PREEK · VRIJE STOFFEN

Christus, het Fundament van de Gemeente – 1 Korinthe 3

11 oktober 2015

1 Korinthe 3:10-11: Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.

INLEIDING

De gemeente van Korinthe kende partijschap – ‘ik ben van Paulus‘, ‘ik ben van Apollos’ – en toch wijst Paulus hen op het enige fundament dat blijft staan: “Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus” (1 Korinthe 3:11). Deze leespreek uit 1 Korinthe 3 laat zien wie de leden en de dienaars van de gemeente zijn, wat haar fundament draagt, en welke toekomst er wacht voor het werk in de gemeente.

THEMA

Zorg dragen voor de gemeente Gods

KERNPUNTEN

  1. De leden van de gemeente
  2. De dienaars van de gemeente
  3. Het fundament van de gemeente
  4. De toekomst van het werk in de gemeente

1 KORINTHE 3:4-17

4 Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; zijt gij niet vleselijk?
5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars door welke gij geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft?
6 Ik heb geplant, Apollos heeft natgemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven.
7 Zo is dan noch hij die plant iets, noch hij die natmaakt, maar God Die den wasdom geeft.
8 En die plant en die natmaakt, zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijn arbeid.
9 Want wij zijn Gods medearbeiders; Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.
10 Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd, en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt.
11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.
12 En indien iemand op dit fundament bouwt goud, zilver, kostelijke stenen, hout, hooi, stoppelen,
13 Eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.
14 Zo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.
15 Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.
16 Weet gij niet dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont?
17 Zo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden; want de tempel Gods is heilig, welke gij zijt.

VOLLEDIGE TEKST

Christus, het Fundament van de Gemeente – 1 Korinthe 3

ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 3:10-11

THEMA

Zorg dragen voor de gemeente Gods

Gemeente, het hoofdstuk dat u voorgelezen is uit de eerste Korinthebrief gaat over het gemeenteleven in Korinthe. We overdenken vanmorgen 1 Korinthe 3, daarvan de verzen 1 tot en met 17. Ik lees u samenvattend alleen het elfde vers nog een keer voor: Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Zorg dragen voor de gemeente Gods

Er zijn vier aandachtspunten. We letten samen op: 1. De leden van de gemeente 2. De dienaars van de gemeente 3. Het fundament van de gemeente 4. De toekomst van het werk in de gemeente. Als eerste dus:

1. De leden van de gemeente

Als je hoofdstuk 3 van de eerste Korinthebrief begint te lezen, dan komt dat bekend voor. Zeker als je leest in vers 4: de één zegt: ik ben van Paulus, en een ander: ik van Apollos. Dat zit Paulus hoog. Daar kwam hij direct al mee in hoofdstuk 1, toen hij schreef: Er zijn twisten onder u. En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: Ik ben van Paulus, en ik van Apollos; en ik van Cefas; en ik van Christus. (1:11-12)

Iedereen is ermee bezig: ‘Voor wie ben jij? Van welke partij ben jij?’ Nou, ik ben voor Paulus. Dat was onze eerste dominee. Die heeft het fundament gelegd. Die heeft hier voor het eerst de boodschap van het Evangelie gebracht. Van het Evangelie van Jezus Christus de Gekruisigde (10). Nee, zegt een ander, ik heb het niet zo op Paulus. Ik ben van Apollos: een geweldige prediker, welsprekend, machtig in de Schriften (Handelingen 18:34). Apollos, dat is mijn man! Nee, zegt een ander, ik ben van Cefas, van Petrus. Die heeft de Zaligmaker tenminste echt gekend. Die kan er echt uit zijn leven over vertellen.

En dan zijn er ook nog (en dat is wel het toppunt van arrogantie!), die zeggen: ik heb de waarheid, want ik ben van Christus Zelf.

In hoofdstuk 1 had Paulus al vraagtekens gezet bij die gang van zaken (1:13). Maar daarna is hij eerst uitgebreid gaan schrijven over (waar het in 1 Korinthe 1 en 2 over gaat), over de wijsheid van God, die staat tegenover de wijsheid van de wereld. Hij is eerst gaan schrijven over het verschil tussen geestelijke mensen (in wie de Heilige Geest woont) en natuurlijke mensen (die van zichzelf blind zijn, die de waarheid niet kennen en niet begrijpen) (2:12-14).

En dat(!) (en dan zie je, dat dit niet zomaar iets is, maar dat dit echt de kern van de zaak raakt), dat gaat Paulus hier in hoofdstuk 3 toepassen. Op dat eerste, waar hij in hoofdstuk 1 over begon, en wat hem zo dwars zit. En dan kijkt hij, nu in hoofdstuk 3, terug, naar het verleden. En dan zegt hij als het ware in vers 1: toen ik bij u kwam (5 jaar geleden), toen u het Evangelie voor het eerst hoorde, toen hoorde u bij die natuurlijke mensen, bij die vleselijke mensen, die vol waren van de wijsheid en het denken van de wereld. Maar, God bracht u tot bekering en geloof, u bent wedergeboren tot… Ja, als je pas geboren bent, dan ben je nog maar een klein kind. En, zegt Paulus (in vers 2): ik gaf u melk, ik gaf u babyvoeding, gemakkelijk verteerbaar voedsel voor kleine kinderen. Daarmee wil Paulus zeggen: ik leerde u de basisregels van het Evangelie. Babymelk noemt hij dat. Ik leerde u de onthulde, grote verborgenheid, namelijk dat God geopenbaard is in het vlees (2:7-10). De onthulde verborgenheid dat Christus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken (1 Timotheüs 3:16).

