8 januari 2023
2 Korinthe 5:1: . Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen.
INLEIDING
Ons aardse leven is als een tent: kwetsbaar en vroeg of laat afgebroken, maar in 2 Korinthe 5 vers 1 spreekt Paulus vol zekerheid van “een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.” Deze leespreek neemt u mee langs de broosheid van ons bestaan naar de vraag of ook u deel hebt aan die eeuwige woning, en wijst de weg om die zekerheid in Christus te verkrijgen.
Een tijdelijk verblijf, een eeuwige woning.
2 KORINTHE 5:2-11
1. Want wij weten dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen.
2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is, overkleed te worden;
3 Zo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.
4 Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.
5 Die ons nu tot ditzelve bereid heeft, is God, Die ons ook het onderpand des Geestes gegeven heeft.
6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij, inwonende in het lichaam, uitwonen van den Heere
7 (Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen);
8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben meer behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen.
9 Daarom zijn wij ook zeer begerig, hetzij inwonende, hetzij uitwonende, om Hem welbehaaglijk te zijn.
10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad.
11 Wij dan, wetende den schrik des Heeren, bewegen de mensen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uw consciënties geopenbaard te zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 2 Korinthe 5:1
THEMA
Een tijdelijk verblijf, een eeuwige woning.
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in 2 Korinthe 5, daarvan het eerste vers. We overdenken met Gods hulp 2 Korinthe 5 vers 1, waar we samen lezen: Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.
Het thema voor de preek is: Een tijdelijk verblijf, een eeuwige woning We letten samen op drie aandachtspunten. Als eerste letten we op de kwetsbaarheid ons aardse bestaan. In de tweede plaats letten we op de zekerheid van de hemelse woning, en als laatste zullen we samen nadenken over de noodzaak om die zekerheid te verkrijgen. Dus, drie aandachtspunten: 1. De kwetsbaarheid ons aardse bestaan 2. De zekerheid van de hemelse woning 3. De noodzaak om die zekerheid te verkrijgen Als eerste dus:
Jongens en meisjes, het gaat in de tekst van vanmorgen over een tent. Misschien ben je weleens met een tent op vakantie geweest. Heerlijk is het, om buiten in de natuur te wonen, en ’s nachts buiten in je tent te slapen. ’s Avonds hoor je de regen tikken op het tentdoek. Je kijkt, je voelt, nee, het blijft gelukkig droog in je tent. Gezellig is dat getik. En ’s morgens maken de vogels je al vroeg wakker. Ze zingen honderduit. Heerlijk als je zo ’s morgens vroeg met een slaperig gezicht je tent opendoet en in de frisse ochtendlucht naar buiten stapt.
Een tent moet je opzetten. Je kunt het beste een tent hebben, die niet te oud is. Want een oude tent lekt sneller als het regent, en het doek van een oude tent scheurt gemakkelijker dan het doek van een nieuwe tent. Een nieuwe tent, die is mooi. Daar ben je trots op. Die is sterk. Ja, dat denk je… Heel lang geleden hadden wij als gezin ook nieuwe tent, een vouwwagen, je weet wel zo’n aanhangwagentje met een tent erin. We zouden hem een paar dagen gaan opzetten in Zeeland op een camping. Hij zag er mooi uit. We waren wel een beetje trots op onze nieuwe tent.
Maar hij stond er misschien een dag of twee, toen plotseling de wind aantrok. Ineens trok de wind aan tot stormachtig, en plotseling vloog de hele tent de lucht in. Einde tent. Een tent is leuk, mooi, maar… kwetsbaar. Zelfs een nieuwe tent kan zomaar stuk gaan.
Paulus zegt in onze tekst: ons lichaam is ook een tent. Ons lichaam is een tabernakel. Paulus heeft het over het aardse huis van deze tabernakel. En het is goed en verstandig om ook zo over je lichaam na te denken. Vandaag staat je tent overeind, ijzersterk. Maar pas op! Eén harde windvlaag kan het einde betekenen van je tent.
De Bijbel zegt: als de Geest des Heeren daarin blaast, voorwaar, wij (mensen) zijn als het gras. Niet iedereen wordt oud. Sterker nog de dichter zegt: onze dagen zijn een handbreed en wij vliegen daarheen (Jesaja 40:7Het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des HEEREN daarin blaast; voorwaar, het volk is gras., Psalm 39:5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.). Plotseling kan je tent de lucht in gaan! Einde verhaal, einde tent… En begin, van de eindeloze eeuwigheid.
