| Preek over: Zondag 44 Zondag 44 van de Catechismus gaat over het tiende gebod: Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is. |
Gij zult niet begeren: Zondag 44
Het tiende gebod, “Gij zult niet begeren”, raakt de diepste wortels van ons bestaan. In de prediking over Zondag 44 wordt duidelijk dat het niet goed is om te verlangen naar wat van een ander is, of dat nu een huis, een partner of bezittingen betreft. Er bestaat echter ook een goede begeerte, zoals Psalm 27 verwoordt: het verlangen om in het huis des Heeren te wonen. Volgens Zondag 44 moeten wij immers des te begeriger zijn om de vergeving van zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken.
Dit heilige verlangen naar de tegenwoordigheid van de Heere is de vreugde van het christelijk leven. Het gaat om het aanschouwen van Zijn lieflijkheid en het mediteren over Zijn gunst in de kerk. Terwijl de wereld vol is van zondige verlangens, spoort Zondag 44 ons aan om met onze ziel de Heere te begeren, zelfs in de nacht. In deze overdenking over het tiende gebod staan drie punten centraal: de zondige begeerte, de nieuwe begeerte en de levenslange begeerte.
Zondige begeerte
Begeren betekent op zichzelf dat men iets heel graag wil hebben, wat in de basis menselijk en soms noodzakelijk is. We zien in de Bijbel dat zelfs God Sion heeft begeerd tot Zijn woning en de Heere Jezus vurig begeerde het Pascha met Zijn discipelen te eten. De zonde waar Zondag 44 ons voor waarschuwt, ontstaat echter wanneer wij onze zinnen zetten op het eigendom, de relaties of de status van onze naaste. Het tiende gebod trekt een scherpe grens bij het graag willen hebben van wat rechtens aan een ander toebehoort.
In Zondag 44 wordt uitgelegd dat God in dit gebod volstrekte eerlijkheid van ons hart eist. Het gaat niet alleen om uiterlijke daden die anderen kunnen waarnemen, maar om de minste lust of gedachte die in ons binnenste opkomt. De Heere proeft onze nieren en ons hart; Hij kijkt voorbij de buitenkant naar wat er in de “kelder” van ons gemoed verborgen ligt. Daarom verbiedt Zondag 44 elke neiging die ingaat tegen Gods heilige wet, hoe vluchtig of onzichtbaar deze gedachte voor mensen ook mag zijn.
Deze diepe verzwaring van de wet laat zien dat zonde altijd in het hart begint. Wanneer onze begeerlijkheid wordt geprikkeld, kan dit leiden tot daden die de dood baren en het Woord van God verstikken. Zondag 44 benadrukt dat wij van ganser harte vijand moeten zijn van alle zonden en lust moeten hebben tot alle gerechtigheid. Het gaat God niet om slaafse gehoorzaamheid aan uiterlijke regels, maar om een oprechte liefde tot Zijn dienst, waarbij wij de zonde hartelijk haten.
Nieuwe begeerte
De vraag rijst of bekeerde mensen deze volmaakte eis van de wet kunnen houden, maar de Catechismus antwoordt in Zondag 44 ontkennend. Zelfs de allerheiligsten hebben, zolang zij in dit leven zijn, slechts een klein beginsel van deze gehoorzaamheid. Dit besef raakt kleingelovigen die worstelen met hun eigen tekortkomingen en twijfelen aan hun staat voor God. Toch leert Zondag 44 dat het verschil ligt in het hart: er is een nieuwe, heilige begeerte ontstaan die strijdt tegen de oude natuur.
Hoewel Gods kinderen nog vaak struikelen, leven zij niet meer in de zonde zoals een vis in het water. In Zondag 44 zien we dat het kleine begin van gehoorzaamheid vergeleken kan worden met een groen knopje in de lente; het is kwetsbaar maar vol leven. Dit nieuwe leven uit zich in een diep verdriet over de zonde en een vurig gebed om reiniging van de innerlijke bron. Het hart roept uit naar God en erkent dat al haar begeerte voor Zijn alwetend oog openligt.
Dit leven van strijd drijft de gelovige naar Christus, Die onze gerechtigheid is. In Zondag 44 wordt onderstreept dat wij niet door eigen kracht heiliger worden, maar door een steeds inniger verbondenheid met Jezus te zoeken. Wie dicht bij de Heere leeft, leert zijn eigen onheilige aard steeds dieper kennen en krijgt de Heere Jezus meer nodig. De wet fungeert hierbij als een spiegel die ons klein maakt, zodat wij ons des te meer vastklemmen aan de liefde en trouw van onze Zaligmaker.
Levenslange begeerte
De scherpe prediking van de wet, zoals behandeld in Zondag 44, heeft een tweeledig doel voor ons dagelijks leven. Ten eerste leert het ons een leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer kennen, wat ons ootmoedig houdt. Ten tweede maakt het ons in de loop der jaren des te begeriger om de vergeving en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Hoe dieper de wet doordringt tot de bodem van ons hart, hoe kostbaarder het verzoenende bloed van het Lam voor ons wordt.
In Zondag 44 lezen we dat dit proces ons aanspoort om zonder ophouden God te bidden om de genade van de Heilige Geest. Wij hebben deze kracht nodig om hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van God vernieuwd te worden. Deze heiligmaking bereikt op aarde nooit de volmaaktheid, maar wekt een onverzadelijk verlangen naar de hemelse voltooiing. De wet predikt ons dat de echte volkomenheid pas na dit leven zal worden bereikt, wanneer alle strijd voorbij is.
Dit vooruitzicht geeft moed aan de onheilige heiligen die nu nog zuchten onder hun zondige begeren. In Zondag 44 ligt de troost besloten dat er een dag komt waarop onze handen nooit meer zullen zondigen en ons hart volmaakt heilig zal zijn. In de hemel zal de zonde geen plaats meer hebben en zal onze ziel de Heere dag en nacht dienen in Zijn tempel. Daar zal het “kleine beginsel” van heiligheid eindelijk overgaan in een eeuwige en ongestoorde aanbidding van God.
Laten wij daarom volhouden in de strijd en steeds weer de genade in Christus zoeken, zoals Zondag 44 ons voorhoudt. Hoewel wij op aarde nog te maken hebben met een verdorven natuur, wijst de wet ons de weg naar de bron van alle leven. Onze treuring en zuchting zullen straks wegvlieden wanneer de vrijgekochten met gejuich tot Sion wederkeren. Vertroost elkaar met deze woorden van hoop, wetende dat de Heere de getrouwe Voltooier is van Zijn eigen werk.\
