maar ook wat betreft Zijn menselijke natuur na Zijn hemelvaart overal aanwezig is.
 
Dus zegt antwoord 47 van Zondag 18: Christus is waarachtig (echt) mens en ook waarachtig (echt) God.
Naar Zijn menselijke natuur is Hij niet meer op de aarde. Hij is echt in de hemel. Maar naar Zijn Godheid is Hij wel overal! En dus is Zijn belofte echt waar: En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld (Matth. 28:20).
 
Christus heeft Zijn Kerk niet in de steek gelaten. Voor ons oog kan dat misschien soms wel zo lijken.
In ons persoonlijke leven. In dagen van ziekte, van zorg, van verdriet, van eenzaamheid, van moeite en pijn. In dagen van geestelijk donkerheid, twijfel en aanvechting.

Ook in ons kerkelijke leven. Waar het besef van de heiligheid van God, van de ernst van de zonde, van de heerlijkheid van Christus steeds minder lijken worden. En waar de liefde tot de wereld en de hang naar de dingen van deze tijd steeds meer lijken worden.

Waar stille Godsvreze en verborgen omgang met God steeds meer plaats lijken te maken, voor dode rechtzinnigheid of voor opgewektheid zonder droefheid naar God.
 
Je kan zorgen hebben over jezelf.
En je kan zorgen hebben over de kerk, waar je van houdt.
Maar er is anderzijds ook weer geen echte reden tot zorg. Want de Heere zorgt.

Voor Zijn kerk. De kerk is niet van ons. Dat geeft iets van ontspanning, gebouwd op hoop en vertrouwen. Want de Heere gaat door.
Hij houdt, zoals Hij eeuwenlang gedaan heeft, Zijn kerk in stand.  
 
Alles verandert, ook juist in deze tijd. Maar de Koning van de kerk verandert niet.
En dus zullen de poorten van de hel Zijn gemeente nooit overweldigen (Matth. 16:18).
Hoe donker ooit Gods weg moog wezen. Ik ben met u! Uw stok en Uw staf vertroosten mij (Ps. 23:4).
 
De catechismus Zondag 18 zegt: naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons.
Met Zijn Godheid, met Zijn tegenwoordigheid, met Zijn aanwezigheid, laat Hij Zijn kerk geen seconde alleen.

Met Zijn majesteit (nee, nu niet meer als kwetsbaar, broos en vergankelijk mens), maar met Zijn majesteit als opperste Koning, Die alle macht heeft in de hemel en op de aarde.

En met Zijn genade wijkt Hij, kinderen van God, nooit van ons.
Echt nooit!
 
Wat een troost, wat een gelukkig leven, om zo met de Heere te mogen leven.
Immers je kan zo bang zijn, als je naar je hart en leven kijkt, om Gods genade kwijt te raken, toch?
Maar dat zal niet gebeuren. Met Zijn genade wijkt Hij nooit meer van ons.
 
En Hij blijft ook bij ons, als vierde, met Zijn Heilige Geest.
Die overtuigt van zonde. Dat hebben we altijd weer en blijvend nodig, anders worden we trotse en zelfverzekerde mensen.

Die overtuigt van gerechtigheid, van voldoening door het werk van de Heere Jezus. Ander gaan we weer denken, dat we het zelf wel kunnen.
Die overtuigt van oordeel. Van het feit dat de duivel overwonnen is. Anders zinkt ons de moed in de schoenen.
 
De Heilige Geest, Hij onderwijst ons, Hij troost ons. Hij is de Trooster.
Daarom zei de Heere ook: Het is nuttig voor u, dat Ik heenga, anders kan de Trooster tot u niet komen.
 
Als je dat allemaal tot je door laat dringen, dan kan je je voorstellen dat de discipelen na de hemelvaart blij naar huis gegaan zijn.
Onze Heere is in de hemel. Maar dat betekent niet dat we Hem kwijt zijn. Dit was niet echt een afscheid.
Want Hij heeft het beloofd: ‘Ik zal u niet begeven, Ik zal u niet verlaten. Ik blijf bij u.