Paulus zegt: onze tabernakel, onze tent wordt afgebroken. Hij zegt niet: wij zetten onze tent op. Nee, die fase is allang voorbij. Onze tent, mijn tent, uw tent, jouw tent wordt afgebroken.
Door? Door ziekte bijvoorbeeld. Sommigen van ons hebben een ernstige ziekte. U voelt dat uw lichaam afgebroken wordt. Anderen hebben een ziekte, bijvoorbeeld een hartkwaal, die plotseling kan toeslaan. U voelt: uw tent kan ineens weggeblazen worden.
Anderen denken: mijn tent staat vast. Zoals de mensen van Psalm 49 (vers 11). Ze denken en ze zeggen dat hun huis tot in eeuwigheid zal staan: ‘Mijn tent wordt heus nooit afgebroken!’ Oh nee? Een handbreed is ook uw tijd. U ziet het wel niet, want uw tent staat er nog. Maar de pinnen ervan worden of zijn al uit de grond getrokken...
Gemeente, wij leven allemaal in een tent, die vroeg of laat afgebroken zal worden. Die afbraak is onvermijdelijk. En dat komt, dat weet je jongens en meisjes, door onze zonden. Immers, zo zijn we niet geschapen. We zijn geschapen om eeuwig te leven. In een volmaakt huis. Maar we hebben dat huis, we hebben onze tent bezoedeld, vuil gemaakt en stuk gemaakt door onze zonden. En daarom moet onze tent afgebroken worden, daarom moeten wij de dood sterven.
Denk je daar wel eens over na, jongelui? Denk je daar weleens aan, jongens en meisjes? En, wat denk je dan? Schrik je, als je daaraan denkt? Of, verlang je daar ook weleens naar? U, ouderen? U denkt toch niet dat u voor altijd in [woonplaats] zult blijven? Paulus was iemand die hartelijk kon verlangen naar het moment dat zijn tent definitief zou worden afgebroken. Weet je waarom? Hij zegt het zelf: omdat het met Christus zijn,
voor mij verreweg het beste is (Filippenzen 1:23Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.). Met andere woorden: ik wil zo graag bij Christus, ik wil zo graag bij de Heere Jezus zijn.
Je zegt: hoe komt dat toch, dat hij zo rustig kan nadenken over zijn dood, ja, daar zelfs naar kan verlangen? We gaan het samen zien, in ons tweede aandachtspunt:
Paulus zegt: ik hoop…? Ik hoop, dat als het zover is, dat ik dan goed terecht kom? Nee, hij zegt: Ik weet! Ik weet het! Ik weet het zeker! Daarom is de dood voor hem geen demon, geen duivel, maar een engel die hem thuis zal brengen in het Vaderhuis hierboven.
Want Paulus zegt: Ik weet dat ik hierna een ander huis zal krijgen? Nee, als je goed luistert, hoor je dat hij wat anders zegt. Hij zegt: ik weet, ik heb een ander huis.
De meeste mensen van ons hebben één huis. En dat is voor om in te wonen ook genoeg. Sommige mensen (en dat is heus niet erg) hebben twee huizen. Dat zegt Paulus ook van zichzelf. Hij zegt: Ik heb twee huizen. Ik heb een tent hier, op de aarde. En ik heb een huis daar, in de hemel! Ja, luister eens heel goed naar wat hij zegt: ik heb een huis hierboven? Nee, hij zegt: Ik heb, wij hebben daar een gebouw van God! Zeker, stevig en blijvend. Een gebouw van God, niet door handen van mensen gemaakt, maar door God gebouwd, eeuwig en vast in de hemel. Kan je begrijpen, jongens en meisjes, als het zo is in je leven, dat je wel eens verlangt om te verhuizen? Wie wil er nu niet verhuizen van een tent naar een gebouw?
