4 augustus 2026
1 Timotheüs 1:1: Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en van den Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is,
INLEIDING
Aan de hand van 1 Petrus 1:3 en 1 Timotheüs 1:1 overdenken wij vanmorgen wat de christelijke hoop werkelijk is: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Deze leespreek laat zien hoe deze hoop, anders dan alle aardse hoop, vast en zeker is, omdat zij alleen rust in Christus Zelf.
De christelijke hoop
1 TIMOTHEÜS 1:1-11
1 Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS, naar het bevel van God onzen Zaligmaker, en van den Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is,
2 Aan Timótheüs, mijn oprechten zoon in het geloof: Genade, barmhartigheid, vrede zij u van God onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere.
3 Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Éfeze zoudt blijven, als ik naar Macedónië reisde, zo vermaan ik het u nog, opdat gij sommigen beveelt geen andere leer te leren,
4 Noch zich te begeven tot fabelen en eindeloze geslachtsrekeningen, welke meer twistvragen voortbrengen dan stichting Gods, die in het geloof is.
5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit een goede consciëntie en uit een ongeveinsd geloof;
6 Van dewelke sommigen afgeweken zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking;
7 Willende leraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.
8 Doch wij weten dat de wet goed is, zo iemand die wettelijk gebruikt,
9 En hij dit weet, dat den rechtvaardige de wet niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den goddelozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,
10 Den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den mensendieven, den leugenaars, den meinedigen, en zo er iets anders tegen de gezonde leer is,
11 Naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij toebetrouwd is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Timotheüs 1:1
THEMA
De christelijke hoop
AANDACHTSPUNTEN
LITURGIE
Lezen 1 Timotheus 1:1-11 1 Petrus 1:1-12
Geliefde gemeente, de preek van vanmorgen gaat over de christelijke hoop. Veel teksten in de Bijbel gaan over die hoop. Twee ervan wil ik graag voor het voetlicht brengen. Het zijn twee verzen uit de Schriftgedeeltes die we gelezen hebben. Als eerste wil ik u wijzen op het begin van de eerste brief van Petrus. Op 1 Petrus 1:3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden., waar staat: Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. En als tweede wil ik u wijzen op het begin van de 1 Timotheüs-brief, op 1 Timotheüs 1:1Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus, Die onze Hope is,, waar Paulus schrijft: Paulus, een apostel van Jezus Christus, naar het bevel van God, onze Zaligmaker, en de Heere Jezus Christus, Die onze Hoop is.
Op deze en andere Bijbelverzen is het onderwijs van de preek van vanmorgen gebaseerd. Een preek die zal gaan over de christelijke hoop.
Dat is het thema van de preek van vanmorgen: De christelijke hoop.
De preek is als volgt ingedeeld: Als eerste wil ik wat meer zeggen over wat hoop is. En vooral over wat de christelijke hoop precies inhoudt. En daarna zijn er vier aandachtspunten: 1. De rust van de hoop 2. De beproeving van de hoop 3. De plicht van de hoop 4. Het verlangen van de hoop
Maar eerst dus iets over de vraag: Wat is dat eigenlijk, hoop? Wat bedoelen we als iemand zegt: Ik hoop, dat…, of: Ik hoop op… Als je bijvoorbeeld, jongens en meisjes, zegt: ‘Ik hoop dat pappa vanavond vroeg thuiskomt.’, wat bedoel je dan?
Nou, dan bedoel je, dat je graag wilt dat hij vroeg thuiskomt. Maar je weet het niet helemaal zeker. Je hoopt dat het gebeurt, zoals je het graag wilt. En dat hopen, dat gaat dus over iets wat nog komen moet. Hopen gaat over de toekomst. Als je bijvoorbeeld zegt: ‘ik hoop dat mijn broertje veilig thuiskomt’, dan is hij nog niet thuis, maar je hoopt dat als hij komt, hij geen ongeluk gehad heeft. Maar, zeker weten doe je het nog niet. Je weet hoe onvoorzichtig je broertje soms kan zijn. En je weet hoeveel gevaar er op de weg is. Hopen wil dus zeggen: ik wil het heel graag, maar het is niet helemaal zeker, dat het ook zo zal gaan.
