Preek Zondag 16 · Gestorven en begraven

LEESPREEK

Audio en video en online hierboven, en online leespreek hieronder
zijn onderdeel van een NIEUWE serie leespreken over de catechismus,
die D.V. in 2025 op deze website zal worden geplaatst.

Vragen bij de preek (met dank aan: GG Alexanderpolder)



Gemeente, jongens en meisjes, van de trappen van de vernedering van de Heere Jezus hebben we er ondertussen drie gezien.
In Zondag 14 ging het over de nederige geboorte. Dat was de eerste trap, de eerste traptrede van de vernedering van de Heer Jezus.

In Zondag 15 ging het over het lijden van de Heere Jezus, Zijn leven lang, maar vooral aan het einde van Zijn leven. Dat was de tweede traptrede.
En uiteindelijk werd Hij onschuldig ter dood veroordeeld onder Pontius Pilatus. En gekruisigd. Dat was de derde traptrede.
 
En nu gaat het over wat daarna gekomen is. Want de Heere Jezus is niet alleen gekruisigd, maar ook gestorven en begraven. Dat was de vierde trap.
En nedergedaald ter helle. Dat was de vijfde traptrede van Zijn vernedering.
 
Daarover, over die twee laatste trappen van Zijn vernedering, gaat Zondag 16 van onze catechismus. Een hele lange zondag, met vijf vragen en vijf antwoorden.

Zondag 16

Zondag 16, vraag 40. Waarom heeft Christus Zich tot in den dood moeten vernederen?
Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.
     Dat gaat over de reden van Zijn dood
 
Zondag 16, vraag 41. Waarom is Hij begraven geworden?
Om daarmede te betuigen (te laten zien) dat Hij waarachtig gestorven was.
     Dat gaat over de werkelijkheid van Zijn dood.

Zondag 16, vraag 42. Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Zondag 16, vraag 43. Wat verkrijgen wij meer (wat is er nog meer?) voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis?
Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.
     Antwoord 42 en 43 gaan over de vrucht van Zijn dood.
     Over wat de Heere Jezus daarmee verdiend heeft.

Zondag 16, vraag 44. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid/smarten/ verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij v.d. helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
     Dit laatste natwoord gaat over de troost van Zijn lijden.
 
Het thema voor de preek van vanmiddag is:
Het laatste van Christus’ vernedering
 
Er zijn vier aandachtspunten, ik heb ze eigenlijk al genoemd:
1. De reden van Zijn dood
2. De werkelijkheid van Zijn dood
3. De vrucht van Zijn dood
4. De troost van Zijn lijden
Als eerste dus:

1. De reden van Zijn dood

Want het moest. Hij, de Heere Jezus, moest sterven. De catechismus zegt in Zondag 16 antwoord 40: Het kon niet anders.
Waarom? Waarom kon niet anders?
Had Hij geen andere straf kunnen krijgen? Iets minder zwaar misschien?
Waarom moest Hij zelfs de vervloekte dood aan het kruis sterven?

De catechismus zegt: Dat was echt nodig. Omdat?
Kijk maar in Zondag 16 antwoord 40: omdat vanwege de gerechtigheid en waarheid van God niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door Zijn dood. Vanwege de gerechtigheid en waarheid van God…
Hier is dus de eer van God in het geding.

a. Zijn volmaakte gerechtigheid.
Die stralende eigenschap van God, waardoor Hij altijd doet wat recht, wat eerlijk is.
De Heere is recht in al Zijn weg en werk. Hij is niet oneerlijk. Hij doet nooit onrecht.

Jongens en meisjes, was de straf op de zonde in het paradijs een eerlijke straf, vind je?
Was het een gewone zonde? Ik bedoel dat Adam en Eva opstonden tegen God? Dat zij als God wilden zijn?
Nee, dat was de allerergste, dat was de allergrootste zonde. En daarbij hoorde de hoogste straf.

Wat de Heere tevoren ook gezegd had, toch? Ten dage als u daarvan eet, zult u de dood sterven. Dit door de vingers zien, was onmogelijk.
En dus was het onvermijdelijk: het moest. Want God is recht, Hij is rechtvaardig.
De eer van God was in het geding. Zijn gerechtigheid, en…

b. Zijn waarheid.
De Heere liegt nooit.
Als Hij iets belooft, het kan even duren, maar Hij zal het doen. Hij is een Waarmaker van Zijn Woord.
En als Hij dreigt met straf, het kan even duren, maar Hij houdt Zijn woord.