Ik heb U in Mijn beide handpalmen gegraveerd. Ik draag u altijd in Mijn handen en in Mijn hart. Ik ben u ten goede in de hemel. Ik zal vandaaruit altijd voor u zorgen. En Ik weet wat goed voor u is!’
En Ik zal de Trooster tot u zenden.
Ik zal u geen wezen laten; Ik kom weder tot u (Joh. 14:18).
 
Kinderen van God, geliefde medechristenen, al zien we het niet, al voelen we het niet: Christus is met ons. Hij zal ons nooit loslaten.
Luister dan naar de stem van de Goede Herder uit Psalm 23, ook al gaat u door een donker dal: ‘Ik ben met u.’
En antwoord in de stilte van uw hart: ‘Ja, Heere, U troost mijn ziel.’
 
Maar, zegt vraag 48 van Zondag 18, maar als de mensheid niet overal is waar de Godheid is (als mens is Hij in de hemel, als God is Hij overal), worden dan de twee naturen in Christus (God en mens) niet van elkaar gescheiden (of losgemaakt)?
 
Het antwoord zegt: Ganselijk niet (echt niet!); want dewijl de Godheid door niets kan ingesloten worden en overal tegenwoordig is, zo moet volgen, dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft.

Moeilijke zin. Maar het zegt eigenlijk dit: Christus blijft God en mens, twee naturen, met elkaar verenigd.
Als God is Hij overal. En als mens, dat wil zeggen met Zijn menselijke natuur, is Hij in de hemel. In ons vlees en bloed zit Hij aan de rechterhand van Zijn Vader.

Is dat nuttig om te weten, geeft dat troost?
Ja! Want wat, als Hij Zijn menselijke natuur gewoon op de aarde had gelaten, als Hij die had afgelegd?
Dan zouden we troost missen. Namelijk de troost dat Hij als medelijdende Hogepriester in de hemel weet heeft van en medelijden heeft met onze zwakheden.

Dat Hij als medelijdende Hogepriester weet heeft van onze verzoeking, dat Hij de worstelingen en de vragen van ons hart ziet, en dat Hij onze tranen kent.
Dat troost ons juist zo, dat dat voor Hem niet iets onbekends is.
 
En wat als Hij nu Zijn Goddelijke natuur had opgegeven?
Dan zou het verkeerd met ons aflopen. Zonder Zijn Godheid en majesteit, zouden wij geen partij zijn tegen de satan, tegen de wereld en tegen de zonde. Zonder Zijn genade, zouden we in de zonde vallen. En zonder Zijn Heilige Geest zouden we niet kunnen bidden. Dan zouden we alle troost missen.
           
Dus is het ons tot nut en troost: De Heere Jezus is als God overal, en Zijn menselijke natuur is in hemel. Ons ten goede.
Ons tweede aandachtspunt:

2. De troost

Vraag 49 van Zondag 18 zegt: Wat nut ons de hemelvaart van Christus? Het antwoord zegt: Drie dingen.
Ten eerste dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijns Vaders onze Voorspreker is.

Ten tweede dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen.

Ten derde dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende ter rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.
 
Drie dingen dus.
a. Ten eerste dat Hij in de hemel voor het aangezicht Zijn Vader onze Voorspreker is.
Dat schrijft Johannes ook 1 Johannes 2: We hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige, en Hij is een verzoening voor onze zonden.
 
Een Voorspreker. Dat is iemand die spreekt voor iemand anders, die dat zelf niet kan of durft. Zoals ook Paulus zegt Romeinen 8:34: Christus is het Die gestorven is; ja, wat meer is, Die ook opgewekt is, Die ook ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons bidt.
 
