Zwart doch liefelijk · Hooglied 1 · voorbereiding

Zwart doch liefelijk
Preek Hooglied 1:5-11: Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

PDF · AUDIO

YouTube player

Thema preek Hooglied 1: Zwart, doch liefelijk

Bijbellezing over Hooglied 5-11:
vers 5-6: Bruid tegen dochters Jeruzalem
vers 7: bruid tegen Bruidegom
vers 8-11: Bruidegom tegen bruid

Preek Hooglied 1: Zwart, doch liefelijk

Gemeente, als wij het Schriftgedeelte dat aan ons voorgelezen is overzien, dan kunnen we dat het beste te verdelen in drie gedeeltes.
In vers 5 en 6 spreekt de bruid tegen de dochters van Jeruzalem.
In vers 7 spreekt de bruid tegen de Bruidegom.
En in vers 8 tot en met 11 is de Bruidegom Zelf aan het woord.
Laten wij die gedachtewisseling, dat spreken van hart tot hart, vers voor vers met elkaar overdenken.

Als eerste dus de verzen 5 en 6: wat de bruid zegt tegen de dochters van Jeruzalem.
We lezen in vers 5: Ik ben zwart, doch liefelijk (gij dochteren van Jeruzalem!), gelijk de tenten van Kedar, gelijk de gordijnen van Salomo.

Wie zijn dat eigenlijk, die dochters van Jeruzalem?
Eigenlijk wordt dat pas goed duidelijk, als we weten wat de bruid tegen hen zegt. Dus bewaren we die vraag nog even voor straks.

Ik ben zwart, zegt de bruid, doch liefelijk. Er zijn twee manieren om dat op te vatten.
a. We kunnen het opvatten als één zin uit de mond van de bruid: Ik ben zwart, doch liefelijk. Ze zegt (en misschien zegt u dat ook wel, in deze week van voorbereiding) hoe het werkelijk is met haar hart en leven: ik ben zwart.
Zwart, als een teken van zonde, van onvolmaaktheid en onaantrekkelijkheid. Zoals Paulus zegt in Romeinen 7:18: Want ik weet, dat in mij, dat is, in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet.

Ik ben zwart. Maar liefelijk (onbegrijpelijk!) in Gods oog.
De bekende puriteinse commentator van het boek Hooglied, James Durham, schrijft in dit verband: de conditie van de gelovigen (zelfs van de besten) is gemengd: goed en kwaad, zonde en genade, zelfs in de beste omstandigheden. Immers, de bruid is gebracht in de binnenkamer van de Koning!
En ondanks dat, is het bij haar nog steeds gemengd: goed en kwaad, een oude mens en een nieuwe mens.
Daar komen Gods kinderen in dit leven nooit bovenuit. We hebben een strijd op aarde. Een strijd tegen de wereld, een strijd tegen de zonde, maar vooral ook een strijd tegen ons eigen, zondige hart.
En tegelijkertijd mogen en durven Gods kinderen niet ontkennen, dat de Heere in hun hart gewerkt heeft.
Hier ziet u hoe Bijbels het is, dat die twee op aarde altijd zijn en blijven: Heere, in mijn ogen ben ik zwart, maar door Uw genade ben ik (in Uw ogen) liefelijk.
Dus, kinderen van God, in deze week van voorbereiding niet de zonde zien en tegelijkertijd de genade ontkennen. Maar ook niet het tegenovergestelde doen: genade zien en de zonden ontkennen.
Want hoewel Gods kinderen in Christus zijn, ze zijn daarom niet minder zwart.
En hoewel ze zwart zijn, daarom zijn ze niet minder liefelijk in het oog van Christus.
Ja, het is zelfs zo: hoe zwarter we zijn in ons eigen oog, hoe kostbaarder Christus voor ons is.
Zwart, doch liefelijk.

