Het dal Achor, deur der hoop (3) – Hosea 2

Meditatie over Hosea 2
En Ik zal haar geven haar wijngaarden van daar af, en het dal van Achor tot een deur der hoop; en aldaar zal zij zingen, als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.

Het dal Achor, deur der hoop

In de vorige meditatie schreef ik over een puber die stiekem het huis uit sloop om bij verkeerde vrienden te zijn. Zo was ook het volk Israël de verkeerde weg opgegaan. Het had de Heere vergeten en was de afgoden gaan dienen. Daarom had de Heere hun pad met doornen versperd en hun zegeningen weggenomen. Niet uit wraak, maar omdat Hij hun behoud zocht.
En nu die doornhaag zijn werk gedaan heeft, nu gebeurt er iets wat niemand had kunnen denken. Die vader gaat zijn kind niet afschrijven. Hij gaat haar achterna, om zachtjes, alleen met haar te praten.

Want na de tweede eerdere ‘daarom’-s, klinkt er in vers 13 weer een ‘daarom’: Daarom, zie, Ik zal haar lokken. We verwachten oordeel, maar er klinkt liefde. Dat is onbegrijpelijk, toch? Dat is een wonder, eenzijdig opkomend uit het liefdehart van God Zelf.

De HEERE gaat haar niet met geweld terughalen, maar Hij lokt haar. Hij voert haar de woestijn in, weg van haar boelen, om naar haar hart te spreken (vers 13). Niet naar haar mond, maar naar haar hart. Met woorden die haar hart raken. En daar geeft Hij haar het dal Achor tot een deur der hoop.
Achor, dat was de plek waar ooit Achan om zijn zonde gestenigd was (Jozua 7). Achor was dus een plaats waar God in toorn Zijn volk bezocht had.

En nu? Nu eeuwen later stapt de Heere niet over de zonde heen. Maar Hij brengt Israël opnieuw op die plaats. Waar Hij ernstig op de zonde gaat wijzen, om te brengen tot berouw en bekering. Maar dat oordeelsdal zal wel een deur van hoop worden. Israël mag er doorheen trekken, het land Kanaän binnen.
Het dal Achor wijst vooruit. Naar Golgotha, een plaats van oordeel. Daar stierf Christus, maar niet om Zijn eigen zonden. Hij droeg de toorn van God over de zonden van Zijn volk. De hitte van Gods gramschap werd op Hem geblust. En zo werd die plaats een deur van hoop, voor mensen die van zichzelf geen hoop hebben.
Hosea 2 begint met: Ik zal wegnemen. En nu klinkt het: Ik zal geven!

En dan komt de kern van dit gedeelte. Driemaal zegt de HEERE: ‘Ik zal u Mij ondertrouwen’. In eeuwigheid, in gerechtigheid en gericht, in goedertierenheid en barmhartigheden, en in geloof (vers 18-19). Dat is geen mensenwerk. Dat gaat van God uit: Ik zal. Dat huwelijk, dat trouwverbond, dat de Heere Zelf sluit en Zelf zal onderhouden. En het doel daarvan is niet als eerste voorspoed, maar: ‘en u zult den HEERE kennen.’

Wat brengt dat een vreugde in het hart. Vers 14 zegt: aldaar zal zij zingen. Zoals Mozes zong na de uittocht uit Egypte: U leidt door Uw weldadigheid dit volk dat U verlost hebt; U voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de lieflijke woning Uwer heiligheid (Ex. 15:13).
En wat geeft dit werk van de Heere in het hart ook een stille vrede (vers 17).

En wat een verwondering in het hart. Als de HEERE zegt, zoals staat in vers 22: Ik zal Mij ontfermen over Lo-Ruchama; en Ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt Mijn volk.
En dat volk antwoordt en zegt: O mijn God.

Misschien loopt u of jij in geestelijke zin ook door het dal Achor. Door schuldbesef getroffen en verslagen. Vanwege uw ontrouw en uw verlaten van de Heere. Achor wil u vooruit laten kijken naar Golgotha: de zwaarste oordeelsplaats die er ooit geweest is.
Die God tot een deur der hoop gemaakt heeft. Om verloren mensen en ontrouwe kinderen terug te brengen bij Hem. Wij zijn het waard om ‘Lo-Ammi’ te heten, ‘niet Mijn volk’.
Maar de Heere wil uit genade om Christus’ wil alleen, dat veranderen in (vers 22): Gij zijt Mijn volk. Antwoord dan in geloof, vanuit de grond van uw hart: ‘O, mijn God’.