En wanneer hebben we die Voorspreker?  
Johannes zegt: indien iemand gezondigd heeft (1 Joh. 2:1).
Onze Voorspreker, onze Pleitbezorger, Die voor ons bidt. Als wij niet meer bidden kunnen, of durven, of willen.
 
Kinderen van God, Christus bidt voor ons. Altijd. Zonder ophouden!
Maar vooral: als wij gezondigd hebben. Dan bidt Hij, dan pleit Hij. Terwijl Hij wijst,
niet op onze trouw, op onze liefde en gebeden, maar op Zijn bloed, op Zijn volkomen betaling.
Een verzoek, een gebed, een pleidooi, gegrond op recht, dat nooit zal worden afgewezen.
 
Daarom is ons leven, jongelui, een gelukkig leven. Als je als kind van God kijkt naar hoe je hart en leven voor de Heere zijn, dan weet je niet hoe het verder moet. Want we zijn echt niet beter dan wie dan ook. En dus kunnen we de Heere ook nergens op wijzen, zo in de trant van: Kijk eens hoe lief ik U heb, en naar wat ik allemaal voor U doe, en naar hoe mijn leven verbeterd is…
 
Maar dan de wetenschap: Er is Iemand Die in de hemel voor ons bidt.
Die bidt, Die pleit, voor ons!
Terwijl Hij wijst op Zijn eigen werk.
En Zijn gebed wordt altijd verhoord!
 
Het gebed van de Heere Jezus, Die (zegt de Zondag 18): voor het aangezicht van Zijn Vaders onze Voorspreker is. Dat is toch de kern van het Evangelie van hemelvaart.

Hij is daar, kinderen van God, voor ons! Dat wil zeggen, door Hem is er ook voor ons weer plaats voor het aangezicht van de Vader.
 
Een plek die we verzondigd hebben. We hebben onze Vader verlaten. Ons weg gezondigd van het aangezicht van de Vader. We hebben afscheid genomen, om nooit meer terug te gaan. Maar nu heeft God Zijn lieve Zoon gezonden, omdat Hij in eenzijdige liefde geen afscheid van ons wilde nemen. Onnoemlijk hoog was de prijs, Die Hij daarvoor overhad. Maar de prijs is betaald. En de schuld is verzoend.
 
En nu is er, kinderen van God, door onze Heere Jezus Christus weer plaats bij God voor ons. Onverdiend wat ons betreft, maar verdiend door de Zaligmaker.

Een plaats bij God de Vader, voor weggelopen kinderen. Zoals de dichter zingt in Psalm 68: U (Heere Jezus Christus) bent opgevaren in de hoogte, U hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen (de rebelse, opstandige mensen), om bij U te wonen, o HEERE God!
 
Dat is de vrucht van de hemelvaart: wederhorigen, opstandelingen mogen weer wonen bij God. Terug, thuis bij God.

Dat is de reden, dat de Heere Jezus tegen Maria Magdalena zei in Johannes 20:17: Ik vaar op tot Mijn Vader en… uw Vader, en tot Mijn God en… uw God.
Ik ga terug naar huis. En dat is door Mij nu ook uw thuis.
 
Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn moogt waar Ik ben (Joh. 14:2-3).
 
b. Daar wijst onze catechismus als tweede op in antwoord 49 van Zondag 18: Ten andere (ten tweede) dat wij ons vlees in de hemel tot een zeker pand(!) hebben, dat Hij, als het Hoofd, ons, Zijn lidmaten, ook tot Zich zal nemen.

Tot een zeker pand. Als een zeker bewijs. Als garantie.
Hij nam onze menselijke natuur aan, toen Hij geboren wilde worden in Bethlehem.
Met die menselijke natuur stierf Hij en stond Hij op uit de dood.
En die menselijke natuur nam Hij ook mee naar de hemel. Als garantie!
 
Want het Hoofd en het lichaam kunnen niet gescheiden worden. Dus als het Hoofd Christus in de hemel is, dan moet Zijn lichaam ook volgen.
Als de hemel voor Hem openging, zal die ook opengaan voor al Gods kinderen.
Als Hij daar thuis kwam, zullen wij op Gods tijd daar ook thuiskomen.
 
