Op Uw zaligheid wacht ik – Genesis 49

17/december/2023

Bijzondere Diensten: Advent

Bijbelboeken: Genesis.

Preek over: Op Uw zaligheid wacht ik
Genesis 49:18: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!

Een onuitgesproken schuldbelijdenis bij het sterven van Jakob

Op deze adventszondag klinkt het woord van de stervende Jakob in Genesis 49: op Uw zaligheid wacht ik. Jakob is 147 jaar oud. Rond zijn bed staan zijn zonen. Het is een plechtig moment. Hij roept hen samen om hun te verkondigen wat hun in de navolgende dagen zal wedervaren. Hij spreekt als vader, maar ook als Israël, de man die door Gods genade een nieuwe naam kreeg.

Dat moment van het sterven van Jakob is niet alleen ontroerend, maar ook confronterend. Hij ziet zijn zonen voor zich. Ruben, getekend door overspel. Simeon en Levi, getekend door geweld. Juda ontvangt een zegen en in hem licht even de Messiaanse verwachting op: de scepter zal van Juda niet wijken, totdat Silo komt. Even ziet hij in geloof vooruit naar de Vredevorst.

Maar dan komt Dan. Geen zegen, maar een beeld van een slang aan de weg, een adderslang die bijt in de hiel. De zoon van de hielelichter weerspiegelt zijn vader. Zo vader, zo zoon. De zonden van zijn kinderen leggen Jakobs eigen hart bloot. Wat hij ziet in hen, herkent hij in zichzelf.

Daar, bij het sterven van Jakob, klinkt geen uitgesproken schuldbelijdenis, maar zijn hart spreekt. Als de Heere de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal bestaan? De vloek over Dan heeft hij zelf verdiend. De geschiedenis van zijn leven is zondegeschiedenis. Iedere zoon vergroot zijn schuld. Als hij steun zoekt in zichzelf of in zijn gezin, blijft er niets over.

Zo sterft hij niet als een goede vader of voorbeeldige gelovige, maar als een arme zondaar. Het Koninkrijk wordt niet binnengaan als een verdienstelijk mens, maar kruipend, op de knieën. Het sterven van Jakob laat een blik naar binnen zien: een woordeloze schuldbelijdenis, een hart dat weet dat het niets heeft om op te hopen in zichzelf.

Een verwachtingsvolle geloofsbelijdenis: op Uw zaligheid wacht ik

Juist in dat diepe besef breekt het licht door. Bij het sterven van Jakob klinkt niet alleen schuld, maar ook geloof. Hij zegt niet: op mijn zaligheid wacht ik. Hij weet dat er van hemzelf niets te verwachten is. Maar door het werk van de Heilige Geest wordt zijn blik omhoog en vooruit gericht. En dan spreekt hij het uit: op Uw zaligheid wacht ik, HEERE.

Dat is geen vage hoop, maar een vast vertrouwen. Letterlijk wacht hij op Gods Jesjua, op Gods Redder, op Gods Jezus. Zijn enige verwachting is de Messias, Die Zijn volk zalig zal maken van hun zonden. Niet hijzelf, maar de Heere. Niet eigen kracht, maar Gods trouw aan Zijn verbond.

Vroeger regelde Jakob zijn eigen zaken. Hij greep, hij plande, hij vertrouwde op zichzelf. Maar nu, na een leven waarin God zijn hoogmoed brak en hem afhankelijk maakte, blijft er niets anders over dan God Zelf. Niet zijn zonde, maar Gods zaligheid is zijn houvast.

Op Uw zaligheid wacht ik is daarom de hartelijke geloofsbelijdenis van een stervende zondaar. Hoewel hij in zichzelf goddeloos is, mag hij in Gods Redder rechtvaardig zijn. Hoewel hij zondaar is, zal hij om Christus’ wil gedragen worden in de schoot van Abraham.

Dit is niet alleen de adventsroep bij het sterven van Jakob, maar de verwachting van ieder kind van God. Wie op de Heere hoopt, zal niet beschaamd worden. Bij Hem is goedertierenheid en veel verlossing. Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.

Wie zichzelf leert kennen als een Jakob, leert uitroepen: op Uw zaligheid wacht ik. Niet werken en hopen op eigen kracht, maar verwachten wat God beloofd heeft. In die wachttijd leert een mens zichzelf kennen, leert hij alles uit handen geven, leert hij pleiten op Gods Woord. En op Gods tijd wordt de beloofde Zaligheid geopenbaard.

De verwachting van de kerk en de troost bij het sterven van Jakob

De woorden bij het sterven van Jakob hebben niet alleen persoonlijke betekenis, maar raken ook de kerk. Jakob ziet zijn zonen als het begin van een groot volk. Maar als hij kijkt naar hun zonden en naar zichzelf, rijst de vraag: hoe moet het verder?

Die vraag klinkt ook vandaag. Als wij kijken naar onszelf, naar onze kinderen, naar de kerk, naar de afname van liefde, naar de lichtvaardigheid over zonde, naar het verlies van eerbied voor het Woord, dan lijkt er weinig hoop. Niet beter dan elders, ook wij hebben God op het hoogste misdaan.

Toch blijft de belofte staan. De poorten van de hel zullen Gods gemeente niet overweldigen. Maar de hoop mag niet rusten op menselijke plannen of creativiteit. Niet op acties of vermaak, maar op God. Ruim baan voor het Woord. Veel verborgen gebed. Een godzalig leven dat anderen aanspoort. Dat is de weg van verwachting voor de kerk.

Tenslotte gaat het bij het sterven van Jakob om de enige troost bij het sterven van ieder mens. Hoe zult u sterven? Er zijn twee wegen. Wie zijn hoop zet op wat voorbijgaat, zal zonder hoop sterven. Als de goddeloze sterft, vergaat zijn verwachting.

Maar wie, zoals Jakob, mag zeggen: op Uw zaligheid wacht ik, heeft een levende hoop. Niet een schrale hoop, maar een vaste verwachting van wat zeker is. God bedriegt niet. Zijn beloften zijn betrouwbaarder dan wat onze ogen zien.

Na wachten komt hebben. Na geloven komt zien. Wie zo de Jordaan van de dood overgaat, zal niet verdrinken. Aan de overkant zal het klinken: Uw Woord was waar. Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien.

Zo eindigt het sterven van Jakob niet in wanhoop, maar in verwachting. Als arme zondaar, met tranen om zichzelf, maar met dit woord op de lippen: op Uw zaligheid wacht ik. Dat is de troost van Gods kinderen, nu en in het uur van de dood.