Zwart (vers 5b) als de tenten van Kedar.
Dat waren de tenten van nomadische stammen, afstammelingen van Ismaël. Zij trokken in de woestijn rond in tenten gemaakt van zwarte of donkergekleurde geitenvellen. Die waren van zichzelf al donker of zwart, maar door het licht van de zon en de hitte van de woestijn werden ze alleen maar zwarter. Qua aanzien onaantrekkelijk, en zonder enige uiterlijke schoonheid.
Zwart als de tenten van Kedar.
Maar aan de andere kant ook: als de gordijnen van Salomo. De gordijnen in de tempel van Salomo, die waren zeldzaam mooi. Die waren rijk van hemelse kleuren, die waren van onschatbare waarde en vol van uiterlijke schoonheid. Ja, en dat was alleen nog maar de buitenkant. Want daarachter blonk en schitterde alles van het zuiverste goud.

Zwart. Ja, dat moet je wel nazeggen, als je naar jezelf kijkt in deze week van voorbereiding.
Maar, wie zou dit eigenlijk durven zeggen van zichzelf: Liefelijk, als de gordijnen van Salomo? Aan de buitenkant? En dan ook nog denkend aan alles wat daarachter zit?

b. Dus is er ook een tweede manier om dit alles op te vatten.
En hoewel ik de eerste manier uitgebreid uitgewerkt heb, de tweede manier van uitleg is beter en meer voor de hand liggend.
Het is de bruid die zegt: ik ben zwart!
Maar het is de Bruidegom die inspringt en zegt: U bent liefelijk!
Het is de bruid die zegt: ik ben zwart als de tenten van Kedar!
Maar het is de Bruidegom die inspringt en zegt: U bent als de gordijnen van Salomo!

Luister, kinderen van God, in deze week van voorbereiding, in alle moeite, strijd, aanvechting en vertwijfeling. Als je ziet op jezelf, dan moet je zeggen: ik ben zwart als de tenten van Kedar.
Maar luister toch ook tot uw troost (en laat die woorden doordringen tot in het binnenste van uw hart), luister toch ook tot uw troost naar de stem van de Bruidegom.
Die zegt: ‘dat is waar, u bent zwart, maar Ik zie op u met een ander oog. In Mijn ogen bent u liefelijk’.
En dat schittert van genade. Dat schittert van onverdiende genade.
En dat is om te huilen. Ja, dat ik zwart ben, dat is om te huilen van schaamte en verdriet. Maar dit ook. Dit is om te huilen van verwondering. Als ik deze stem van de Bruidegom mag horen, vanuit het Woord: ‘Ja, maar toch, in Mijn oog bent u liefelijk’.
Het doet denken aan de woorden van Psalm 45:11: zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

Wat gloeit daar een onbegrijpelijke liefde in door.
Ik heb u lief. Niet om u, want (en dat zie Ik ook!): u bent zwart!
Maar het is om Mij, om Mijn eenzijdige liefde. Om de liefde van Mijn welbehagen. U had het niet verdiend, en u verdient het nog steeds niet.
Kinderen van God, er zijn van die stemmen waar je je zo voor kunt afsluiten. Maar sluit u niet af voor dit troostvolle antwoord van de Bruidegom: u bent liefelijk.

En, onbekeerden, hier ziet u, dat het ook voor u kan. Ook u kunt deze Bruidegom leren kennen. Want, wij zijn allemaal zwart van onszelf.
Het is Zijn genade, Zijn opzoekende genade, die mensen die zwart zijn van de zonde weer kan en wil terugbrengen tot God.

Ziet mij niet aan (vers 6), dat ik zwartachtig ben (zo zegt de bruid), omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
Dochters van Jeruzalem, sta niet zo naar mij te staren! Omdat ik zo zwart ben. Omdat mijn huid zo verkleurd is door de brandende zon.
Sta me niet zo aan te staren! Het voelt zo ongemakkelijk, dat u zo naar me kijkt. Want ik ben me zo bewust van mijn onvolmaaktheid, van mijn zwartheid, van mijn zonden en van mijn schuld.
Een oprecht christen vraagt geen aandacht, geen aanbidding, geen applaus. Die schaamt zich diep voor zichzelf.