Wat een diepe troost geeft dat, in alle moeiten van dit leven, in alle aanvechting en strijd. De Zaligmaker, kinderen van God, geeft ons de garantie, dat we thuis zullen komen.     
Dat we Zijn heerlijkheid zullen zien.
 
En die garantie is een dubbele garantie. Vergelijk het maar even met dit:
Als je trouwt, dan schuif je een trouwring aan elkaars vinger; ook: als garantie!
De man aan de vinger van de vrouw, de vrouw aan de vinger van de man.
Als teken, als bewijs, als levenslange garantie van elkaars liefde.
 
Het was de liefde van Christus, kinderen van God, dat Hij een hemels huwelijk met ons aanging. Dat kwam allemaal van Zijn kant.

En Hij had twee ringen. De eerste ring, het eerste bewijs van Zijn liefde was dat Hij ons gelijk wilde worden, dat Hij onze menselijke natuur aannam. En die heeft Hij ook meegenomen naar de hemel. Met andere woorden, die trouwring heeft Hij niet afgedaan.                   Eén ring heeft Hij meegenomen naar de hemel, voor ons!

Dat geeft ons troost. Dat de Heere Jezus ook met Zijn lichaam in de hemel is, dat betekent dat Zijn Liefde en trouw zijn gebleven.
 
En die tweede ring dan?
c. Zondag 18 zegt, dat is: dat Hij ons Zijn Geest tot een tegenpand(!) zendt, door Wiens kracht wij zoeken wat daarboven is, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods, en niet wat op de aarde is.
 
De Heilige Geest Die uitgestort is met Pinksteren, de Trooster Die in ons woont, dat is de andere, dat is de tweede ring.
De Heere heeft ons Zijn Geest gegeven in ons hart, als blijvend teken. Niet van onze liefde tot Hem, maar van Zijn liefde tot ons.
 
Twee huwelijksringen van liefde en trouw, die nooit vergaan: één in de hemel en één in ons hart. Dus is dat huwelijk vast. Het rust op een vast verbond, dat nooit verbroken zal worden door onze ontrouw. Omdat die beide ringen in Zijn hand zijn.
 
Als wij één ring in ons bezit hadden, dan konden we die afdoen, we konden hem weggeven, we konden hem weggooien.

Maar Hij houdt ze allebei in Zijn bezit: Zijn lichaam in de hemel en Zijn Geest in ons hart. Niets is overgelaten aan onze zorg of kracht. Zondag 18 zegt: door Wiens kracht (door de kracht van de Heilige Geest dus) wij zoeken wat daarboven is.
 
Onze Heere in de hemel trekt van boven ons hart naar boven. Dat gaat niet vanzelf, Hij trekt aan ons hart.
En de Heilige Geest in ons hart, duwt en stuurt ons hart ook: naar boven. Want Hij wil Christus groot maken, Die in de hemel is.
 
De Heere Jezus trekt ons hart naar boven. En de Heilige Geest stuurt ons naar boven. Om?
Om de stilte te zoeken. Om te denken aan de dingen die boven zijn. Neem de tijd ervoor, kinderen van God, voor stille overdenking en meditatie.

Over het grote werk van de zaligheid, dat God de Vader wilde, dat Christus deed.
Over het wonderlijke werk van de Heilige Geest, dat Hij in onze harten begon.
En denk veel tot uw troost aan de hemel, waar Christus is. Bedenk de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.
 
De Heere Jezus trekt ons hart naar boven. En de Heilige Geest stuurt ons naar boven. Om?
Om veel in het verborgen te bidden.
Om ons te leren hemelgerichte mensen te zijn. Die het weten: Daar! Daar is mijn Heere, mijn Liefste, mijn Zaligmaker, Die op mij wacht.
 