En dus: kon het niet anders.
Ja, is dat echt zo? God had toch ook gewoon alle mensen kunnen straffen?
Maar de catechismus zegt het terecht: God kon niet anders.

Want? Nou, op de achtergrond schuilen nog twee dingen.
Gods eeuwige plan, Zijn raad, Zijn besluit, Zijn welbehagen om verloren mensen te redden en vrij kopen van hun schuld.
Dat had God in eeuwigheid al besloten. Om mensen vrij te kopen, die dat zelf niet zouden kunnen. De Rechter besloot Zelf in te grijpen en Zijn Zoon te geven in hun plaats.
En daarbij is er ook nog de eigenschap van Gods liefde.

En al deze zaken ontmoetten elkaar op Golgotha. Dat werd het wonder van Golgotha.
Gods waarheid en recht eisten de eerlijke straf, de doodstraf.
En Gods eeuwige raad en liefde lieten die doodstraf neerkomen op de Heere Jezus Christus.
En zo opende de Heere op een wonderlijk manier een weg. Golgotha werd de plaats van het wonder van Gods eenzijdige genade voor verloren zondaars.

Daar werd dwars door het oordeel heen, al de liefde van God zichtbaar. In de vrijwillige overgave en dood van Zijn lieve Zoon.
En zo schitterden op Golgotha al de deugden, al de volmaakte eigenschappen van God: genade en waarheid, recht en vrede.

Het kon niet anders. En de Heere wilde het niet anders.
Er moest voor onze zonden betaald worden, door den dood des Zoons Gods. Zijn dood voor onze dood.

Hebt u daar trouwens wel eens iets van gezien voor uzelf? Het is de Heere die de maat ervan bepaalt. Iets van dit, wat hier staat: Het kon niet anders.
Want…, zo erg is het, ook met mij.
Ik heb de dood verdiend. En Gods waarheid en recht eisen: er moet betaald worden,
Met een volledige betaling.
Maar ik kan niet betalen. Ik heb werkelijk niets om te voldoen.

Leeft dat zo in uw hart? Ik heb niets? En al die offers van mij, het is allemaal tekort? Het valt me allemaal door de vingers, het wordt me allemaal uit handen geslagen?
Er moet Iemand anders voor mij betalen en sterven?


En dan dat wonderlijke, als God Zijn licht laat vallen op Hem, de Heere Jezus Christus.
Die de Vader in liefde gaf aan een verloren wereld.
Die Zichzelf gaf om in plaats van al de Zijnen hun dood te sterven.
Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven…

Dat is, kinderen van God, wat ons ook in het sacrament van het Heilig Avondmaal voor ogen geschilderd wordt. Dit is Mijn lichaam, dat voor u verbroken is. Dit is het Nieuwe Testament in Mijn bloed, dat voor u vergoten is. Uw dood werd Mijn dood. En Mijn leven werd uw leven.
En nu is uw schuld uit Gods boek gedaan. Nu ziet Hij geen van uw zonden meer aan.     
Ons tweede punt:

2. De werkelijkheid van Zijn dood

Vraag 41 zegt: Waarom is Hij begraven geworden?
Om daarmede te betuigen dat Hij waarachtig gestorven was.

De Heere riep: Het is volbracht. Hij boog Zijn hoofd. En gaf de geest.
En een soldaat doorstak Zijn zijde, hij stak een speer in Zijn hart (dat gebroken was), en terstond kwam er bloed en water uit. En daarna hebben Jozef van Arimathea en Nicodemus Hem in stilte begraven.
Dat is de Bijbelse manier van omgaan met onze doden. Zoals de Heere Zelf het lichaam van Mozes in de aarde begroef.

Die begrafenis was echt. Dat was geen schijnvertoning.
De Heere Jezus is echt gestorven, en dus wordt Hij echt begraven.

Maar het betekent meer. De Heere Jezus was niet alleen voor al Zijn kinderen de weg van lijden en sterven gegaan, maar nu gaat Hij ook voor hen de weg van begraven worden.
Alles wat door de zonde aan ellende in de wereld gekomen is, alles draagt Hij voor hen.
Alles. Ook het laatste: de oneer en de vernedering van begraven worden.