Er zijn situaties waarin we eigenlijk best het woord hoop zouden kunnen gebruiken, maar juist vanwege die onzekerheid die we erin proeven, doen we dat liever toch niet. Stel, je bent net getrouwd. Wat verlang je voor de toekomst? Dat je altijd bij elkaar zult blijven en geen problemen met elkaar zult krijgen. Toch zeg je niet: ‘Ik hoop dat we lang bij elkaar zullen blijven.’ Nee, dat klinkt je veel te onzeker. Je zegt vol vertrouwen: ‘Nee, ik ga ervan uit, ik weet het zeker.’
Waarom…? Omdat je hoop een grond heeft. Die is gebaseerd op de persoon met wie je getrouwd bent en op wat hij of zij beloofd heeft. En ook op wat je van hem of haar weet, op hoe hij of zij is. Vaste hoop is dus geen zaak van kansberekening of logisch denken. Je zegt niet: ‘Van iedereen die trouwt, gaat 34% uiteindelijk scheiden. Dus hebben we een kans van 66% dat het goed afloopt.’ Nee, je weet het zeker, want je vertrouwt elkaar.
Dus, even samenvattend: de gewone hoop, die kán onzeker zijn. Hoewel deze hoop soms wat zekerder is, omdat je iemand kent en vertrouwt. Maar Bijbelse, christelijke hoop is anders dan in de voorbeelden die ik net noemde. Op een paar manieren is die anders.
a. De christelijke hoop, de hoop die we in de Bijbel tegenkomen, is (in de eerste plaats) wel vergelijkbaar met de hoop tussen man en vrouw. In die zin dat de christelijke hoop ook relationeel is. Het gaat om hoop, niet tussen twee mensen, maar wel tussen God en een mens. Waar het om mensen onderling gaat, komt de hoop van twee kanten. Als man hou je van je vrouw, en je vertrouwt haar. Als vrouw hou je van je man, en je vertrouwt hem. En dus heb je echte hoop dat het goed gaat. Hoewel…, het geregeld ook niet goed gaat.
Maar de christelijke hoop is geen tweerichtingsverkeer. God heeft geen hoop op de mens. Maar Hij leert mensen wel hopen op Hem. Op Hem Die trouw Zijn Woord houdt. Op Hem Die betrouwbaar is. Die betrouwbaarheid komt dus maar van één kant. Daarom zegt de apostel: Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden, want Die het beloofd heeft, is getrouw (dat wil zeggen: betrouwbaar) (Hebr. 10:23Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vast houden; (want Die het beloofd heeft, is getrouw);).
De betrouwbaarheid komt dus van één kant. Die komt alleen van Gods kant. En dus richt de christelijke hoop zich alleen van onze kant op God. Van Gods kant heeft God niets van ons te verwachten, niets van ons te hopen.
b. En juist daarom, omdat God betrouwbaar is en Zijn Woord houdt, daarom is de christelijke hoop (in de tweede plaats) ook vast en zeker. Volledig, voor 100%. De apostel noemt de hoop een anker van de ziel, en hij spreekt over de volle verzekerdheid der hoop (Hebr. 6:9Maar, geliefden! wij verzekeren ons van u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzo spreken.,12). De Bijbelse hoop is vast. Want ze komt voort uit het geloof, dat een vaste grond is van de dingen die men hoopt, en een bewijs van zaken die men niet ziet (Hebr. 11:1Het geloof nu is een vaste grond der dingen, die men hoopt, en een bewijs der zaken, die men niet ziet.). De christelijke hoop is vast, omdat we weten Wie God is. Hij is onveranderlijk, gisteren en heden Dezelfde, Hij laat nooit los het werk van Zijn handen (Hebr. 13:9Wordt niet omgevoerd met verscheidene en vreemde leringen; want het is goed, dat het hart gesterkt wordt door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben, die daarin gewandeld hebben.). De christelijke hoop is dus zeker. Boven alle twijfel verheven!
