Geen blijvende stad – Hebreeën 13
Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.
En ik zag, en ziet, in het midden van den troon, en van de vier dieren, en in het midden van de ouderlingen, een Lam, staande als geslacht. En Het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter hand Desgenen, Die op den troon zat.
En de Geest en de Bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom ! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.
En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken.
Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en godzaligheid! Verwachtende en haastende tot de toekomst van de dag Gods.
De hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.
En zie, Ik ben met ulieden al de dagen tot de voleinding der wereld. Amen.
Maar dit zeg ik, broeders, dat de tijd voorts kort is. Want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.