| Preek over: De verschijning aan de discipelen Lukas 24:36: En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus Zelf in het midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden. |
De verschijning aan de discipelen: Vrede zij ulieden
Het is ’s avonds laat op de dag van de opstanding. De deuren zijn gesloten en op slot uit vrees voor de Joden. De discipelen zijn bang; er is zoveel gebeurd de laatste dagen, zoveel onrecht en geweld. Terwijl zij met elkaar spreken over de dingen die gebeurd zijn—het onbegrijpelijke lijden van hun Meester en de berichten van de vrouwen en de Emmaüsgangers—gebeurt het onverwachte. Ineens staat Jezus Zelf in het midden van hen. De verschijning aan de discipelen begint niet met boosheid of een verwijt, maar met de woorden: “Vrede zij ulieden”.
Het is bijzonder aan de goede dienst van de Heere dat Hij Zich niet schaamt om Zijn kinderen broeders te noemen, zelfs nadat zij Hem alleen gelaten hebben. De discipelen hadden Hem verlaten in Zijn diepste angst in Gethsémané. Toch zoekt Hij hen direct na Zijn opstanding weer op. Hij komt naar hen toe op het moment dat zij alles kwijt zijn en van binnen alles overhoop ligt. De Heere Jezus had kunnen denken: “Ik ben nu opgestaan in heerlijkheid, die discipelen zijn voor Mij niet meer interessant”. Maar zo is onze Heere niet; Hij geeft mild en verwijt niet. Hij komt vrede spreken in de harten van mensen die het niet meer weten.
De Heere doet dit om plaats te maken voor de Zaligmaker. Hoewel de discipelen Hem al kenden, kenden zij Hem nog op hun eigen manier. Zij dachten dat Hij een aardse Koning zou worden, maar Gods plan was anders: de Messias moest lijden en sterven in hun plaats. Door hen nu op te zoeken, leert Hij hen meer over wie zij zelf zijn—zwak van moed en klein van krachten—en over Wie Hij is als de Redder die weglopers weer opzoekt. Juist wanneer de grond onder hun voeten is weggevaagd, komt de Zaligmaker hen als drenkelingen oprapen.
De schrik van de discipelen en het bewijs van de Zaligmaker
Bij deze eerste verschijning aan de discipelen zien we hun schrik. In plaats van blijdschap is er paniek; zij menen een geest te zien, een mens zonder lichaam. Hun hart is vol vrees en ongeloof omdat zij de beloftewoorden van de Heere zijn vergeten. Jezus vraagt hen: “Wat bent u ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uw harten?”. Hij kent hun hart en de verkeerde gedachten die daar in opkomen. Zij verwachten geen levende Jezus, maar een dode Meester.
Om hun angst en vrees weg te nemen, toont Hij hen de tekens van Zijn lijden. “Zie Mijn handen en Mijn voeten; want Ik ben het Zelf; tast Mij aan en ziet,” zegt de Heere. Hij benadrukt dat een geest geen vlees en benen heeft zoals Hij. De doorboorde handen en voeten zijn de bewijzen dat Zijn dood voor hen was en Zijn leven voor hen is. Zelfs dan is er nog twijfel; zij kunnen het van blijdschap bijna niet geloven. Het lijkt te groot om waar te zijn dat er vrede is met God door deze wonden.
De Heere gaat echter verder om hun ongeloof te overwinnen. Hij vraagt of zij iets te eten hebben en eet voor hun ogen een stuk van een gebraden vis en van een honingraat. Hij doorstaat de eetproef om definitief te laten zien: “Ik ben geen geest, Ik ben uw Zaligmaker”. Toch schrijft Lukas dat het uiteindelijk niet gaat om de zichtbare verschijning aan de discipelen, maar om Zijn woorden. Na Pasen gaat het niet meer om zien, maar om geloven. Hij wijst hen terug naar de Schriften—de Wet van Mozes, de Profeten en de Psalmen—waarin alles over Hem geschreven staat.
Het openen van het verstand en het verstaan van de Schriften
De kern van de verschijning aan de discipelen ligt in het onderwijs dat de Heere geeft. Hij legt uit dat het alles moest vervuld worden volgens Gods eeuwige verlossingsplan. Jezus opent hun verstand opdat zij de Schriften zouden verstaan. Zonder dit ingrijpen van de Heere blijven mensen blind voor de noodzaak van Zijn lijden en sterven. De natuurlijke mens begrijpt de dingen van de Geest van God niet totdat de Heere Zelf komt en door Zijn Heilige Geest spreekt met Zijn Woord.
Deze verandering komt geheel van Hem vandaan; Hij komt, Hij spreekt en Hij opent het verstand. De discipelen leert Hij dat Zijn lijden volmaakt moest zijn; Hij moest door iedereen verlaten worden om de straf te dragen. Door de weg van verwarring en donkerheid kregen zij meer zicht op hun eigen ellendige mens-zijn en de absolute noodzaak van Zijn plaatsvervangend sterven. De woorden van de Schriften, die zij al duizend keer hadden gehoord, worden nu door de Heilige Geest levend en krachtig in hun hart. Zij zien nu in dat Hij als een lam ter slachting is geleid en dat door Zijn striemen er genezing is geworden.
De verschijning aan de discipelen brengt hen op een nieuw spoor. Wat zij eerst niet begrepen of wilden, wordt nu hun verwondering en hun roem. Waar Petrus eerst zei dat het lijden de Heere niet mocht overkomen, daar leren zij nu roemen in het kruis van de Heere Jezus Christus. De Heere houdt niet op hen te leren; zij blijven leerlingen voor wie de zon langzaam opgaat. Hoewel zij Hem dikwijls vergeten of weglopen, blijft Hij getrouw, zoekt Hij hen op en geeft Hij hen geloof in Zijn woorden. Met deze Heere en Zaligmaker heb je alles; Hij is het schild in alle nood die de smart verdrijft.