De zon heeft mij beschenen. De hitte van de zon is in de Bijbel vaak een beeld van tegenspoed, moeite en zorg. We zijn in deze wereld vaak in beproeving en gevaar. Zoals Paulus dat vroeger al schreef aan Timotheüs: En ook allen, die godzalig willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden (2 Timotheüs 3:12). In gevaar van buiten, maar soms ook in gevaar van eigen huis en huisgenoten. Heeft de Heere Jezus niet gezegd: zij zullen des mensen vijanden worden, die zijn huisgenoten zijn (Mat. 10:36)?

Kijk maar, zo is het ook hier: De kinderen van mijn moeder waren tegen mij ontstoken (boos op mij), zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden.
Mijn broeders, mijn zusters, de kinderen van mijn moeder… Wie zijn dat eigenlijk?
‘Mijn moeder’ is in de Bijbel beeld van de kerk.
Gods kinderen worden vaak gehinderd en tegengestaan, juist ook door medechristenen, door mensen binnen de gemeente. Door mensen die wel een gedaante van godzaligheid hebben, maar de kracht ervan hebben verloochend (2 Timotheüs 3:5). Door mensen die wel bij de gemeente horen, maar die zelf vreemd zijn van genade. Sterker nog: die vijanden zijn van genade. Vijanden van het kruis van Christus, vijanden van Christus Zelf en dus ook van degenen die van Hem zijn.

Zij, die broeders en zusters, zonen en dochters van mijn moeder, zij hebben mij gezet tot een hoederin (een verzorgster) der wijngaarden.
Het dagelijks verzorgen, het dagelijks hoeden van de wijngaard, dat was het werk van de allerarmsten, zo schrijft Jeremia (52:16). En als Jesaja spreekt over de vrijheid van de kinderen, dan zegt hij in Jesaja 61:5: En uitlanders zullen staan, en uw kudden weiden; en vreemden(!) zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn.
Dus, wat hebben die zonen van moeder, die mensen die vreemd zijn van genade, gedaan? Zij hebben de bruid gedwongen tot oneigenlijk werk. Ze hebben haar moeite, vervolging, verzoeking en verdrukking aangedaan. En dat heeft haar ziel weggetrokken van haar eigenlijke werk. Dat slavenwerk waar ze toe gedwongen is, heeft haar afgetrokken van de ware godsdienst, heeft haar afgetrokken van de nabijheid van, van de gemeenschap met Christus.

En dat is een reden tot waarschuwing voor u, die uiterlijk wel godsdienstig bent, maar van binnen onbekend bent met het leven van de genade. Pas op, dat u niet een van deze kleinen veracht (Mattheüs 18:10).
Zeker, de Heere gebruikt de tegenspoed en de tegenwerking in ons leven tot ons nut. Om ons te leren, om ons klein te maken, om ons te verootmoedigen, om ons te overtuigen van onze tekorten, van onze zwartheid.
Maar uzelf begaat een groot kwaad, als u Gods kinderen zo in de weg zit, lastert, verdrukt en vervolgt.

Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed.
Het beeld, aan het einde van vers 6, is nog hetzelfde, maar het wordt nu in andere zin gebruikt.
Ik had (zo zegt de bruid) zelf een wijngaard gekregen. Ik had eigen voorrechten en plichten, eigen genade en talenten. Een wijngaard die vruchten voort moest brengen. Een hemelse roeping, om te wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behaaglijkheid, in alle goede werken vruchtdragende, en wassende in de kennis van God (Kol. 1:10-13).
Maar, ik heb mijn eigen plicht verwaarloosd.
Zeker, er waren oorzaken van buitenaf: de druk, de moeite die de zonen van mijn moeder mij hebben aangedaan.
Maar dit is toch vooral een hartelijke belijdenis: ik, ik ben zelf nalatig geweest…!
Ik heb mijn plicht verzaakt, ik heb niet gewandeld in godzaligheid, en ik heb de nabijheid van de Bruidegom niet gezocht.

