De gemeente: verschillende leden, één lichaam – 1 Korinthe 12

Meditatie over: De gemeente: verschillende leden, één lichaam
1 Korinthe 12:1-27: Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van dit éne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus.

De gemeente: verschillende leden, één lichaam

Als je weleens een kleiner of groter orkest hebt horen in-stemmen voor een uitvoering of een concert, dan weet je wat ik bedoel.
Je hoort een hobo een lange toon houden…
Je hoort het jankende geluid van violen die proberen af te stemmen…
Je ziet mensen draaien aan hun dwarsfluit…

Eigenlijk klinkt ieder instrument op zichzelf een beetje vreemd. Soms heel vreemd.
Maar zodra de dirigent zijn hand omhoog doet en de uitvoering begint, dan blijkt elk instrument nodig te zijn.
Haal de fluit weg, en je mist iets.
Haal de violen weg, en de muziek verliest haar kleurrijke klank.
Geen van de instrumenten is overbodig. Geen instrument kan het in zijn eentje alleen.

In deze tijd van het jaar begint in onze gemeente het winterseizoen weer.
De verenigingen, de catechisaties, de Bijbelkringen, alles gaat weer draaien.
Vandaar dat we hier vanavond bij elkaar zijn, bij de opening van het verenigingsseizoen.

Misschien denk je: ík ben maar een klein instrumentje in dat geheel. Ik val echt niet op.
Of misschien denk je wel: ik red me liever alleen. Ik heb al die anderen helemaal niet nodig.
Over dat soort van gedachten gaat het 1 Korinthe 12.

Paulus schrijft aan een gemeente die verdeeld is.
Waar de een zich beter voelt dan de ander.
Waar de een zich veel nuttiger voelt dan de ander, vanwege zijn of haar gaven.
Vanwege de dingen dus, die hij of zij van de Heere gekregen heeft…

En zo dreigen de mensen in de gemeente van Korinthe elkaar kwijt te raken.
Want je snapt, als je zo denkt, als de één zich meer voelt dan de ander, en op die ander neer gaat kijken, dan vertroebelt dat de onderlinge band met elkaar.

Iedereen in de gemeente is verschillend. Iedereen heeft ook verschillende talenten en gaven gekregen. Paulus wijst daarop in vers 4, als hij zegt: Er is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest.
De één van Gods kinderen krijgt (vers 8): het woord der wijsheid. Dat wil zeggen: wijsheid en inzicht in geestelijke dingen.
De ander krijgt: het woord der kennis. Dat wil zeggen: inzicht in de Bijbel.
Een ander (vers 9) krijgt: het geloof door dezelfde Geest. Dat wil zeggen: geloof in de kracht van of door de Geest.

Weer een ander (vers 10): de werkingen der krachten; en een ander profetie; en een ander onderscheidingen der geesten; en een ander menigerlei talen; en een ander uitlegging der talen.
Deze laatste gaven horen bij het jonge begin van de kerk. Het Woord van God was nog niet compleet. En de apostolische prediking werd op deze wijze bevestigd. Wij hoeven ze daarom niet te zoeken of te missen. Wat blijft, is dat de Geest Zijn kinderen tot op vandaag toerust met wat de gemeente nodig heeft.

Hoe verschillend al die gaven dus ook zijn, ze zijn als giften uitgedeeld door de Heilige Geest. Niet naar wat iemand verdiend zou hebben, maar (zoals we dat noemen) naar Gods soeverein welbehagen. Naar de vrije wil van God dus.
Kijk maar naar vers 11: delende aan een iegelijk in het bijzonder, gelijkerwijs Hij wil.

Dus God geeft in de gemeente ieder de gaven die Hij wil.
Dus niemand kan er prat op gaan, dat hij of zij zichzélf iets gegeven heeft.
Of dat hij of zij zélf bepaalde kwaliteiten heeft ontwikkeld.
Nee, wat je hebt, heb je gekregen.

Dat snoert natuurlijk alle hoogmoed de mond.
Maar, en dat is andere kant: het neemt ook alle minderwaardigheidsgevoel weg.
Want ook de kleine, weinig opvallende kinderen van God in de gemeente, krijgen van dezelfde Geest wat ze nodig hebben.

En dan komt Paulus (in vers 12) met het beeld van het lichaam: Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en al de leden van dit éne lichaam vele zijnde, maar één lichaam zijn, alzo ook Christus (vers 12). Dus, zoals de ledematen samen één lichaam vormen, zo vormen alle gelovigen samen het lichaam van Christus.