Je zegt: Maar hoe weet Paulus dat zo zeker? Ja, want dat valt wel op. Het valt op dat Paulus het zeker weet. Hij zegt: wij weten dat wij een gebouw van God hebben. En, gemeente, dat weten is ook nodig. Misschien is te onzeker voor de grote eeuwigheid. ‘Misschien haal ik mijn examen…’ Goed, volgend jaar misschien nog een kans. ‘Misschien gaat mijn relatie uit…’ Nee! Zo wil je niet denken! En met ‘misschien’ doet u ook geen zaken. U wilt als het om uw zaak en om uw geld gaat zekerheid! En zo en nog veel meer hebt u zekerheid nodig voor de grote eeuwigheid. En u moet er alles aan doen om die zekerheid te verkrijgen. De eeuwigheid is te lang om het er maar op te wagen!
Waarom is Paulus er zo zeker van? Waardoor weet hij het zo zeker? Omdat hij gelooft wat de Heere in de Bijbel Zelf gezegd heeft, namelijk dat de hemel van eeuwigheid af al bereid is voor al Gods kinderen. Denk maar aan Mattheüs 25: Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen, die tot Zijn
rechterhand zijn: Komt, gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld (25:34). En toen de Heere Jezus op de aarde was, toen heeft Hij ook zo troostvol gezegd tegen al Zijn kinderen: Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, om u(!) het Koninkrijk te geven (Lukas 12:32Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.). Dat hemelse Koninkrijk is voor hen gekocht met de kostbare prijs van het bloed van de Heere Jezus Christus. En de Heere Jezus heeft na Zijn hemelvaart voor hen bezit genomen van dat Koninkrijk. En Hij heeft beloofd dat Vaderhuis voor hen klaar te zullen maken, toen Hij zei: Ik ga heen om u plaats te bereiden (Johannes 14:2In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben; Ik ga heen om u plaats te bereiden.). God is zijn God, en Christus is zijn oudste Broeder, en hij verlangt ernaar om Hem te zien.
Ja, zegt u, dat is allemaal wel waar, maar hoe is die zekerheid, hoe is die wetenschap nu aan Paulus gegeven? Door het geloof. Want het geloof van arme en uitgewerkte zondaars houdt Christus vast. Het heeft niets in zichzelf, maar grijpt zich vast aan de levende Christus. Die om mijn zonden de hemel verliet, om te komen wonen in een kwetsbare tabernakel. Johannes schrijft: Hij heeft Zijn tent, Zijn tabernakel onder ons gehad. Hij heeft onder ons gewoond (Johannes 1:14En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van den Vader), vol van genade en waarheid.). Zijn tabernakel stond Zijn leven lang in de stormwind van de vloek van God. Om uiteindelijk omgerukt te worden door de vloedgolf van Gods toorn over de zonden van de Zijn kinderen. Terwijl Hij toch staande bleef en overwon! Hij stond op uit de dood en ging terug naar Zijn hemelse woning om voor hen plaats te bereiden. En dat geloof van arme en uitgewerkte zondaars, die niets hebben in zichzelf, houdt die Christus vast. Die alles deed in hun plaats. En die Christus is nu in de hemel. Hij is de hemel van de hemel. En dus wordt hun hart, terwijl het zich vastgrijpt aan Hem, naar de hemel getrokken.
Het geloof omhelst de kostbare beloften van God in Christus. Gods kinderen zien door het geloof van verre de beloften en omhelzen die, terwijl zij als gasten en vreemdelingen leven op de aarde, wonend in een tijdelijk tent. We mogen leven in de wetenschap dat we nooit losgelaten zullen worden door God de Vader en door de Heere Jezus Christus. En dus wacht ons, als we die genade van God en Christus kennen, de hoop, de vaste hoop van de eeuwige heerlijkheid.
En ik zeg u, het is een Bijbelse waarheid, dat ieder kind van God moet staan naar die zekerheid. Petrus zegt: Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult u nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus (2 Petrus 1:10-11Daarom, broeders, benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onzen Heere en Zaligmaker, Jezus Christus.).
We gaan daar uitgebreider op in, in ons derde punt, als we letten op:
Geliefde gemeente, hebt u zekerheid voor de toekomst? Sommigen van u hebben zekerheid, namelijk de zekerheid dat het verkeerd met u zal aflopen. Als uw tent afgebroken wordt, u weet het zeker, hoewel u er niet aan wil denken, dan wacht u een eeuwig verblijf in de uiterste ellende, in de diepste en buitenste duisternis van de hel. Met God… Was het maar zonder Hem... Maar met God, ondergaand in de vloedgolf van Zijn wraak, voor altijd en zonder hoop. Lieve mensen, ga zo niet door. Het loopt helemaal verkeerd met u af. Mag ik u ernstig vragen om haast te maken met uw leven en met het werk van uw bekering?