Moeten wij, die de Heere mogen dienen en vrezen, ook zo niet terugkijken naar ons leven en naar de periode die achter ons ligt: mijn wijngaard, die heb ik niet gehoed?
Wedergeboren tot een levende hoop, geroepen tot een nieuwe gehoorzaamheid en tot een heilig leven, maar zo bezig geweest en nog steeds zo bezig met andere dingen: gericht op onszelf, op welvaart, op rijkdom en carrière? Maar niet op het zoeken van de gemeenschap met en de nabijheid van de Heere, in gebed, in meditatie, in lezen in de Bijbel. Niet gericht op het overdenken van de heerlijkheid van Christus, van Zijn persoon, van Zijn Namen, Zijn werk, Zijn lijden en Zijn glorie.
Zal ik het heel concreet zeggen? Ik las bij Spurgeon dit: ‘we lezen meer de krant (ik voeg eraan toe: we surfen meer op internet), dan dat we de Bijbel lezen.

Mijn wijngaard heb ik niet gehoed. En dat alles wordt gezegd als waarschuwing tegen de dochters van Jeruzalem. Om hen te bewaren voor struikelen, voor ontmoediging en ook tot hun lering.
Wie zijn ze toch, die dochters van Jeruzalem, tegen wie de bruid dit allemaal zegt?
Het zijn, zo blijkt uit heel het boek Hooglied, ook kinderen van God. De liefde tot de Bruidegom is hen niet vreemd. Ze hebben geestelijk leven, ze kennen geestelijk verlangen. Maar er is in hun leven nog zoveel onwetendheid, zoveel gebrek aan kennis en ervaring.
En daarom, wat de bruid hier allemaal zegt, is eigenlijk vooral bedoeld tot hun waarschuwing. Om hen te bewaren voor struikelen, voor ontmoediging, en ook tot hun lering.
Dat heb je nodig, als de Heere je nog niet zo lang geleden gebracht heeft op de weg van de genade. Denk dan niet, dat je gelijk geestelijk volwassen bent, dat je alle dingen weet en alle gevaren kent. Paulus heeft het niet voor niets over kinderen, geestelijke kinderen die nog melk drinken, omdat ze het vaste voedsel nog niet kunnen verdragen (1 Korinthe 3:2, zie ook 1 Johannes 2:13).

Dit is een waarschuwing voor u, dochters van Jeruzalem, pas beginnenden in de genade: wij zijn en blijven zwart. Vergeet dat niet! Trek daar ook geen verkeerde conclusies uit.
Zeg niet: als ik mijn zwartheid zie, dan ken ik dus Gods genade niet…
Maar zeg ook niet: als ik genade ken, dan heb ik dus geen zwartheid meer…
En: wees voorbereid op lijden en beproeving. Want goud zal beproefd worden.
Wees voorbereid op weerstand van mensen in de gemeente, in uw familiekring, wees voorbereid op de grootste weerstand en tegenwerking vanuit uw eigen hart.
En vergeet nooit dat tegenspoed altijd alles te maken heeft met onze eigen zonden en onze eigen tekorten.
Denkend aan deze woorden: mijn wijngaard heb ik niet gehoed.

———-

In het tweede deel van het Schriftgedeelte dat we vanavond behandelen, spreekt de bruid de Bruidegom aan.
Leest u maar mee in vers 7: Zeg mij aan, Gij, Dien mijn ziel liefheeft, waar Gij weidt, waar Gij de kudde legert in den middag; want waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden Uwer metgezellen?

De bruid kijkt nu een andere kant op, en spreekt haar Bruidegom aan.
En zegt: ‘Door eigen schuld ben ik U kwijtgeraakt. Waar bent U? U, dien mijn ziel liefheeft. U, aan Wie mijn hart zo verbonden is. Ik heb U hartelijk lief.’
Denk maar aan wat Petrus schrijft: Wij hebben U niet gezien, maar nochtans hebben wij U lief (1 Petrus 1:8).
‘Mijn ziel heeft U lief, maar waar bent U?’