c. De christelijke hoop is (in de derde plaats) geen hoop die uit onszelf voortkomt. Het is niet iets wat we in onszelf kunnen maken. De christelijke hoop is een gegeven hoop, een geschonken hoop. Geen hoop die uit onszelf voortkomt, maar een door God gegeven hoop. Paulus zegt: Het is God Zelf, die ons in Christus Jezus goede hoop in genade heeft gegeven (2 Thess. 2:16En onze Heere Jezus Christus Zelf, en onze God en Vader, Die ons heeft liefgehad, en gegeven heeft een eeuwige vertroosting en goede hoop in genade,).
d. De christelijke hoop is (in de vierde plaats) ook een hoop die vaak heen en weer geslingerd wordt. Zolang de hoop vastheid vindt in het Woord en in de belofte van de betrouwbare God, zolang is ze vast en zeker. Maar zodra wij gaan redeneren, zodra we gaan kijken naar de moeilijkheden die we ondervinden op de wegen die de Heere met ons gaat, dan wordt onze hoop geslingerd en kan gaan wankelen. Daarom wordt van Abraham gezegd dat hij tegen hoop op hoop geloofd heeft (Rom. 4:18Welke tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat hij zou worden een vader van vele volken; volgens hetgeen gezegd was: Alzo zal uw zaad wezen.). Onze hoop wordt vooral ook heen en weer geschud door beproeving, door verleiding tot zonde en door de verberging van Gods aangezicht. Het is geen rustige hoop, maar een hoop die vaak op de zeef gelegd wordt. Zodat het kaf van onze aardse hoop op onszelf zou vervliegen, en we de enige Hoop, Christus, zouden overhouden.
e. Dat voorbeeld van Abraham, die tegen hoop op hoop geloofd heeft, dat geeft (in de vijfde plaats) ook aan, waar de Bijbelse hoop uit voortkomt. De bron ervan is het geloof. Deze hoop komt voort uit het ware geloof in God en in Christus (Rom. 15:13De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes.). Zonder geloof is het onmogelijk te hopen op God. Het geloof is de moedergenade en de hoop wordt daaruit geboren.
Dus, de Bijbelse hoop is gebaseerd op Gods eenzijdige trouw. Ze is van zichzelf vast en zeker, maar wordt vaak heen en weer geschud. En zij is een door God gegeven hoop, die voortkomt uit het geloof.
Laten we nu verder gaan kijken naar onze vier aandachtspunten. Het eerste punt is:
Laat ik vooropstellen, gemeente, degene die deze christelijke hoop niet heeft, degene die niet is wedergeboren tot een levende hoop, degene voor wie Christus niet de enige Hoop is, die hoort bij de ellendigste van alle mensen. Maar wie deze hoop wél heeft, geen gelukkiger mens is er dan hij of zij.
Voordat het echter zover komt dat Christus onze Hoop wordt, is het wel absoluut nodig om alle andere hoop los te laten. Van onszelf zijn we geneigd om te hopen op de dingen die voorbijgaan. En met dat ik dat zeg, voelt u hoe waardeloos die hoop is. De dingen waar die hoop op gebouwd is, gaan voorbij. En als dat eenmaal zover is, dan ben je je hoop dus kwijt. De hoop op je verstand, de hoop op je opleiding en je gemaakte carrière, is een voorbijgaande hoop. De hoop op je uiterlijke verschijning, de hoop op je schoonheid en je aantrekkelijkheid, is een voorbijgaande hoop.
En met de hoop op je gehoorzaamheid aan Gods wet, met de hoop op je persoonlijke verdiensten en op je nette levensstijl, kom je al helemaal bedrogen uit. Goede werken, medemenselijkheid, slaven en sloven om godsdienstige plichten uit te voeren, dat alles zal je geen blijvende hoop geven. Als dat je enige hoop is, dan ben je zonder God en zonder hoop in de wereld (Ef. 2:12). Dan is je toestand ellendig en voor het oog hopeloos. Dan bouw je voor de komende eeuwigheid op zandgrond.