U staat als op een strand, op een klein stukje zand. En u ziet dat de vloed opkomt. U kunt niet zwemmen, maar toch blijft u staan. U gaat verdrinken…! O, bedenk toch wat tot uw zaligheid dient! Uw tent wordt afgebroken. Eén windvlaag… Als de Geest des Heeren op u blaast. Nu, zo meteen, op weg naar huis, vanavond of vannacht… Misschien wat later.
Het aanbod van de genade van mijn hemelse Heere en Zender is oprecht, liefdevol en hartelijk. Ik bied u in de Naam van mijn Zender de hemel aan door een geestelijk huwelijk met de Zoon van de Hemelkoning. Hij woont in de hemel. En als u met Hem in een geestelijk huwelijk treedt, zult u voor altijd met Hem mogen wonen. O, wend u toch naar God toe en word behouden (Jesaja 45:22Wendt U naar Mij toe, wordt behouden, alle gij einden der aarde! want Ik ben God, en niemand meer.). Alle dingen zijn gereed, kom tot de bruiloft (Mattheüs 22:4Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genoden: Ziet, ik heb mijn middagmaal bereid; mijn ossen, en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed; komt tot de bruiloft.). O, verloren en doodschuldige zondaars, u hoeft niets mee te nemen dan uw dood, uw schuld, uw vijandschap, uw onvermogen en uw onwil. Dat is alles. En u krijgt genade, leven en vergeving van schuld. Wat hebt u daarop tegen?
Beste vrienden, u moet sterven. Vroeg of laat. Morgen of vandaag… Als u vandaag, als u nu aan Gods voeten valt en uitroept met heel uw hart: ‘Zone Davids, ontferm U over mij’, dan zult u zalig worden. Maar hoe zult u kunnen ontvluchten, als u op zo’n grote zaligheid geen acht slaat?
Gemeente, hebt u zekerheid voor uw toekomst? Voor de dag dat uw tent definitief afgebroken zal zijn? Hebt u recht op een hemels huis? En, hoe hebt u dat recht gekregen? Onderzoekt u uw hart weleens? Ik heb als dienaar van het Woord recht om u dat te vragen, en ook om u ernstig te waarschuwen voor het gevaar van zelfbedrog. Want heel veel mensen denken, dat ze op weg zijn naar de hemel, maar ze zijn het niet. Hun leven laat het zien: er is niets hemels aan!
U zegt: Hoe kan ik dat weten, of ik op de goede weg ben? Door uw hart te onderzoeken. Paulus zegt niet voor niets: Onderzoekt uzelf, of u in het geloof bent (2 Korinthe 13:5Onderzoekt uzelven, of gij in het geloof zijt, beproeft uzelven. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij enigszins verwerpelijk zijt.). Nou, dan moet u dus ook niet mopperen als u steeds weer opgeroepen wordt tot zelfonderzoek. Dan moet u innerlijk of met woorden niet ageren tegen dat, wat u
misschien wel noemt, dat wroeten in jezelf. Gemeente, kijk eerlijk in de spiegel van het Woord en in de spiegel van uw hart. De eeuwigheid is te lang om daar vluchtig en slordig mee om te gaan. Hoe weet u, of u op hetzelfde spoor bent, als waar Paulus op was? Op weg naar het gebouw van God in het hemelse Vaderhuis?
Hieraan kunt u dat weten. Voor wie is het Koninkrijk der hemelen? De Heere Jezus heeft er geen enkel misverstand over laten bestaan, toen Hij zei: Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Konink der hemelen (Mattheüs 5:3Zalig zijn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.). De hemel nu en de hemel straks is bestemd voor niemand anders dan voor de armen van geest. Nee, van zichzelf waren ze ook niet arm. Maar ze zijn arm gemaakt door Gods armmakende genade. Geestelijk rijken zullen op de aarde nooit bukken aan de voeten van Jezus. Zij worden aan de hemelpoort ook leeg weggestuurd. Maar de geestelijk armen zullen horen: Kom in, u, gezegenden door de Vader, want dit gebouw van God is voor u.