Het is een gebed om herstel van nabijheid, om herstel van gemeenschap, om het weer opnieuw mogen ervaren van de hartelijke verbondenheid met Christus, de Bruidegom. Die de grote Herder der schapen is, die Zijn kudde weidt en legert.
Het beeld verandert van wijngaard naar schaapherder. De goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen (Johannes 10:11). En de grote Herder der schapen (Hebreeën 13:20) is door God opgewekt uit de doden. Het gaat over Hem die (zoals Jesaja zegt) de lammeren in Zijn armen vergadert en de zogenden zachtjes leidt (Jesaja 40:11).

‘Heere, Herder der schapen, ik ben als een verloren schaap. Waar bent U?’
Misschien is dat ook wel uw zucht in deze week van voorbereiding: ‘waar bent U?
Door eigen schuld ben ik U kwijtgeraakt, want ik heb mijn wijngaard niet gehoed…
O, dat ik U vinden zou. Maar waar bent U? Waar moet ik U zoeken?
Waar weidt U de kudde? Waar voedt U Uw schapen in grazige weiden?
Waar legert U de kudde? Waar geeft U Uw schapen rust aan stille wateren? (Psalm 23) Waar kan ik U(!) (want het woordje ‘kudde’ staat schuin gedrukt, eigenlijk staat dat er niet), waar kan ik U vinden? Het gaat me om U!
Waar kan ik U vinden? Waar kan ik met U zijn? Want het is me goed, om in al mijn nood, nabij U te zijn (Psalm 73:28). Waar kan mijn ziel zich in U verblijden?’

Want (zo lezen wij verder in vers 7b) waarom zou ik zijn als een, die zich bedekt bij de kudden van Uw metgezellen?
Met andere woorden: ‘Ik wil niet heengetrokken worden naar een ander. Ik wil niet afgeleid worden van U. Ik wil niet de indruk wekken, dat ik bij iemand anders behoor en daarmee Uw Naam lasteren.
En bovendien, bij al die anderen zou ik bedekt zijn, gesluierd, ingewikkeld, omwikkeld. Met andere woorden: zij kennen mijn innerlijk niet. Ik zoek juist mijn schuilplaats bij U, die harten en nieren kent (Psalm 7:9). Ja, proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart (Psalm 26:2).
Want ik wil me niet bedekken. U mag alles van me weten. Want U kent me. U kent me door en door. U weet dat ik zwart ben. En U weet dat ik mijn wijngaard niet heb gehoed. En U weet dat ik juist daardoor U kwijtgeraakt ben!’
Is dat ook uw roep: Waar bent u, o mijn Bruidegom?

We zijn aangekomen bij het derde deel van het gesprek dat we met elkaar overdenken. In vers 8 tot en met 11 staat het antwoord van de Bruidegom aan het adres van de bruid.
De Bruidegom zegt: Indien gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen!
Dat klinkt als een teleurstelling. Als u dat niet weet… Met andere woorden: weet u dat dan niet…?
Het doet denken aan wat de Heere Jezus later zei tegen Filippus: Ben ik zo lange tijd met u, en hebt u Mij niet gekend, Filippus? (Johannes 14:9)
U hebt zoveel genade van Mij ontvangen, u bent zelfs gebracht in de binnenkamer van het paleis van de Koning. En weet u nu niet waar Ik ben?

En dan weer, opnieuw, dat wonderlijke contrast.
‘O, verdwaalde bruid, zwart, nalatig in wat u moest doen. En nu weet u ook niet waar Ik ben?!’
Nee, dit: o, gij schoonste onder de vrouwen!
Hier ziet u dat de gelovige meest schoon is in de ogen van Christus, als hij of zij het meest zwart is in eigen oog.
De bruid moet zich zo beschuldigen, vanwege haar zwartheid en nalatigheid. Maar dan, juist dan zegt de Bruidegom: u bent de schoonste onder de vrouwen.
Het kan niet anders, als je dit hoort (terwijl je zo je eigen zwartheid ziet) dan moet je wel uitroepen met de dichter van Psalm 45:2: maar U bent veel schoner dan wie dan ook van de mensenkinderen!