Maar een lichaam heeft (vers 14) heel veel leden: ledematen en andere lichaamsdelen. 
Ogen en oren, armen en handen, benen en voeten… Samen vormen ze een compleet lichaam. Bekijk je ze los (vers 15), dan zie je niet het geheel. Het oog is niet het lichaam. Het oor ook niet.
En zo zijn de losse leden ook niet ‘de gemeente’. Ze zijn er maar een onderdeel van.

En zo’n oog of oor, kan niet tegen een arm of been zeggen: Ik kan wel zónder jou.
En een hand en een voet, kunnen niet zeggen tegen het oor en het oog: wij hebben jullie niet nodig.
Kijk maar naar wat staat in vers 21: En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van node; of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van node.

Dit vers, zegt Matthew Henry, raakt de kern van alle hoogmoed in de gemeente. Wie zich verheft boven een ander lid, spreekt in feite dezelfde overmoedige taal als het oog tegen de hand. Niemand, hoe begaafd ook, kan zónder de ander.

Nou, denk je, maar de meest begaafde mensen (met talenten van handen of hoofd), die hebben we wel het hardste nodig.
Ik dacht het niet. Kijk maar naar vers 22: Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des lichaams te zijn, die(!) zijn nodig.
En, vers 23, aan de leden die ons het minst eervol lijken, geven wij overvloediger eer.
Denk maar aan je eigen lichaam.
Je hand valt op. Je nier niet. Maar die nier werkt wel héél hard, onopvallend, dag en nacht door. En zonder die nier, blijf je niet leven.

Zo is het ook in de gemeente. Juist dat stille, onopvallende kind van God, van wie maar weinig mensen de naam kennen. Of die zwakke oudere, die alleen nog maar kan bidden. Maar wiens gebed misschien wel heel veel voor de gemeente betekent. Of die zieke, die aan huis gebonden is. Maar die toch meeleeft met alles wat er in de gemeente omgaat.
Allemaal zijn ze onmisbaar voor het geheel – al zien wij dat lang niet altijd zo.

Paulus besluit dit gedeelte met de verzen 25 en 26: Opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dragen. En hetzij dat één lid lijdt, zo lijden al de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zo verblijden zich al de leden mede.

De ander altijd uitnemender, meer achten dan jezelf… Nooit op een ander neerkijken… Meeleven, meelijden, mee verblijden… Dát is gemeente-zijn.

Maar dan is er nog een vraag die dieper gaat dan de vraag naar gaven en taken.
Waaruit is dit lichaam van Christus eigenlijk opgebouwd? Wat zijn dat voor mensen, die dit lichaam vormen?

Zeker, het zijn zij die in Christus geloven en al hun zaligheid in Hem zoeken. Gods kinderen dus, klein en groot. Maar, wat zijn dát voor mensen dan?
Geen mensen die zichzelf goedgekeurd hebben. Maar zondaars, die door de Heilige Geest levend gemaakt zijn en aan Christus verbonden zijn.
En in dat geestelijke lichaam van Christus is nog steeds plaats. Voor zondaars!

Vergeet niet, dat zonder echte verbondenheid aan het Hoofd van de Gemeente, aan Christus Zelf, je lidmaatschap van de kerk of de vereniging geen waarde heeft.
Zoek daarom eerst het Koninkrijk van God en het leven in Christus Jezus.
Wie tot Hem komt, zal Hij niet uitwerpen.

Als u of jij door genade de Heere kennen mag, dan ligt er ook troost in dit hoofdstuk.
De troost van samen één lichaam zijn onder één Hoofd, Christus, onze Zaligmaker.
We staan er in moeilijke tijden, in perioden van ziekte, van verdriet of van geestelijke strijd niet alleen voor. Omdat we elkaar dragen in onze gebeden. En ons gedragen weten door de Heere Zelf.

Tegelijkertijd ligt hier ook een opdracht. Ook voor Gods kinderen in het bijzonder.
Laten we niet jaloers kijken naar de gaven van anderen. En laten we niet neerkijken op wie minder begaafd lijkt.
Laten we niet trots zijn op wat we kunnen maken met onze handen. En laten we niet neerkijken op mensen die twee linkerhanden hebben.
Maar laten we elkaar in alle dingen respecteren en hoogachten.
Naar elkaar luisteren. Elkaar bemoedigen. En voor elkaar bidden.
Mee blij zijn met de ander in voorspoed. En meedragen met degene die lijdt.

Gemeente, denk nog eens terug aan dat orkest waar we mee begonnen.
Ieder instrument klinkt op zichzelf misschien vreemd, onaf, te zwak of juist te opvallend.
Maar we moet ook geen verzameling van solisten zijn. We moeten, net als een orkest, samen één geheel vormen, onder de leiding van het Hoofd van de gemeente. En dat is Christus.

Dus hebben we elkaar nodig.
En dus hebben we ook Hem onmisbaar nodig voor het komende seizoen.