En door Zich te laten begraven, is dat ‘begraven worden’ voor kinderen God anders geworden.
Dat kille graf, kinderen van God, waarvan de dichter zingt: Wie redt zijn ziel van graf…?
Dat kille graf, waar we onze geliefden met tranen neergelegd hebben…

Dat kille graf, waar ook ons leven eens zal eindigen… is anders geworden.
Nu de Heere Jezus daarin gelegen heeft, heeft Hij die plek voor ons geheiligd.
Nu heeft Hij ook die plaats voor ons gekocht.

Als een wachtkamer. Als een plaats waar ons lichaam in stilte en vrede wacht.
Als een slaapkamer. Als een plaats waar ons lichaam in stilte en vrede de slaap slaapt van de dood. Totdat we op de dag van de terugkomst van de Heere Jezus weer wakkergemaakt zullen worden, en als bruid de Bruidegom tegemoet zullen gaan.

Als een kleedkamer. Waar het kleed van de zonde uitgetrokken wordt, totdat we straks in bruiloftskleed tot de Koning gebracht zullen worden.
De begraafplaats is voor ons een akker, een dodenakker geworden. Waar ons lichaam als tarwe gezaaid wordt. Het wordt gezaaid in oneer, het wordt straks opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt straks opgewekt in kracht.  
Straks als onze Heere terugkomt op de wolken van de hemel.

Jongelui, je kan huiveren als je denkt aan de dood, als je denkt aan het graf.
Maar leven met de Heere (door Zijn genade) breekt in ons iets van de angst voor de dood.   
Zeker, we denken er niet gemakkelijk over. Het blijft de laatste vijand.
En ziekte, afhankelijkheid, afgebroken worden, is heel zwaar. Daar deinzen wij mensen voor terug. De dood hoort niet bij ons mensen. Wij mensen willen leven!

En toch, sinds het sterven en het begraven worden van de Heere Jezus is er iets veranderd.
Waardoor je anders mag kijken, naar je geliefden die in de Heere gestorven zijn. Die met de Heere leefden en in de Heere stierven.
En als je zelf kind van de Heere mag zijn, mag er ook zelf anders naar kijken.
Zoals de dichter van Psalm 49 zingt: Na de dood? Is het leven mij bereid. God neemt mij op in Zijn heerlijkheid.

Zondag 16 gaat over het laatste van de vernedering van de Heere Jezus. We hebben het gehad over de reden en over de werkelijkheid van Zijn dood.
We gaan nu verder met ons derde punt:

3. De vrucht van Zijn dood

Want, zo zegt Zondag 16 vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven

Hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Ook wij moeten sterven. Ook jij, ook jullie, jongelui.
Misschien binnenkort, misschien iets later.
En dat dat werkelijk zo is, weet je misschien ook wel van heel dichtbij…

Mag ik je vragen, jongelui: Als jij moet sterven, waar ben je dan? Wat moeten wij dan denken van jou? Wat moeten we dan zeggen over jou?
En, hoe kijk jij dan zelf, vanuit de eeuwigheid, terug op deze tijd?
Op al de tijd die je had, om de Heere zoeken?
Op al die momenten, dat de Heere hier in de kerk, en thuis en op school klopte op de deur van je hart?

Zal je slaapkamer dan je stille getuige zijn, dat je vaak je knieën gebogen hebt, om de Heere ernstig te zoeken?
Zal de Heere Zelf dan je Getuige zijn, dat je Hem vroeg gezocht hebt?
Zal het doopwater op je voorhoofd dan schitteren, als drager van de vervulde belofte: Hij, zij die Mij vroeg zocht, heeft Mij gevonden?

Als dat zo is, dan zullen we aan je terugdenken met tranen. Maar ook met zekere hoop.
Want veel beter dan dit tijdelijke leven, is de hemelse heerlijkheid. Bij de Heere te zijn, is verreweg het beste.
Dan zullen we weten, dat je eeuwig gelukkig bent.
Dan zullen we je in vrede te rusten leggen in de slaapkamer van een geheiligd graf.

Maar als niet zo is? Wat dan? Als je je tijd hier, voor anderen dingen gebruikt hebt?     Als je de Heere nooit gezocht hebt?
Jongeren, dan loopt het niet goed met je af. Ik zeg je eerlijk tegen je, want ik ben medeverantwoordelijk voor je toekomst. Dan kom je voor eeuwig om.
En de kinderen Koninkrijk, met een gedoopt voorhoofd, zullen geworpen worden (zegt de Heere Jezus) in de buitenste duisternis.