Wat geeft schoonheid aan deze bruid? Zijn schoonheid. De gerechtigheid van Christus, die haar gegeven is, omdat Hij haar bekleed heeft met de klederen des heils, en met de mantel van Zijn gerechtigheid (Jesaja 61:10). In Hem is de bruid zonder vlek en zonder rimpel (Efeze 5:27).
Van zichzelf heeft ze geen schoonheid, bij zichzelf ziet ze alleen maar onaantrekkelijkheid, zwartheid en nalatigheid. Maar het kleed van Zijn Eigen werk, van Zijn Eigen liefde, verdiensten, dood en leven, doet Hem, de Bruidegom uitroepen: o gij schoonste onder de vrouwen!

Als u het niet weet, waar u Mij vinden moet (vers 8): Zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.
Als u Mij kwijt bent, keer dan toch terug, o bruid, op dat eeuwenoude spoor.
U kunt en zult Mij vinden, als u de voetstappen volgt van de schapen. Want zij horen Mijn stem en volgen Mij (Johannes 10:4).
Ga toch in de weg (want dat is de weg van de schapen!), ga toch in de weg van het Woord (lezend in het Woord, en dat biddend overdenkend), ga toch in de weg van de prediking van het Woord, in de weg van de sacramenten en in de weg van het verborgen gebed.
Volg hen, volg de schapen. Volg hun geloof na. Ga geen eenzame weg, maar volg de andere schapen. Zoals Paulus zegt: weest mijn navolgers, gelijk ook ik van Christus ben (1 Korinthe 11:1, Hebreeën 13:7).
En weid uw geiten bij de woningen der herderen. Laat uw jonge geitjes, uw kinderen gaan in hetzelfde spoor. Opdat ook het nageslacht Mij dienen zal (Psalm 22:30).

Vers 9: Mijn vriendin! Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.
Mijn vriendin! Ik kan het niet uitleggen. Ik kan het alleen maar nazeggen, wat de Bruidegom zegt tegen de bruid: Mijn liefste! Wij zouden zeggen: schat!

Zijn liefde, de liefde van Christus is hartelijk, innemend, oprecht en onmetelijk.
Degene in wie Hij woont, die leert iets kennen (zegt Paulus in Efeze 3:18) van de hoogte en van de diepte, van de lengte en van de breedte van Zijn liefde. Van Zijn liefde die verkoor, die verloste, die vasthoudt, die heilig maakt en die verheerlijken zal. Van Zijn liefde die de kennis te boven gaat (Efeze 3:19).

Het is een verzekering van Zijn liefde, in een tijd waarin de bruid gebukt gaat onder eigen zonden, zwartheid en onwaardigheid. De Heere geve ons, dat we die uitroep van Zijn liefde ook mogen horen bij de bediening van het Heilig Avondmaal aanstaande zondag: Mijn vriendin! Mijn liefste!

Mijn vriendin (vers 9), Ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van farao.
In onze taal niet echt een passende vergelijking. Het voelt niet echt als een vrouwelijk compliment, als de bruid vergeleken wordt met een paard. Maar destijds, in de tijd van de Bijbel, in het oude oosten, was dit een van de beste complimenten.
Een merrie, een vrouwelijk paard, was het teken van schoonheid. Haar edele blik, haar gracieuze lijnen, het was het ultieme teken van schoonheid. En daarbij waren de paarden van Egypte de mooiste, de edelste, de schoonste van alle paarden (zie 2 Koningen 1:16).

Maar, toch vraag je je al lezend af, wat nu precies het punt van vergelijking is. Als de Bruidegom de bruid vergelijkt met de paarden aan de wagens van farao. Waarin lijkt de bruid op een Egyptische merrie voor de rijkoets van farao?
Ik zal u een paar dingen noemen:

  1. De paarden van farao waren de allerbeste paarden.
    Zo is de bruid in de ogen van Christus de allermooiste, de allerliefste. Denkt u maar aan wat Petrus schrijft: Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk; opdat gij zoudt verkondigen de deugden Desgenen, Die u uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht (1 Petrus 2:9)
  2. Deze paarden van farao kocht koning Salomo voor een geweldige prijs (1 Kon. 10:29): Eén paard kostte 150 sikkelen zilver.
    Ik denk opnieuw aan wat Petrus schrijft, nu in 1 Petrus 1:18-19: de bruid is niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost uit haar ijdele wandeling, maar door het dierbare bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt lam.
    Gekocht met de geweldige prijs van Zijn kostbare bloed.
  3. In die paarden (die Salomo kocht van de farao in Egypte) had de koning heel veel genoegen. Vandaar de uitroep: O, Mijn liefste!
  4. En die paarden werden meer dan andere paarden onder gehoorzaamheid, onder controle gebracht. Zoals bij ons de paarden van de gouden koets het meest getraind, het meest gehoorzaam zijn. Het is een beeld van de bruid die geleid is tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Korinthe 10:5).

Het beeld gaat verder in vers 10: Uw wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.
De bruid, vergeleken met zo’n prachtige merrie voor de koets van de koning, is versierd. Met gouden haarversieringen en haar hals met parelkettingen.
Van zichzelf is ze niet aantrekkelijk. Ze zegt: ik ben zwart. Maar het is Christus Zelf die haar versierd heeft. Zoals de dichter ook zingt in Psalm 149: Want de Heere heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil (Psalm 149:4).
Dat zal Hij Zelf doen. Dat is Zijn werk.

Het is de genade van de Heilige Geest, het is de Geest van Christus Zelf, die de zwarte bruid versiert met goud en parels. Met vruchten van levensverandering, van karakter- vernieuwing. Met vruchten van de Geest, zoals Paulus die noemt in Galaten 5:22-25:
Liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. Het vlees van de zonde gekruist, en nu wandelend door de Geest in nieuwe gehoorzaamheid.
Nee, dat is geen vrucht van eigen akker. Ik ben zwart. Dat is de versiering die Christus om de hals hangt van Zijn kinderen.

En dus gaat het niet alleen om het onzichtbare van ons hart. Het gaat ook om de buitenkant van ons leven. En die buitenkant is, als het goed is, ook echt anders geworden: merkbaar, zichtbaar. Zoals Lukas schrijft over Petrus en Johannes in Handelingen 4: de mensen merkten dat ze met Jezus waren geweest (Handelingen 4:3).

Vers 11, tot slot: Wij zullen u gouden spangen maken, met zilveren stipjes.
Het valt op: ineens gaat het niet meer over Ik, over u, ineens gaat het over Wij.
Wij zullen u, o zwarte bruid, versieren, met gouden haarversieringen, met zilveren kettingen.
Wij! Hier spreekt de Drie-enige God. Wij zullen.
Het is een hemelse belofte aan een zwarte bruid. Die tot haar grote verdriet zo weinig vruchten ziet in haar leven. Een belofte van volharding, van sierlijke vrucht dragen, van vernieuwing, van opwas in de genade en in de kennis van de Heere Jezus Christus. Het ligt alles in Gods eigen handen.
Wij, Vader, Zoon en Heilige Geest, zullen het doen.
Alles ligt vast, niet in ons vaste geloof en in ons vaste vertrouwen, maar in (zoals het Avondmaalsformulier het noemt) de gewisse belofte van God: dat Hij het Zelf zal doen. De HEERE (zegt de dichter van Psalm 138) zal het voor mij voleinden (138:8). Het ligt vast in de gewisse belofte van God.

Laat ons, geliefde gemeente, deze dingen in deze week van voorbereiding overdenken en bemediteren.
Laat het, kinderen van God, ons verlangen opwekken, ons eerlijk maken, ons de weg wijzen, ons troosten en bemoedigen.
En laat het u, onbekeerden aansporen. Om voorzichtig te zijn in het omgaan met de bruid van Christus. Je kan er je vingers aan branden! Maar laat het u vooral ook aansporen om Hem, de Bruidegom te zoeken. Wij zijn zwart. Maar onze Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend (5:10). En wij gunnen onze Liefste ook zo aan u…!

Amen.

Links bij preek Hooglied 1: Zwart, doch liefelijk
Preek Hooglied 1: De Koning aan Zijn ronde tafel (avondmaal) (3)
Preek Hooglied 1: Bundeltje mirre (4)
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Hooglied 1

TERUG HOOGLIED