Toch is dat de natuurlijke toestand van iedereen van ons. Zo worden we geboren, zo groeien we op. En zo sterven ook veel mensen, met een hoop die vergaat (Spr. 11:7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.). Zo is onze toestand. Tenzij God Zelf ingrijpt in dat hopeloze bestaan. Tenzij God ons wederom geboren laat worden. Tenzij God ons hart vernieuwt tot een levende hoop. Door onze ogen te openen voor onze valse hoop. Door het vonnis van de dood te schrijven op al onze vermeende goede werken: Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar (alleen) de gerechtigheid redt van de dood. (Spr. 11:4).
Wat wordt het nood in ons leven, als God ons al die valse hoop en rust ontneemt! En ons laat zien, dat we met al onze zonden en tekorten staan voor een heilig en rechtvaardig God, Die geen enkele zonde door de vingers wil en kan zien. Onze rust ontvalt ons. Onze hoop vergaat. We willen vluchten, maar waarheen? Het wordt beleefde werkelijkheid bij het ontdekkende licht van God de Heilige Geest: geen hoop hebbende, en zonder God in de wereld (Ef. 2:12).
Onze natuurlijke neiging is om in dat gevaar en in die nood te vluchten naar pogingen om onszelf te verbeteren. We proberen goed te maken, wat er goed te maken valt. We gaan onze hoop stellen op wat wij misschien nog voor elkaar kunnen krijgen. We hebben geen gerechtigheid voor God, we kunnen niet recht voor God staan, maar laten we dan proberen die gerechtigheid zelf te máken. Eigengerechtigheid…
Wat kunnen we daar lang mee zeulen. Zonder dat het ons echt hoop en verwachting geeft. Want niets is er zo volmaakt, als het zou moeten zijn. Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek. Want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Gal. 3:10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.). Als God het ons niet zou leren, zouden we het nooit leren, dat er van ons uit geen weg is om zalig te worden. Maar de Heere neemt ons af wat van ons is, om Zich over te laten een ellendig en arm volk, dat op de Naam des HEEREN zal gaan hopen (Zef. 3:12Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des HEEREN betrouwen.).
Wat een wonder wordt het in ons leven, als de Heere niet alleen onze ogen opent voor de ellendige toestand van ons hart, maar ook voor Hem die juist gekomen is om zulke ellendige zondaars zalig te maken. Als we niet alleen onze ongerechtigheden zien, waardoor we voor God niet kunnen bestaan, maar ook een blik mogen slaan op Hem Die zulke ongerechtigheden wilde dragen. Ons hart treurt vanwege de wonden van onze zonden. Maar dan zien we bij het licht van God de Heilige Geest dat Jezus kwam, door wiens striemen we genezing kunnen krijgen.
Er is alles voor nodig: Goddelijk licht, Goddelijke kracht en overtuiging. Maar als de Heere ons hart er eenmaal van overtuigd heeft, als Hij eenmaal de weg naar die enige Schuilplaats voor ons geopend heeft, dan kunnen we niet anders dan in al onze ellende en verlorenheid het kleed van onze hoop wegwerpen en tot Jezus vluchten. Dan kunnen we niet anders dan wegvluchten van al onze dode werken en tot Hem gaan. Om van Hem te ontvangen het kleed van Zijn gerechtigheid, gedrenkt in Zijn kostbare Middelaarsbloed.
Wat geeft dat ons, tot Jezus vluchtende zondaars: troost, genade, blijdschap en vrede. Als we vluchten naar de enige Vrijstad, Jezus Christus. Troost vinden in Zijn wonden. Genezing in Zijn bloed. Vrede met God. Nu geldt voor het eerst: Hij en Hij alleen is onze Hoop. Door Hem is er vrede met God, door het bloed van Zijn kruis (Kol. 1:20En dat Hij, door Hem vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.). Het brengt de apostel Petrus jaren later tot de hartelijke belijdenis: Geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden (1 Petr. 1:3).
