| Preek over: Zondag 3 Zondag 3 van de Catechismus gaat over wie de oorzaak is van onze ellende. Heeft God de mens zo verkeerd geschapen? |
Zondag 3: Goed geschapen naar Gods beeld
Vanaf zondag 1 gaat het over de enige troost in leven en sterven. Om die troost te kennen, moeten drie dingen geleerd worden: hoe groot mijn zonden en ellende zijn, hoe ik daarvan verlost word en hoe ik daarvoor dankbaar zal zijn. In zondag twee is gezien dat de wet van God laat zien dat wij God boven alles en de naaste als onszelf moeten liefhebben, maar dat wij dat niet kunnen en niet willen. Dat doel is niet om moedeloos te worden, maar om te vluchten tot Christus, Die zondaars wil reinigen en harten vernieuwen.
Nu gaat het verder met Zondag 3 en de vraag waar onze ellende vandaan komt en of dat altijd zo geweest is. Daarbij wordt Genesis drie geopend. Daar staat hoe de mens in zonde viel. De slang zaait twijfel over Gods woorden. Eva gaat woorden van God verdraaien en stelt Hem strenger voor dan Hij gesproken heeft. Daarna volgt wantrouwen, luisteren naar de duivel, kijken, begeren, nemen en eten. Zo gaat het nog steeds: luisteren naar verleiding, twijfelen aan Gods Woord, begeren en doen. Dat is het patroon van de val.
Tegenover de eerste Adam staat de laatste Adam, Jezus Christus, Die niet twijfelde, niet wantrouwde en niet zondigde. Toch mag de eerste Adam niet vergeten worden, want wie de kwaal niet kent, verlangt niet naar genezing. Door de eerste Adam wordt zichtbaar wat van de mens geworden is, zodat verlangen naar de Zaligmaker wordt opgewekt.
Zondag 3 stelt eerst de vraag of God de mens slecht heeft geschapen. Het antwoord is duidelijk: nee. God heeft de mens goed en naar Zijn beeld geschapen, in gerechtigheid en heiligheid. De mens kende God recht, had Hem lief en leefde tot Zijn eer. Adam leefde volkomen naar Gods wil, zonder zonde, dicht bij God en gelukkig in die gemeenschap. Zo was de mens geschapen. Zondag 3 laat zien hoe hoog de oorsprong was en hoe goed de schepping van de mens.
Zondag 3: Diep gevallen in zonde
Daarna vraagt Zondag 3 waar dan de verdorven aard van de mens vandaan komt. Het antwoord wijst op de val en ongehoorzaamheid van Adam en Eva. Door die ene val is de menselijke natuur verdorven geworden en worden alle mensen in zonde ontvangen en geboren. De mens stond hoog, maar is diep gevallen. Door één mens kwam de zonde in de wereld en door de zonde de dood. Sindsdien is het leven niet meer gericht op het liefhebben en dienen van God, maar op geestelijke dood en vervreemding.
Die eerste zonde was geen vergissing, maar opstand. De mens wilde als God zijn. Het was verwerping van God en aantasting van Zijn liefde. Adam vertegenwoordigde heel zijn nageslacht en sleurde allen mee in zonde en dood. Tegenover moderne stemmen die zeggen dat de mens goed is of niet meer dan een ontwikkeld dier, zet het Woord van God een andere werkelijkheid: goed geschapen, maar diep gevallen. Niet hopeloos, want tegenover de eerste Adam staat de laatste Adam, Jezus Christus, Die Zijn mensen draagt tot herstel en leven.
Zondag 3 houdt de werkelijkheid eerlijk voor: zondigen gaat vanzelf, omdat het hart verdorven is. Zoals bedorven voedsel niet meer goed te maken is, zo is het hart van de mens bedorven. Dat geeft verdriet als het door het licht van Gods Geest wordt gezien. Toch wordt ook gezegd dat God dat bedorven hart niet wegdoet, maar roept: kom tot Mij. Wat de mens stukgemaakt heeft en niet kan herstellen, wil God herstellen. Daarom wordt opgeroepen om eerlijk te erkennen, te buigen en schuld te belijden. Door die weg wordt de heerlijkheid van de tweede Adam zichtbaar, Die zonder zonde was en volkomen gehoorzaam.
Zondag 3: totaal onbekwaam zonder wedergeboorte
Zondag 3 vraagt vervolgens of de mens zo verdorven is dat hij onbekwaam is tot enig goed en geneigd tot alle kwaad. Het antwoord is ja, tenzij iemand door de Geest van God wedergeboren wordt. Dat betekent dat de mens van zichzelf niet meer in staat is tot zaligmakend goed. Er zijn mensen die veel goeds doen voor anderen, maar niemand heeft van nature een hart dat God boven alles liefheeft en al Zijn geboden volmaakt houdt. Die gerichtheid op God is verloren gegaan.
De leer wordt samengevat: mensen worden in zonde ontvangen, zijn onbekwaam tot zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in zonden en kunnen zichzelf niet vernieuwen. Zonder de genade en wederbarende werking van de Heilige Geest is er geen terugkeer tot God mogelijk. Dat maakt de nood groot, maar niet zonder hoop. Het woord “tenzij” wijst op Gods ingrijpen.
De verwijzing naar Nicodemus laat zien dat alle eigen verbeterpogingen niet redden. Een nieuw hart is nodig. Niet bij jezelf, maar bij God moet redding gezocht worden. Wedergeboorte is nodig: nieuwe oren om te horen, nieuwe ogen om te zien en een hart dat naar God verlangt. Daarom klinkt de oproep om de hoop op zichzelf op te geven en te vragen om Gods werk van boven.
Zondag 3 tekent in donkere lijnen de nood van de mens en sluit zelfredding uit. Maar juist daarin wil God beginnen. Hij wijst op de weg die Hij Zelf heeft gebaand door Jezus Christus, de laatste Adam, Die door gehoorzaamheid en offer een weg tot herstel opende. Daarom klinkt de oproep om eerlijk te buigen, Gods oordeel toe te stemmen en te bidden om ontferming. De Zaligmaker van zondaars past bij verloren mensen. Dat is de hoop die in Zondag 3 wordt aangewezen.
