Lo Ammi, Lo Ruchama – Hosea 1
| Meditatie over Hosea 1 Hosea 1:6: Noem haar naam Lo-Ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, maar Ik zal hen zekerlijk wegvoeren. Hosea 1:9: En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-Ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. Hosea 1:12: Zegt tot uw broederen: Ammi; en tot uw zusteren: Ruchama. |
Lo Ammi, Lo Ruchama
Weet u nog hoe het voelde, vroeger op school, als u een bijnaam kreeg die u niet wilde? Zo’n naam die iedereen bleef gebruiken, en die u steeds weer herinnerde aan iets waar u u voor schaamde? In Hosea 1 lezen we van drie kinderen die van God Zélf zulke namen krijgen. Geen leuke namen om aan je vriendjes te vertellen. Namen die als een aanklacht gaan klinken door heel Israël.
Waarom deed de HEERE dat? Om Zijn volk – en ook ons – wakker te schudden, voor iets wat zij toen en wij nu niet graag onder ogen zien: onze ontrouw aan Hem.
Hosea, het betekent ‘de HEERE redt’, leeft in een tijd dat het met Israël uiterlijk heel goed gaat. Koning Jerobeam II heeft het land groot en welvarend gemaakt. Maar ondertussen dient het volk de Baäls, de afgoden van de omliggende volken. En het heeft de HEERE, de God van het verbond, de rug toegekeerd.
Om dat duidelijk te maken, krijgt Hosea een aangrijpende opdracht: Ga heen, neem u een vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganselijk van achter de HEERE (vers 2). Hosea trouwt (wettig!) met Gomer. En uit dat huwelijk worden drie kinderen geboren. En alle drie krijgen ze een naam met een boodschap.
Het eerste kind heet Jizreël: dat herinnert aan het bloed dat in die stad vergoten is. En het kondigt aan dat het koningshuis van Jehu zal vallen.
Het tweede kind heet Lo-Ruchama: ‘niet ontfermd’. Want, zegt de HEERE: Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël (vers 6). Het volk zal in ballingschap terechtkomen.
Het derde kind heet Lo-Ammi: ‘niet Mijn volk’. Want, zegt de HEERE: Gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn (vers 9). God verbreekt de band met Zijn volk, omdat het volk Hem niet meer oprecht dient. Het gaat van erg naar steeds erger. Stap voor stap trekt de HEERE Zijn hand terug van een volk, dat Hem éérst had losgelaten.
Vooral die laatste naam weegt zwaar. Het volk was trots op de naam van Israël, de naam die vader Jakob van de Heere kreeg na zijn worsteling bij de Jabbok. Maar door hun ontrouw wordt die naam hun ontnomen. Zo laat de Heere het volk hun zonden zien: zonde is ontrouw aan God. Het is niet zomaar een vergissing. Zonde is als een vrouw die een vreemde man verkiest boven haar eigen man.
Maar gelukkig is daarmee het laatste woord nog niet gezegd…
Lijken wij op het volk Israël? Dienen wij afgoden? Zondag 34 van de Catechismus zegt: Afgoderij is, in de plaats van de enige ware God, Die Zich in Zijn Woord geopenbaard heeft, of naast Hem, iets anders verzinnen of hebben, waarop u uw vertrouwen zet. Dus alles waar ons hart meer op vertrouwt dan op de HEERE, dat is afgoderij. Dat is ontrouw aan God.
Maar gelukkig, met de aankondiging van het komende oordeel, is het laatste woord nog niet gezegd. Want er valt een straal van licht in vers 10. Waar dat ontrouwe volk nog steeds ‘kinderen Israëls’ genoemd wordt. Gods geduld is blijkbaar nog niet op. Hij wil Zijn verbondsvolk niet kwijt. En zo is het ook met u. Vandaag klopt Hij nog aan de deur van uw hart. Hij wil u niet kwijt. Bekeer u dan, voordat het te laat is.
Wie de HEERE door genade kennen mag, zal de ontrouw die hier geschetst wordt, herkennen.
De HEERE klaagt over onze zonden, maar houdt niet op ons lief te hebben, ondanks al onze ontrouw. En zo klinken er gelukkig aan het einde van Hosea 1 toch nog hoopvolle beloften. In vers 10: het zal geschieden dat ter plaatse waar tot hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt Mijn volk niet, tot hen gezegd zal worden: Gij zijt kinderen des levenden Gods.
Joden en heidenen zullen zich ‘een enig Hoofd stellen’, dat is Christus. En door één geloof in één lichaam onder één Hoofd Jezus Christus samengevoegd, zegt de Kanttekening, zal uiteindelijk toch gezegd worden: Ammi, Mijn volk. En Ruchama, o ontfermde.