Zo komen zondaars door Gods genade, door Hem Zelf daar gebracht, tot (zoals Paulus schrijft) de God der hoop, Die vervult met alle blijdschap en vrede in het geloven (Rom. 15:13). Onze eerst zo rusteloze ziel vindt nu rust in Christus, Die onze Hoop is.
Mag ik u vragen, gemeente, kent u deze rust? Deze rust vanwege de enige Hoop, Jezus Christus? Of bouwt u nog steeds op de zandgrond van de dingen van nu of van uzelf? Maar, niemand zal door de wet gerechtvaardigd worden voor God. Immers, de rechtvaardige zal alleen uit het geloof in Christus leven (Gal. 3:11).
Heeft God u al afgebracht van het geloof in uzelf, van het geloof in uw eigengerechtigheid? Bent u in de hopeloosheid van uzelf al gevlucht naar Christus? En hebt u Hem al leren omhelzen als uw enige Hoop? Dan kent u ook iets van de rust, die er in Hem is.
We komen bij onze tweede gedachte.
Want de indruk kan ontstaan, dat het met het komen van berouwvolle zondaars tot Christus, en met het bekleed worden met Zijn gerechtigheid en met het gebracht worden tot Zijn rust (waarin uiteraard trap en mate is), dat het daarmee allemaal klaar is. Zeker, dat geeft berouwvolle zondaars een vaste hoop. Maar die hoop moet wel brandend blijven. Brandend blijven ook in tijden van beproeving en verzoeking.
Immers, we weten dat het Gods wil is, dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods (Hand. 12:44). Daarom gebruikt de Bijbel, juist met het oog op die vaak moeilijke wegen, vaak het woord hoop. Als een woord dat over al die moeilijkheden en verzoekingen heen wijst, naar de tijd die nog komt. En het vooruitzicht op die tijd, wil de hoop daarop verlevendigen. En zo richt de hoop zich meer op de toekomst dan op het heden.
En ondertussen omhelst het geloof het beloftewoord van God. En het leeft daarvan. Bij woorden die nog niet ten volle in vervulling gegaan zijn. En zo leert de hoop ons ook vertrouwend wachten op de vervulling van Gods beloften.
Onze hoop is dus (dat is ons tweede punt) een beproefde hoop. Beproefd door de Heere Zelf, Die zo de hoop en het geloof meer en meer wil versterken. Want de hoop wordt als vrucht van het geloof niet alleen door de Heere geplant in het hart, maar de ondervindingen op de moeilijke wegen die de Heere met ons gaat, leren ons ook blijvend en steeds meer en vaster te hopen, op onze enige Hoop, Jezus Christus (Rom. 10:17Zo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het Woord Gods,). Zo leren wij, kinderen van God, meer en meer en alleen op Christus te hopen, Die onze Hoop is.
Laat ik u vanuit de Bijbel iets proberen te schetsen van hoe de Heere ons — zoals gezegd — leert om meer en vaster op Hem te hopen. Op Hem, en op Christus alleen, als onze enige Hoop.
Om dat te doen, kan de Heere schaduwen over onze hoop werpen. En ook wij zelf kunnen onze hoop zo verdonkeren en verflauwen. We gaan niet ‘altijd zingend’ naar de hemel. We gaan door een weg van veel beproeving en verdrukking (2 Kor. 7:4Ik heb vele vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roems over u; ik ben vervuld met vertroosting; ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.). En onze zonden verduisteren zo vaak het licht van onze hoop. Dat alles gebruikt de Heere om ons te louteren, ons te reinigen van de zonde, en om ons meer en meer onze hoop alleen op Hem te laten stellen.
