Christus, Die onze Hoop is – 1 Timotheüs 1
| Preek over: Christus, Die onze Hoop is 1 Timotheüs 1:1: Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en van den Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is. 1 Petrus 1:3: 3 Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. |
Christus, Die onze Hoop is – dat is de rijke belijdenis waarmee Paulus zijn brief aan Timotheüs opent, in 1 Timotheüs 1:1. Deze leespreek, die dit vers samenbrengt met 1 Petrus 1:3 over de levende hoop, laat zien wat de christelijke hoop wezenlijk anders maakt dan alle aardse verwachting, en nodigt de lezer uit te onderzoeken of Christus ook zijn of haar enige Hoop geworden is. De christelijke hoop is een zekere hoop, maar ook een aangevochten hoop.
Bijbelgedeelte 1 Timotheüs: Christus, Die onze Hoop is
| 1 Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en van den Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is, 2 Aan Timótheüs, mijn oprechten zoon in het geloof: Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere. 3 Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Éfeze zoudt blijven, als ik naar Macedónië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren, 4 Noch zich te begeven tot fabelen en eindeloze geslachtsrekeningen, welke meer twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is. 5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof; 6 Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking; 7 Willende leraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen. 8 Doch wij weten dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt, 9 En hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers, 10 Den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is, 11 Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is. |