Laten we ons dan ook niet zo hechten aan de dingen van deze tijd, alsof ze voor altijd zouden blijven. Maar laten we vreemdelingen zijn, op weg naar huis, op weg naar het Vaderhuis.

Een waar christen is een mens op reis, ondertrouwd door de hemelse Bruidegom.
Die altijd aan ons denkt. Die altijd voor ons bidt. En Die niet wil, dat we Hem uit ons oog en uit ons hart verliezen.
 
Normaal komt de liefde van man en vrouw van twee kanten. Anders houdt alles op.
En, als je elkaar dan door omstandigheden een tijdje niet ziet, dan weet je: de liefde in het hart van de ander blijft. Dan weet je, dat je van elkaar blijft houden. En die ring is het bewijs! Ook al zie je de ander niet. Dus moet je die ring nooit afdoen of kwijtraken.
 
Maar de liefde tussen de Heere Christus en ons (die Zijn kinderen mogen zijn) is anders.
Die komt van één kant. Die komt van Hem.
Zoals de Heere zegt in Johannes 15: U hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren (Joh. 15:16). Ik had u als eerste lief. En Mijn liefde verandert nooit.

En dus geeft de Heere ons (om zo te zeggen) niet Zijn ring!
Hij houdt de beide ringen in Zijn eigen hand. Als een vaste garantie.
Want wij zouden die ring direct kwijtmaken, of misschien wel aan een ander geven.
Nee, alles, ligt vast in Zijn handen. De zekerheid ligt buiten ons.
 
Die kunnen we nooit zoeken in onze liefde, in onze trouw of in onze hemelgezindheid.
Het is Zijn liefde, het is Zijn trouw, die nooit zal wankelen of bezwijken.

En alleen door de kracht van Zijn liefde, en door die twee ringen in Zijn handen, alleen daardoor hebben wij Hem ook lief. Alleen daardoor zingen we: Ik zal Hem nooit vergeten, Hem mijn Helper heten, al mijn Hoop en Lust (Ps. 33:10, ber.).
 
Die eenzijdige liefde van Christus werkt in ons door de kracht van de Heilige Geest.
Die schept in ons hart en in ons hoofd een levende verbinding tussen de aarde en de hemel.
Een verbinding van hoop en verwachting. Want de Bruidegom kijkt uit naar Zijn bruid.
Een verbinding van heimwee naar huis. Want de bruid kan niet zonder haar Bruidegom.

Paulus zegt: met Christus te zijn; dat is zeer verre het beste (Fil. 1:23).
Het is ook een verbinding vol zekerheid. Omdat de Bruidegom waakt over Zijn bruid.
Daarom zullen de Zijnen niet verloren gaan in der eeuwigheid. Niet één!
 
Kinderen van God, de dag dat onze ondertrouw hier op aarde voorbij zal zijn, de dag van ons huwelijk staat vast.
Bij jullie, jonge stellen met trouwplannen, proef ik, hoe je uitkijkt naar je trouwdag.

Zo en veel meer kijken we uit naar de dag dat we onze hemelse Bruidegom voor het eerst zullen zien. We kennen Hem nu nog maar ten dele. Door het geloof. Zijn liefde heeft ons hart genomen. Maar straks zullen we Hem zien met onze ogen.
 
Tot die tijd, is er hier op aarde de tijd van onze ondertrouw, als voorbereiding voor straks.
Want we moeten eerst nog veel leren en afleren. We moeten leren leven van genade, van de verdienste van Christus alleen. We moeten voorbereid worden door lijden en verdrukking.

Maar we weten wel waar ons thuis is. Thuis is boven!
Een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
 
Lieve mensen, ik zou willen dat u daar allemaal naar uitkeek.
Blij vooruitzicht! De zonde voorbij. En eeuwig thuis bij onze God.
 
Zoek toch ook deel te krijgen aan onze Heere Jezus Christus, aan Zijn genade en troost.
Die Hij ook u geven wil! Geef Hem uw hart.
 
Amen.