Bespaar dat jezelf. Bespaar dat je familie en vrienden.
En dus: bereid je voor, op het moment dat je sterven gaat.
Zoek de Heere, je zult Hem vinden. Echt waar! Ga de Heere toch zoeken!
Met de Heere ga je zo’n gelukkig leven tegemoet. Maar zonder God kom je voor eeuwig om…

Volwassenen, ouderen, bent u voorbereid op het moment dat u sterven moet?
Waar komt u dan terecht? Dat is de belangrijkste vraag van uw leven.
Ja, ik snap het, u wilt die vraag graag wat subtieler gesteld zien, maar ik vraag u:
Gaat u dan naar de hemel? Of gaat u dan naar de hel?

Die vraag moet u niet wegduwen. Daar moet u antwoord op geven.
Want al heel snel kunt u staan…, voor God.
Wat dan…? Als blijkt dat u daar alleen staat, zonder Borg?

Nee, u zult het niet durven. U zult de moed niet hebben, om te zeggen, wat u nu vaak zegt en denkt: Ik heb het zo druk. Ik heb geen tijd. Trouwens, ik kan mezelf ook niet bekeren.
Of (ja, er zijn zelfs mensen dit dat durven zeggen): Ja, maar ik heb de Heere mijn leven lang gezocht, maar ik heb Hem tot nu toe nooit gevonden…

Dat is niet waar. U liegt.
Of God liegt. En dat kan niet.
Dus u liegt.
Want als u de Heere zo gezocht had, dan had u Hem nu echt wel gevonden.
Jongelui, geloof dat soort verhalen niet. Als je de Heere zoekt, dan zal je Hem echt vinden!

Maar lieve vrienden, als u zo sterven moet, hoe moet dan toch met u?
Als u staan zult voor de rechtvaardige God? Die betaling zal eisen van uw hemelhoge schuld? Die u hier een leven lang de weg wees, om uw welverdiende straf te ontgaan?

Tot u zal gezegd worden: U wilde niet. U werd genodigd, maat u kwam niet. U verachtte de aanbieding van Mijn genade. U verachtte het bloed van Christus. U wilde niet dat Hij over u Koning zou zijn.
Gaat weg van Mij. Uw loon, de betaling voor uw zonden, is uw eeuwige dood.

Onbekeerde vrienden, we kunnen nu nog tranen huilen, als we denken aan uw eeuwige ondergang. Maar dan zullen we zeggen (wat we ons nu nog niet kunnen voorstellen): ‘Amen, Heere. U hebt gelijk. Ze hebben Uw liefde veracht. Ze hebben het bloed van Uw Zoon vertrapt.’

Maar nu nog niet. Nu is het gelukkig nog niet zover.
Wij bidden u, van Christus’ wege, namens Hem: Denk na over uw toekomst. U bent op weg eeuwigheid. Laat uw kostbare tijd toch niet voorbijgaan. Bereid u toch voor op het uur van uw dood, van uw staan voor God. Laat u toch met God verzoenen!
Er is een Zaligmaker beschikbaar, ook voor u. Ga naar Hem toe. Zoek Hem.
Vlucht tot Hem. Belijd Hem uw zonde en schuld. U bent echt welkom aan Zijn voeten.

Terug naar Zondag 16 vraag en antwoord 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het dat wij ook moeten sterven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.

Voor ons, kinderen van God, geliefde medechristenen, is de dood anders.
Nee, we verlangen niet op een ongezonde manier naar onze dood. Want het leven en de liefde van de mensen zijn ons kostbaar. En hebben een taak op de aarde, zolang de Heere dat wil.
Maar wat zijn dit woorden vol troost. Voor dit leven. En ook voor als we (in alle aanvechting, zoals staat in Zondag 16 antwoord 44) staan voor de poort van de dood.

Onze dood is geen betaling meer. Want alles, alles is voldaan. Onze rekening is betaald.
Wij worden van sterven echt beter.
Het kan je veel verdriet doen, als je ernstig ziek bent, en weet: ik kan hier niet meer beter worden.
Maar wat een troost, als je weten mag: ik zal door mijn sterven uiteindelijk toch beter worden.

Mijn dood is niet mijn bittere einde. Het wordt het begin van mijn eeuwige vreugde.
Dan zal God mijn druk voor eeuwig verwisselen in geluk.
Mijn dood is wel verlies van aardse betrekkingen, van man of vrouw, van kinderen en kleinkinderen (als u die hebt), maar het is toch winst!