Nu dan, armen van geest, luister dan toch tot uw troost naar dit Woord van de Heere God en van de Heere Christus Zelf. U kunt zo tobben met vragen als: Is het wel voor mij? Ben ik wel op de goede weg? Hoe zal het met mij in de toekomst toch aflopen? Hier hoort u het, uit de mond van Hem die de Eigenaar is van dat hemelse Koninkrijk: Zalig zijn de armen van geest, want voor u is het Koninkrijk der hemelen.
Voor u, armen van geest. Dat zijn mensen die door Gods ontdekkende genade hun eigen armoede hebben leren kennen. De armoede van hun zonden, van hun ongerechtigheid, van hun misdaden, van hun leven zonder God en zonder hoop, de armoede van hun hoogmoed, hun trots, van hun in zichzelf alles missen. De armoede van hun ongeloof. Die armoede van henzelf, die de Heere in hun hart werkte, (het kan niet anders), die deed en doet hen uitzien en verlangen naar Hem die rijk is in barmhartigheid. Hij werd en wordt hen dierbaar en liefelijk, van wie Paulus zegt: Want u weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u door Zijn armoede zou rijk worden (2 Korinthe 8:9Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.).
De armen van geest zijn arm in zichzelf en worden als het goed is steeds armer. En in het hart van die armen is door de Heere Zelf een band gelegd met de rijke Christus. En die band wordt als het goed is steeds sterker. Zijn rijkdom, de rijkdom van Zijn genade en barmhartigheid, in de plaats van onze armoede, maakt dat wij zeggen: Hij is onze Liefste. Hij is mijn alles. Hij is mijn Rots, mijn Deel, mijn enig Goed. Ik heb niets, maar Hij heeft alles, Hij deed alles en Hij is alles voor mij.
En, gemeente, het kan niet anders, het hart van zulke mensen verlangt naar Christus. Hij is een Enige, hun Liefste. En dus verlangt het hart van zulke mensen in beginsel en als het goed is ook steeds meer naar Hem en naar de hemel.
Want Christus, die in de hemel is, trekt aan hun hart. Hij trekt hun hart naar Hem toe. Hij, die de hemel is van de hemel. Hij trekt aan ons hart, zoals het hart van de Bruidegom trekt aan het hart van Zijn bruid. Heeft hij niet gezegd: Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U (Mijn Vader) Mij gegeven hebt? (Johannes 17:24Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.) Daarom kunnen wij zo verlangend denken, en zeggen, en zingen: Wie heb ik nevens U omhoog? O, mijn Liefste Jezus, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten…
'k Zal dan (straks, wie weet hoe snel al) gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn, U al mijn liefde waardig schatten, omdat U mijn rechterhand wilde vatten. Leeft dat verlangen ook in uw hart? Waar uw schat is, daar is ook uw hart… Laten we er samen van zingen uit Psalm 73, daarvan het 12e vers. 'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.
Gemeente, we zijn bezig met ons derde aandachtspunt: De noodzaak om die zekerheid te verkrijgen. Trouwens, nog een belangrijk ding: als dat verlangen in ons hart is, dat verlangen om bij de Heere te zijn, dan kan het niet anders dan zeggen we ook, terwijl we nog op de aarde wonen: Heere, wat wilt U dat ik doen zal? Hoe lief heb ik Uw wet. Zij is mijn betrachting, ik doe die van harte, de ganse, de hele dag.
Dus, met andere woorden, lieve vrienden: als u rijk bent in uzelf (trots op uw voorbeeldige vroomheid en mooie woorden), als Christus niet uw Liefste is, en ook als u leeft in de zonde, dan… (ik zeg het u eerlijk en ronduit), dan bent u niet op weg naar de hemel, maar dan bent u op weg naar de hel.
Maar als u één van die armen van geest bent, als u aan Christus verbonden bent (zoekend, uitziend en verlangend naar Hem, gelovend vertrouwend op Zijn genade alleen), en als u een hartelijke begeerte hebt in uw hart om naar al Gods geboden te leven, dan wordt in de tekst van vanmorgen voor u getekend, waar uw recht op hebt. Laat ik het anders zeggen: dan wordt u in onze tekst vanmorgen getekend waar u door de betaling met het bloed van Christus recht op hebt gekregen, namelijk: op een hemels huis.