Hoe wordt onze hoop beproefd? Hoe verduistert onze hoop?
a. Het is in de eerste plaats de zonde van ons hart, die ons brengt in schuld en duisternis en die knaagt aan onze hoop. Als we daarnaar kijken, kunnen we vertwijfeld denken: Is het allemaal wel waar geweest? En zal ik ooit wel aankomen in de hemelse gewesten? Het ontlokt Paulus de zucht, jaren na zijn bekering: Ik, ellendig mens! (Rom. 7:24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?) Het zien, het steeds meer zien van de blijvende zonden van ons hart en leven, stelt ons teleur, leert ons door genade de hoop op onszelf meer en meer op te geven, en die op Christus en op Hem alleen te stellen. Op Christus, Die onze Hoop is.
b. Diezelfde zonden belemmeren ondertussen ook onze gebeden. Ze ontnemen ons de vrijmoedigheid om toe te gaan tot de troon van Gods genade (Hebr. 4:16Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden, om geholpen te worden ter bekwamer tijd.). Ze maken onze harten hard, gevoelloos, liefdeloos, zorgeloos en biddeloos. Kinderen van God, de zonde ontneemt ons het zicht op onze enige Hoop, Jezus Christus! Het kan ons zelfs doen zuchten met de dichter van Psalm 31: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen (Ps. 31:22). O, wat moeten wij toch altijd waken en bidden, tegen de zonden van ons eigen hart!
Maar toch, ondanks dat alles verwordt onze hoop nooit tot echte hopeloosheid. Want God is getrouw! Immers, als de hoop verdonkert, brengt de nood ons door Gods genade weer tot roepen. Denk maar aan David. Hij zegt niet alleen: Ik zei wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor Uw ogen. Maar hij gaat verder, als hij zegt: Toen hoorde U de stem van mijn smekingen, (toen ik) tot U riep. De bitterheid van onze zonden en de gevolgen ervan leren ons door Gods genade, onze hoop op onszelf meer en meer op te geven, en die op Christus en op Hem alleen te stellen. Op Christus, Die onze Hoop is.
c. Er zijn ook tijden dat onze hoop verflauwt, omdat de Heere Zijn aangezicht voor ons verbergt. En dat is bitter. Dat brengt stil en groot verdriet. Dat is, zegt onze belijdenis, in de ervaring van ons hart, bitterder dan de dood (DL V, 13). Maar toch zal ook juist dat gemis ons op Gods tijd weer zoekend maken. Ook de verberging van Gods aangezicht leert ons de hoop op onszelf meer en meer op te geven, en die op Christus en op Hem alleen te stellen. Om Christus, Die onze Hoop is, te verwachten. Zoals Jesaja zegt in Jesaja 8: Daarom zal ik de HEERE verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis Jakobs, en ik zal Hem verwachten (Jes. 8:17).
d. En dan is er nog de duivel, die ook onze hoop, vaak op het aller onverwachtst, probeert weg te rukken (Job 19:10Hij heeft mij rondom afgebroken, zodat ik henenga, en heeft mijn verwachting als een boom weggerukt.). Valse vrienden, vervolging, en zo veel dingen meer, knagen aan onze hoop. Maar door Goddelijke wijsheid is het effect anders dan door hen gehoopt.
Al die aanvechtingen leren ons om de hoop op onszelf meer en meer op te geven, en die op Christus en op Hem alleen te stellen.
Daarom zegt Paulus, als hij daaraan denkt: Wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop(!). Deze verdrukkingen brengen ons juist tot de christelijke hoop! En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons is gegeven (Rom. 5:3-5En niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid werkt; En de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hoop; En de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, Die ons is gegeven.). De moeite van het leven, de blijvende zonde in ons hart, de aanvechting door de duivel, het leert ons allemaal om ons op Christus te werpen, op Hem, Die onze Hoop is.
We gaan daar samen eerst van zingen, voordat we verdergaan met ons derde aandachtspunt, uit Psalm 142: 4 en 5:
'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zodat mijn dood voorhanden scheen, En alle hoop mij gans ontviel, Daar niemand zorgde voor mijn ziel.
Ik riep tot U, ik zeide: o HEER', Gij zijt mijn toevlucht, sterkt' en eer; Gij zijt, zolang ik leef, mijn deel, Mijn God, Wien ik mij aanbeveel.