Want mijn dood zal het einde zijn van al mijn aanvechting en strijd, van al mijn pijn en verdriet, van alle minachting en laster.
Maar vooral, mijn dood zal het einde zijn van al mijn zonden.

Dan hoef ik nooit meer te zondigen. Dan heb ik nooit meer last van mijn zondige hart.
De dood is voor mij een doorgang. Hij zal de deur voor me opendoen, om in te gaan in de hemelse heerlijkheid.

De dood zal mij voor eeuwig werpen in de armen van Christus.
De dood heeft voor mij zijn prikkel verloren. Want de prikkel van de dood is de zonde. En de zonde is betaald. En dus is de dood gestorven.
Na mijn sterven zal ik huppelen van zielevreugd, omdat ik eindelijk mijn wens verkrijgen zal.

Dan zeg je niet: ik moet sterven, om te betalen. Terwijl je tot in eeuwigheid nooit betalen kan.
Dan zeg je: ik mag sterven. Het zou een vloek voor me zijn, als ik hier altijd moest blijven.

Zeker, het leven trekt aan me, mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn kleinkinderen, zij die me liefhebben, houden me vast.
Maar het is veel beter om ontbonden te zijn en met Christus te zijn. Dat is verreweg het beste. Mijn leven was Christus, en nu: mijn sterven is winst!

Of…? Of zou u liever voor altijd hier in [plaatsnaam] willen blijven?
Gezellig met elkaar… Zo fijn…!
Vastgeplakt aan het leven van nu, aan de dingen van hier?
Je kan beter vreemdeling zijn, hoor, op reis naar het Vaderhuis. Want het echte leven, liefhebben en loven is daar waar we Jezus zien.

Door het geloof hier op aarde. Het trekt ons hart naar boven.
En door Hem echt zien, straks, van aangezicht tot aangezicht in de hemel.

Kinderen van God, er komt een einde aan onze eenzame reis door deze aardse woestijn.
Straks is alles voorbij. Dan is de zonde voorbij. Die komt nooit meer terug. Dan mogen we eeuwig bij Heere zijn.

Maar, gemeente, de vrucht van het offer en de dood van de Heere Jezus aan het kruis is niet alleen voor straks. Die is ook voor nu.

En dus zegt Zondag 16 vraag 43: Wat verkrijgen wij meer (is er nog meer?) voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.

Onze oude mens… Die altijd iets anders wil, dan dat God wil. Waardoor we maar niet kunnen leven tot Gods eer.
Die oude mens, die ons verdrietig stemt, die ons zoveel zorgen baart.
Waren we dat deel van onszelf maar kwijt! Want het goede dat ik doen wil, dat doe ik niet. En het kwade, wat ik niet wil, dat doe ik wel.
Wat ben toch een ellendig mens! Hoe raak ik toch verlost van die oude mens?

Hoe? De catechismus zegt: door de kracht van Christus.
Door die kracht gaat die oude mens het toch verliezen.
Die oude mens (die overgebleven zonden, die verkeerde verlangens, die verkeerde karaktereigenschappen), die oude mens wordt door doe kracht Christus met Hem gekruisigd, gedood en begraven.

Het valt op dat de catechismus niet zegt: Die is, maar die wordt gekruisigd.
Die oude mens, die wordt (net als de Heere Jezus) aan het kruis geslagen. Die moet sterven. Langzaam, maar…

Kinderen van God, vergis u niet. In twee opzichten.
a. Denk niet dat je oude mens al gestorven is.
Er is hier op aarde geen volkomen heiligheid. We blijven ons hier schamen, we blijven hier treuren om onze zonden.

b. Denk ook niet, dat je oude mens verder leven mag.  
Die moet een pijnlijke dood sterven. Met Hem gekruisigd, gedood en begraven.
Doodt dan uw leden die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst (Kol. 3:5).

Door de kracht van Christus. Want zo alleen, zegt de catechismus: zullen boze lusten van ons vlees (onze zondige gedachten en verlangens) niet meer in ons regeren.
Zij zullen niet meer de baas zijn. Wie dan wel?
De Heere Zelf. Want Die regeert in het hart van Gods kinderen. Hij zit op de troon van ons hart.  