En het is goed en het is nodig dat dat in de wetenschap en in het geloof van het hart helderder en vaster komt te liggen in het leven van al Gods kinderen. Waarom hebben we die zekerheid eigenlijk nodig? Laat ik een paar redenen noemen.
a. Laat ik u, in de eerste plaats, een heel voor de hand liggende tegenvraag stellen, als reactie op uw vraag: Hoe komt het dat u, ook u, kinderen van God, de eeuwigheid aandurft zonder zekerheid? Hoe komt het dat u de heilige en rechtvaardige God, Die leeft en regeert in eeuwigheid, zonder geloofszekerheid durft te ontmoeten?
b. In de tweede plaats is het krijgen van geloof zekerheid nodig, omdat een zekere hoop op de hemel zorgt voor een heilig leven. Het laat onze ziel ontvonken in heilige liefde tot God, omdat we Hem verwachten, Die ons liefheeft. En zouden we Hem willen ontmoeten, terwijl we de zonde liefhebben en in de zonde leven? Geloofszekerheid en het verlangen naar de hemelse heerlijkheid, heiligen ons hart en leven. Daarom zegt Petrus: Maak uw roeping en verkiezing vast, want dat doende zult u nimmermeer struikelen, struikelen namelijk in de zonde.
Het leven bij de verwachting van wat ons in de toekomst ons deel zal zijn, brengt ons ook tot een verachting van de dingen van deze wereld, van de goederen en het genot van deze tijd. Het laat ons met Paulus zeggen: Ik ben der wereld gekruisigd (Galaten 6:14Maar het zij verre van mij, dat ik zou roemen, anders dan in het kruis van onzen Heere Jezus Christus; door Welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld.). Dat wil zeggen: de wereld is voor mij gekruisigd. Dus die zekere hoop op de hemel en het verlangen naar de ontmoeting met Christus zorgt voor een heilig leven. Het omgekeerde is trouwens ook waar: een slordig en zondig leven houdt ons ver weg van het verlangen naar de hemelse heerlijkheid. En een slordig en zondig leven geeft veel onzekerheid en twijfel.
c. Het leven in deze heilige verwachting maakt ons hart in de derde plaats klein en ootmoedig. Hoogmoedig en uitbundig denken en spreken over de grote ontmoeting met God is niet uit God. Hoe dichter ik bij de hemel leef, hoe kleiner ik van mezelf denk. Abraham, de vriend van God, zegt juist in de ontmoeting met God: ik ben stof en as (Genesis 18:27En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch; ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere, hoewel ik stof en as ben!). En uitgerekend in het hoofdstuk waarin Paulus zegt dat hij opgetrokken is geworden tot in de derde hemel, uitgerekend in dat hoofdstuk 2 Korinthe 12, zegt hij enkele verzen later: ik ben niets (vers 2 vgl. vers 11). Hoe groter mijn geloof, hoe meer ik zucht onder mijn ongeloof. En wie nooit zucht onder zijn ongeloof, weet waarschijnlijk niet wat geloven is. Hoe dichter ons hart bij God is, hoe groter ik denk over God, hoe kleiner ik denk over mezelf. Dus het leven bij de toekomstige tijd maakt ons hart waakzaam tegen de zonde, en het maakt ons hart ootmoedig en zachtmoedig.
d. En zekerheid van geloof en de heilige verwachting van de hemelse heerlijkheid geven in de vierde plaats ook kracht en geduld in tijden van beproeving en verzoeking. Immers waarom zouden we bang zijn voor het afbreken van onze tabernakel, als we weten dat we een beter gebouw van God hebben? Niet krijgen, maar hebben?
Laat ik het anders formuleren, laat ik het omgekeerd zeggen: Wat houdt Gods kinderen vaak weg bij de zekerheid van het geloof en bij de vaste hoop op de hemelse heerlijkheid?
a. In de eerste plaats: een slordig en zondig leven. Een leven waarin we de zonde aan de hand houden, een leven waarin we de zonde bagatelliseren of goedpraten: de zonde van de tong, roddel, het zaaien van tweedracht, ontrouw, hoogmoed, trots, het verachten van een broeder of zuster, en ga zo maar door. Wie de Heere liefheeft, die doet ook Zijn geboden.
b. Wat Gods kinderen in de tweede plaats weghoudt bij de zekerheid van het geloof is een Christus-verachtend leven. We verachten de Heere Jezus Christus door onze hoop te stellen op dingen, die geen grond van hoop in zichzelf hebben. Ik bedoel eigenlijk alles buiten en zonder Christus. Al die goede dingen van ons, al die dingen die we zo kunnen koesteren: eerdere ervaringen, eerdere bevindingen, eerdere bemoedigingen. Misschien was er wel zegen in, maar het is Christus Zelf niet. Alleen het geloof in Christus en de hoop op Hem doen ons verlangen naar de hemel en maken ons los van de aarde.
