Ik acht alle dingen schade en drek – Filippenzen 3
| Preek over: Alle dingen schade en drek Filippenzen 3:7-8: Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen. |
Wat eens de trots en het gewin van zijn leven was, noemt Paulus in Filippenzen 3 opeens schade en drek, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, zijn Heere. In deze leespreek over Filippenzen 3:7-8 wordt u meegenomen in de wonderlijke balans die deze apostel opmaakt tussen winst en verlies, en in de vraag die daarachter opklinkt: wat weegt voor u het zwaarst?
Bijbelgedeelte Filippenzen 3: Alles schade en drek
| 4 Hoewel ik heb dat ik ook in het vlees betrouwen mocht. Indien iemand anders meent te betrouwen in het vlees, ik nog meer: 5 Besneden ten achtsten dage, uit het geslacht van Israël, van den stam van Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een farizeeër; 6 Naar den ijver een vervolger der gemeente; naar de rechtvaardigheid die in de wet is, zijnde onberispelijk. 7 Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. 8 Ja gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen; 9 En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijn rechtvaardigheid die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is, namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof; 10 Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende, 11 Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden. 12 Niet dat ik het alrede gekregen heb of alrede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar, of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben. 13 Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. 14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat voor is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods, die van boven is in Christus Jezus. |
