Het boek van Gods raad – Openbaring 5

Preek over: Het boek van Gods raad
Openbaring 5:7: En Het (Lam) kwam en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen, Die op den troon zat.

Op de laatste avond van het jaar, terugziend op zegen en verdriet, klinkt uit Openbaring 5 de vraag wie waardig is het boek van Gods raad te openen, totdat Johannes ziet: het Lam, staande als geslacht, heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen, Die op den troon zat. Deze leespreek neemt u mee in de troost dat de toekomst, ook van het komende jaar, veilig ligt in de handen van deze Middelaar.

Bijbelgedeelte Openbaring 5: Het boek van Gods raad

1 En ik zag in de rechterhand Desgenen Die op den troon zat, een boek, geschreven vanbinnen en vanbuiten, verzegeld met zeven zegelen.
2 En ik zag een sterken engel, uitroepende met een grote stem: Wie is waardig het boek te openen en zijn zegelen open te breken?
3 En niemand in den hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde, kon het boek openen noch hetzelve inzien.

4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was om het boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien.
5 En een van de ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw Die uit den stam van Juda is, de Wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen, en zijn zeven zegelen open te breken.

6 En ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de ouderlingen een Lam, staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven ogen; dewelke zijn de zeven Geesten Gods, Die uitgezonden zijn in alle landen.
7 En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechterhand Desgenen Die op den troon zat.

8 En als Het het boek genomen had, vielen de vier dieren en de vier en twintig ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citers en gouden fiolen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen.
9 En zij zongen een nieuw lied, zeggende: Gij zijt waardig het boek te nemen en zijn zegelen te openen; want Gij zijt geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie;
10 En Gij hebt ons onzen God gemaakt tot koningen en priesters, en wij zullen als koningen heersen op de aarde.