c. Wat Gods kinderen in de derde plaats weghoudt bij de zekerheid van het geloof en het verlangen naar de hemelse heerlijkheid is een gebrek aan kennis van de waarheden van de Heilige Schrift. Veel mensen weten wat ze zelf denken en wat ze zelf vinden. Veel mensen weten wat hun predikanten of ambtsdragers denken, maar ze kennen hun Bijbel niet. Veel mensen denken dat het bij het verkrijgen van de zekerheid van het geloof moet gaan om een bijzondere openbaring, die hen al dan niet, maar waarschijnlijk niet, zal overkomen. Maar de Bijbel spreekt andere taal: Bidt en u zal gegeven worden (Mattheüs 7:7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.). En Petrus spoort de lezers van zijn brief aan: Maak uw roeping en verkiezing vast (2 Petrus 1:10).
d. Wat ons in de vierde plaats weghoudt bij de zekerheid van het geloof is luiheid in zelfonderzoek (2 Korinthe 13:5) Wie in zichzelf en in de Bijbel niet zoekt naar de bewijzen van een zeker recht op de hemel, die zal die ook niet vinden.
e. Wat Gods kinderen in de vijfde plaats ook weghoudt bij de zekerheid van het geloof is de onduidelijkheid over de vereniging met Christus, over het één zijn met Jezus Christus. Veel mensen praten en klagen over hun gebrek hierin, en dat klinkt wel aardig en godsdienstig, maar ze laten na te bidden en te zoeken in de Bijbel en te worstelen met God om meer duidelijkheid. Bidt en u zal gegeven worden.
Dus, kinderen van God, laat ik u afsluitend aansporen om deze zekerheid meer te zoeken. Laten we in afhankelijkheid van Gods genade, wetend dat we in eigen kracht geen ogenblik staande kunnen blijven, heilig leven en wandelen met God. Uw wandel zij in de
hemelen om de Zaligmaker te verwachten, meer dan de wachters wachten op de morgen. Laten we de Heilige Geest van God niet bedroeven door onze zonden en ongeloof. Laten we ver weg blijven van de zonde. Immers de dichter van Psalm 119 zegt: de wandel in Gods geboden maakt niet beschaamd. Wees heilig in al uw wandel en in uw woorden, opdat u uit de vruchten van uw geloof verzekerd zult worden. En onderzoekt de Schriften, die zullen u zekerheid geven. En laten we niet lui zijn in zelfonderzoek, maar onszelf onderzoeken of we in het geloof zijn. En als dat zelfonderzoek ons brengt tot groot verdriet om onze zonden en ontrouw, laten we dan opnieuw tot Christus vluchten en gebruik maken van Zijn bloed. En laten we, in deze tijd waarin we tijdelijk wonen in een vergankelijke en voorbijgaande tent, veel in ons gebed en in ons hart en in ons leven zoeken de dingen die boven zijn.
Om één woord te zeggen: Daarom, broeders (en daar horen de zusters ook bij), benaarstigt u te meer, om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult u nimmermeer struikelen. Want alzo zal (ook) u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus (2 Petrus 1:10-11).
Hem zij de lof in alle eeuwigheid,
Amen.
Slotzang Psalm 56:5,6:
Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterveling zou mij schenden? Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden Mij bijstand bood, en 't onheil af zoudt wenden, Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden, Door ijver aangespoord.
Gij hebt mijn ziel beveiligd voor den dood; Gij richt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot'; Gij zijt voor mij een schild in allen nood; Gij hebt mijn smart verdreven; Uw dierb're gunst is m' altoos bijgebleven; 'k Zal, voor Gods oog, naar Zijn bevelen leven; Zo word' door mij Zijn naam altoos verheven; Zo word' Zijn lof vergroot.
Steun Leespreken.nl Dank u voor het lezen van deze preek. Wilt u overwegen bij te dragen aan onze kosten? Scan de QR-code hiernaast, of ga naar leespreken.nl/steun Hartelijk bedankt!
Andere preken over 2 Korinthe
Andere preken voor Overlijden