Ons derde aandachtspunt:
Eigenlijk is de hoop een wonderlijke genade. Het is een vertroostende genade. Als we voor het eerst of opnieuw onze enige hoop op Christus mogen richten, op Hem Die ons leven geworden is, dan geeft dat veel troost en rust in de ziel. De hoop is ook een bemoedigende genade. Want we weten dat onze hoop voor nu en voor straks ons nooit beschamen zal (Fil. 1:20). Het onderpand, de waarborg ervan is immers in ons hart gelegd: de liefde van God die in ons hart is uitgestort (Rom. 5:5).
Maar de hoop is ook een genade die de ziel reinigt van de zonde. Bij het verlangen naar de hernieuwde ontmoeting met Christus, en nu en in de eeuwigheid, daarbij past de zonde niet. Laat ik het sterker zeggen: Gemeente, wie Christus kent als enige Hoop, wie is wedergeboren tot een levende hoop, op die rust een ernstige verplichting. Ik bedoel deze evangelische plicht, die de apostel verwoordt als hij schrijft: Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2-3Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelven, gelijk Hij rein is.). Als Christus voor nu en voor de komende dag der eeuwigheid uw Redder en Hoop is, reinig uzelf dan van de zonde!
Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld. Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus (Tit. 2:11-13Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle mensen. En onderwijst ons, dat wij, de goddeloosheid en de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;). Leven in hoop én tegelijkertijd leven in de zonde, dat kan niet! In een en hetzelfde hart kan geen plaats zijn voor de liefde van Christus die daarin uitgestort is, en voor hartelijke liefde tot de zonde waarin we zouden willen blijven leven. Genade is de doodsteek, de nekslag voor het leven in de zonde.
En het is mede de christelijke hoop, als vrucht van het geloof, die Gods kinderen de zonde leert doden. Het leven in de zonde richt zich namelijk op: onszelf, op de wereld, op het plezier en genot van de dingen van nu. Maar het leven in de christelijke hoop richt zich op Christus, op een verzoend God door Christus en op de komende eeuwige heerlijkheid. En die twee richtingen zijn tegengesteld. Die passen niet bij elkaar. En dus zal er één moeten verdwijnen. En dus worden we gedrongen om de wereldse begeerlijkheden te verlaten en ons te richten op de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus (Tit. 2:11-13).
Dat zien we ook in onze vierde en laatste gedachte:
En omdat de hoop een vaste en zekere hoop is, daarom staat verlangen hier ook gelijk aan vervulling. Want onze hoop zal nooit beschamen!
Het verlangen van de christelijke hoop. Want, gemeente, de zucht van Paulus ‘wie verlost mij toch van het lichaam dezes doods’, is niet alleen een zucht van vermoeidheid om de last van zijn oude, zondige mens. Maar het is ook een zucht van verlangen: Wanneer komt de dag, dat ik het lichaam van mijn zonde achterlaten zal? En mijn hoop werkelijkheid, en mijn geloof aanschouwing zal worden?
Onze hoop is een hoop die verlangt. Een hoop die over de tijd heen kijkt en gericht is op de toekomst. Paulus zegt: Als wij alleen in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen (1 Kor. 15:19Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn hopende, zo zijn wij de ellendigste van alle mensen.). Maar Christus is opgewekt. En dus ziet onze hoop uit, over leven en dood heen, naar de verwachte en zekere terugkomst van de Zoon des mensen. Door Zijn opstanding, zullen ook wij opgewekt worden met Hem, zonder zonde. En onze hoop is een hoop die daarnaar verlangt: verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus (Tit. 2:13).
Kent u, geliefde gemeente, iets van deze hoop en van dat verlangen naar de dag die komen gaat? Leven wij, kinderen van God, bij die hoop en verwachting? Waar Paulus van spreekt, als hij zegt: Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig (2 Kor. 4:18Dewijl wij niet aanmerken de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen, die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig.)?
Dat verlangen van de hoop, richt ons hart niet naar beneden, maar meer en meer hemelwaarts. Zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Kolosse: Indien u dan met Christus opgewekt bent (als u dan wedergeboren bent tot een levende hoop en Christus uw Hoop geworden is), zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want u bent gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God (Kol. 3:1-2Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn.).
