| Preek voorbereiding over: De HEERE zal wachten Jesaja 30:18: En daarom zal de HEERE wachten, opdat Hij u genadig zij, en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme. |
De Heere zal wachten: hoop op Gods ontferming
Geliefde gemeente. We overdenken met Gods hulp Jesaja 30:18 en 19. “En daarom zal de Heere wachten, opdat Hij u genadig zij; en daarom zal Hij verhoogd worden, opdat Hij Zich over ulieden ontferme. Want de Heere is een God des gerichts. Welgelukzalig zijn allen, die Hem verwachten.” En vers 19: “Want het volk zal in Sion wonen, te Jeruzalem. Gij zult ganselijk niet wenen. Gewisselijk, Hij zal u genadig zijn op de stem uws geroeps. Zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden.” Het thema is: hopen op Gods ontferming. Twee punten: in de eerste plaats de wachtende God, de Heere zal wachten, en in de tweede plaats een wachtend volk, dat zelf ook leert: de Heere zal wachten.
De Heere zal wachten op Zijn overblijfsel
Eerst iets over de context. Het volk van Juda voelt zich bedreigd door het Babylonische rijk en zoekt hulp bij Egypte, het land van hun vroegere verdrukking, het land van de dood, waaruit zij eeuwen geleden juist verlost zijn. Zij zoeken geen hulp bij de Heere, maar bij hun vroegere slavendrijvers, en zullen zich daarover schamen. Het volk blijkt wederspannig: het wil niet naar de Heere luisteren en wil liever zachte en vriendelijke dingen horen. Toch klinkt, midden in dit hoofdstuk vol dreiging van oordeel, de belofte: de Heere zal wachten. Voor het overblijfsel naar de verkiezing van Zijn genade geldt: de Heere zal wachten, opdat Hij genadig zij.
Terwijl wij dwaalden en doolden op het pad van ons vertrouwen, op Egypte, op onszelf, op onze eigen goedheid, en tranen, en ijver, en gebeden, gold ook voor ons: de Heere zal wachten. Toch gingen we die doodlopende weg, totdat het nood werd: in ons is geen goed, enkel zonde en schuld; Uw doen is rein, Uw vonnis rechtvaardig, Heere. Voor wie op het pad van openlijke zonde ging, totdat de bittere gevolgen hem in grote nood brachten, geldt evenzeer: de Heere zal wachten. En voor wie ging onder een drukkend gevoel van zonde, zonder hartelijk zoeken in het hart, geldt het ook: de Heere zal wachten.
Lees nog eens vers 18. De Heere, met hoofdletters geschreven, de trouwe en machtige God van Zijn eenzijdige genadeverbond, wacht om genadig te zijn. De bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry schrijft hierbij: de Heere zal wachten totdat u tot Hem weerkeert en Zijn aangezicht zoekt, en dan zal Hij gereed en bereid zijn om u tegemoet te komen met genade. De Heere zal wachten om het op de beste en meest geschikte tijd te doen, wanneer het meest zal strekken tot Zijn eer en heerlijkheid, en het u op het aangenaamste zal verrassen. Zo haast Hij die horen zal, zal Hij u antwoorden en zeggen: zie, hier ben Ik.
Een wachtend volk: de Heere zal wachten
Wie zijn dat, die wachten? Dat zijn zij die biddend en hopend wachten op God, op Zijn tijd, op Zijn wil, op Zijn welbehagen. Dat is geen werkeloos wachten, maar een biddend, en daarmee een werkend wachten; tegelijk een geduldig wachten, stil, hopend op God. Zo staat in vers 7b: stilzitten zal hun sterkte zijn, niet passief, niet afwachtend stilzitten, maar biddend hopen en stil wachten op God. Voor wie zo wacht, geldt de belofte: de Heere zal wachten. Dit stille wachten op God is een uitdrukking van de genade van het geloof en de hoop, zoals in Psalm 130: Ik hoop in al mijn klachten, Heere, op Uw onfeilbaar woord. Ook voor zo iemand: de Heere zal wachten.
Onze hoop is een hoop met een grond. We hopen en verwachten niet zomaar in het luchtledige weg; we verwachten Iemand met een hoofdletter, Die beloofd heeft te zullen komen. Die grond ligt niet in onszelf, maar in de belovende God en in Christus in dat woord. Daarom heeft deze hoop een kruimel geloof nodig, waarmee ik weten mag dat God mij om Christus’ wil genadig wil zijn en is. Geen hoop zoeken buiten Christus, geen hoop zoeken buiten het Woord; al zoekend en biddend vinden we grond en houvast in Gods beloftewoord. Wie zo zoekt, mag weten: de Heere zal wachten, en wie zo zoekt, mag ook weten: de Heere zal wachten op het ogenblik van uw geroep.
Wacht op de Heere, want de Heere zal wachten
Wie gelooft, die zal niet haasten, maar geduldig, stil, hopend wachten op God en op Zijn beloftewoord. De Heere zal de tranen van uw ogen afwissen: tranen van verdriet, van gebrokenheid, van berouw, tranen van gemis en verlangen, als Hij Zijn belofte vervullen zal en Zich over u zal ontfermen. Gewisselijk zal Hij u genadig zijn op de stem van uw geroep. Hoort u dat, roepende zondaars, u die op de Heere hoopt, jij die de Heere verwacht? Zo haast Hij uw stem horen zal, zal Hij u antwoorden. Daarom, roepende zondaar: de Heere zal wachten, totdat Hij u genadig zal zijn. En daarom, hopend kind van God: de Heere zal wachten, totdat Hij Zich over u ontfermt.
De Heere bepaalt Zelf wanneer en hoe Hij Zich aan een hopend mens zal openbaren en in onze benauwdheid uitkomst zal geven. Maar weet dit: hoe meer wij dat aan Hem toevertrouwen, des te spoediger zal Hij er zijn. Zeg daarom, kinderen van God, hopend, uitziend en stil verwachtend, met de dichter van Psalm 39: en nu, wat verwacht ik, o Heere? Mijn hoop is op U. Deze hoop schaamt niet, omdat de liefde van God in onze harten is uitgestort door de Heilige Geest, Die ons gegeven is. En een iegelijk die deze hoop op Hem heeft, reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is. Houd dit vast: de Heere zal wachten, en Hij zal u niet beschamen.
