Mattheüs 27: Purperen kleed, doornenkroon, rietstok en speeksel
Mattheüs 27:27-32: En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; en een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand; en vallende op hun knieën voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden. En op Hem gespogen hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op Zijn hoofd.