En zo, zegt de catechismus, zullen wij (door Zijn kracht) onszelf aan Hem tot een offerande van dankbaarheid opofferen
Dan gaan we uit dankbaarheid, om wat God gaf, en in Zijn kracht: Hem dienen en voor Hem leven. In heiligheid en oprechtheid. En tot Zijn eer.

Zoals Petrus: niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die tevoren in uw onwetendheid waren; Maar gelijk Hij Die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook gij zelven heilig in al uw wandel. Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petr. 1:14-16).

Heilig leven, heilig wandelen dus.
Dan gaat God je leven regeren. Dan wordt je leven voor Hem. Als offer van dank.
Dan wordt het je hartelijke lust (het liefste wat je doet) om de Heere te dienen.
Hoewel ik de zonde hier op aarde nog niet definitief overwinnen zal.
 
Nog één vraag en één antwoord in Zondag 16. In ons vierde punt:

4. De troost van Zijn lijden

Zondag 16 vraag 44 zegt: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid/smarten/ verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij v.d. helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Wat betekent dat? Dat ‘nedergedaald (naar beneden gegaan) in de hel?’
Niet dat de Heere Jezus op de plek van de hel is geweest. Maar wel, zegt de catechismus: dat Hij geleden heeft wat daar geleden wordt.

Trouwens niet zo maar even, maar in Zijn hele lijden. Maar vooral in Gethsémané, en vooral aan het kruis.
In Gethsémané, toen Zijn discipelen sliepen en wegvluchten. Waar Zijn lijden zo zwaar was, dat Zijn zweet werd als grote stolsels bloed.
Zoveel angst, zoveel benauwdheid en lijden was er in Zijn ziel, dat Hij zei: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe.

Maar vooral toen Hij hing aan het kruis. Vooral toen het drie uur lang helemaal donker was. Waar de Heere Jezus verlaten werd door Zijn Vader. Hij riep het uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

De catechismus noemt het: benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling.
Zoals het is in hel. Dat droeg Hij. Dat onderging Hij!
Want, wat maakt de hel tot hel? En dus ook: wat maakte Jezus’ helse benauwdheid tot hel? 

Jongens en meisjes, waarom is de hel zo erg? Niet dat God er niet is, want de Heere is overal.
Daar is de Heere wel! Maar daar houden Zijn gunst en liefde en geduld voor altijd op.
Daar levert Hij ons over aan Zijn toorn tegen onze zonden. Daar trekt Hij Zijn liefde en licht voor altijd van ons terug.   
Dat is de helse kwelling!


En dat, kinderen van God, heeft Hij voor ons gedragen. Die ondraaglijke verlating: Waarom hebt U Mij verlaten?
Dat droeg Hij in onze plaats. Deed Hij voor ons. Opdat wij nimmermeer door God verlaten zouden worden.

En dat is, zegt de catechismus, voor ons onuitsprekelijke troost
Niet alleen voor straks, maar ook voor in dit leven. Voor als we soms iets voelen in ons hart en leven, van dat verlaten zijn. Voor als we zuchten met David in Psalm 13: Hoelang, HEERE, zult U mij steeds vergeten? (Ps. 13:2)

Opdat (zegt Zondag 16 antwoord 44) in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste (dat Hij door Zijn lijden) mij van de (echte) helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
Wonderlijk! Hier, in diepte van de hoogste aanvechting, vinden we ‘zekerheid’ en ‘troost’.
Wat er ook gebeurd. Wat de duivel ons ook zegt. Wat ons eigen hart ook zegt. En zelfs als de Heere Zijn aangezicht voor ons verbergt…

Dan? Dan mag je, kind van God, als arme zondaar bukkend aan voet kruis, naar boven kijken. En zeggen: ‘Heere (hoewel ik niets meer voel) ik geloof, kom mijn ongelovigheid te hulp! Ik geloof, de gewisse belofte van God, dat U mij (door dit Uw ondraaglijke lijden in helse angst) daarvan verlost hebt. Dat U dat ook deed en droeg voor mij.’

Hoe donker ooit Gods weg moog’ wezen, Hij, de Gekruisigde, de opgestane Heere ziet in gunst op die Hem vrezen. Hij zal ons dragen en redden. Hij zal ons door dit moeilijke leven heendragen, vasthouden en nooit loslaten. En ons daarna, hiertoe door Hem bereid, opnemen in Zijn heerlijkheid.
 
Amen.