Bij zo’n levenshouding, gericht op de hemel, hoort verlangen, het verlangen van de hoop. Blij vooruitzicht dat ons streelt: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook u met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol. 3:4).
En dan ziet u tegelijkertijd terug, wat we eerder zagen bij punt 3: hopen, verlangen, en de zonde dienen, dat past niet. Dat is ten diepste onmogelijk! Doodt dan (zegt Paulus, als u verlangt naar de komende dag der eeuwigheid en de verschijning van uw Hoop, Jezus Christus), doodt dan uw leden, die op de aarde zijn,
namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst (Kol. 3:1-5).
Leven vanuit deze hoop en vanuit dit verlangen, dat veroorzaakt wel lijden in deze tegenwoordige tijd. Het kost wat, het kost veel. Het kost ons het plezier en de vriendschap van deze wereld. Maar er staat zoveel meer tegenover. Er staat alles tegenover. We hopen, we weten, we geloven dat we verlost zullen worden van de band van de zonde, die ons zo vaak beknelt. We hopen, we weten, we geloven dat God Zijn werk in onze harten zal afmaken, zal voltooien (Ps. 138:8De HEERE zal het voor mij voleinden; Uw goedertierenheid, HEERE! is in eeuwigheid; en laat niet varen de werken Uwer handen.). En dat we dan tot Hém zullen genomen worden in heerlijkheid.
En die hoop, dat geloof, die zekerheid, die wankelt niet. Die ligt vast. Die ligt vast in de opstanding van Jezus Christus uit de doden. Die ligt vast in Hem, Die onze Hoop is. En Die ligt vast in het onveranderlijke, eeuwig blijvende Woord van Gods belofte (1 Petr. 1:3, 1 Tim. 1:1). Daarom mogen we volkomen hopen op de genade die ons toegebracht zal worden in de openbaring van Jezus Christus (1 Petr. 3:13En wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?). Hij, Die onze Hoop is, zal ons na de korte tijd die nodig is om ons te reinigen van de schuld van de zonde en ons te heiligen van de smet van de zonde, als voorbereiding voor de hemel, straks opnemen in Zijn heerlijkheid. Vrijgemaakt van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid van de kinderen Gods (Rom. 8:21Op hoop, dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods.).
Daarom, kinderen van God: Israël, hope op de HEERE! (Ps. 130:7Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.) Laten we bidden met David: O, ziel, wat buigt u zich neer. Hoop toch op God (Ps. 42:6Wat buigt gij u neder, o mijn ziel! en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts., 12). Laat Christus onze enige Hoop zijn, onze levende Hoop. Onze hoop, die eerdaags zal overgaan in vervulling.
Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is (1 Joh. 3:2-3).
De God nu der hoop vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het geloven, opdat u overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes (Rom. 15:13).
Amen.
Slotzang Psalm 42: 1 en 3:
't Hijgend hert, der jacht ontkomen, O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Schreeuwt niet sterker naar ’t genot Waartoe zijt g' in mij ontrust? Van de frisse waterstromen, Voed het oud vertrouwen weder; Dan mijn ziel verlangt naar God. Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Ja, mijn ziel dorst naar den HEER; Want Gods goedheid zal uw druk God des levens, ach, wanneer Eens verwisselen in geluk. Zal ik naderen voor Uw ogen, Hoop op God, sla 't oog naar boven; In Uw huis Uw naam verhogen? Want ik zal Zijn naam nog loven.
Andere gerelateerde preken
De verspieders van beloofde land (deel 19) - Numeri 13
Numeri 13:30-31
Wie is als God? - Psalm 89
Psalm 89:7
Jozef in de put - Genesis 37
Genesis 37:20
Zij meenden dat het een spook was - Markus 6
Markus 6:49-50
Mijn zoon, geef mij uw hart - Spreuken 23
Spreuken 23:26
Wie is Jezus voor jou? - Lukas 14
Lukas 14:33