Maar, zo zegt Paulus, was het u echt Gods bedoeling dat u… zo klein zou blijven? Was het niet Gods bedoeling dat u groter zou worden, dat u zou groeien, dat u zou opwassen in de kennis en in de genade van de Heere Jezus Christus (2 Petrus 3:18)? Was het niet Gods bedoeling dat u heilig voor God zou gaan leven, voor Hem die u die geroepen heeft tot heiligmaking (1 Thessalonicenzen 4:7; zie ook 1:30)?

Maar, daar lijkt het niet op… Want…? Twee dingen wijst Paulus op. a. In de eerste plaats: er is geen vooruitgang, er is geen groei, er is stilstand. U kunt nog steeds geen vast voedsel verdragen (vers 2). Dat wil zeggen: u bent nog steeds niet gekomen tot meer kennis, tot dieper inzicht in de verborgenheden en de wijsheid van God (2:6,10). b. En (en dat is het tweede) u bent nog vleselijk (vers 3). Uw hart, kinderen van God in Korinthe, is wel veranderd, maar uw gedrag, uw leven is nog vleselijk. U denkt, u spreekt, u leeft, u doet en laat, alsof u de Geest niet hebt ontvangen. En daardoor lijkt u sprekend op de wereld. U zegt: is dit niet allemaal gewoon bijzaak? Het gaat in de kerk toch vooral om bekering en om de wegen die God met Zijn kinderen houdt?

Jazeker, maar daar gaat het hier ook over. Dit gaat over bekering. Dit gaat over vernieuwing van hart en leven. Dit gaat over de afsterving van de oude mens en over de opstanding van de nieuwe mens (Zondag 33, 88).

Als God in ons leven komt, dan mag het niet zo zijn, dat we op de wereld blijven lijken. Ja, en dat moeten we niet direct gaan invullen op onze eigen manier, maar laten we luisteren naar wat de Schrift daarover zegt. Naar wat Paulus daarover zegt in Romeinen 12:2. Hij zegt: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig; maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds(!), opdat u moogt beproeven, welke de goede, en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij (Romeinen 12:2). Breken met werelds manieren, wereldse patronen en wereldse wijsheid in ons gemoed, in ons denken, in ons hart, daar gaat het over.

En, zegt Paulus eigenlijk: ik zie het! Ik zie dat wereldse denken aan uw gedrag! En daarom is er geen opwas in de genade. Want u staat de Heilige Geest (Die in u wilde komen wonen en werken) tegen. Want: U bent nog (steeds) vleselijk, want dewijl onder u nijd is, en twist, en tweedracht, bent u niet vleselijk, en wandelt u niet naar de mens? Want als de een zegt: Ik ben van Paulus; en een ander: Ik ben van Apollos; bent u niet vleselijk? (3:3-4)

Werelds denken, werelds leven… U zegt: dat is uitgaan, teveel drinken, verkeerde films kijken, luisteren naar verkeerde muziek, je bezig houden met werelds vermaak. Werelds leven, dat is leven in ontrouw en overspel, in diefstal, fraude, in leugen en bedrog. Nee, Paulus zegt hier: dat is nijd (jaloezie, afgunst), dat is twist (ruzie, gedoe) en dat is tweedracht (partijvorming). En waar zie ik dat aan? Paulus zegt: ‘Aan dat gedoe bij u, aan dat geklets bij u, over dominees.’ Want de één zegt: ‘ik ben een supporter van Paulus’. En de ander zegt: ‘nee, maar ik ben een supporter van Apollos’.

Paulus (zeker hij blijft vriendelijk, hij begint zijn betoog ook met: broeders), Paulus zegt: ‘Broeders, dat is werelds!’ U bent vergeten waar het echt om gaat. U bent het zicht kwijtgeraakt op het hart van de zaak. En de geest van de wereld heeft u te pakken. Want, wat was die geest van de wereld? Dat staat in 1 Korinthe 2: de geest van de wereld zoekt zichzelf. Die is alleen maar bezig met ik: ik vind…, ik vind Paulus de beste, ik vind Apollos beter. Ik ben van Paulus, ik ben van Apollos…’ Werelds denken…

En dat in het leven van Gods kinderen. Want Paulus noemt ze in vers 1: kinderen in Christus. Werelds denken, werelds leven, wereldse manieren, bij kinderen van God, in het midden van de gemeente… De schade is niet te overzien.

Het belemmert de geestelijke vooruitgang in het leven van Gods kinderen (2). Nee, dat is niet van ondergeschikt belang. Want Paulus zegt in Romeinen 8: indien u naar het vlees leeft, zo zult u sterven(!); maar indien u door de Geest de werkingen des lichaams doodt, zo zult u leven (8:13). Deze levensstijl kan onze ondergang worden.

Want wie zo doet, onthoudt zichzelf van het één, of van het ander. Want als u Paulus afkeurt, dan komt er helemaal niets van u terecht. Want hij is degene die plant. Zonder hem groeit er niets. Maar als u Apollos te min vindt, dan krijgt u geen water. En dan gaat het plantje, dat Paulus geplant heeft, alsnog dood. En daarbij, dat twisten over de werkers over het veld, dat geruzie over de akkerbouwers, dat hindert hen in het doen van hun werk. En als dat gebeurt, krijgt u ook geen water meer.

En verder, het leidt tot tweedracht, tot splitsing, tot partijen in de gemeente. En dat is het eigen werk van de duivel. Want de Heere Jezus heeft gezegd: Ik wil dat zij allen één zijn (Johannes 17:21). Dit moet, mijn broeders, (zegt Jakobus later) alzo niet geschieden (3:10-11). Als u… hier ook mee bezig bent, dan moet u, biddend om de werking van de Heilige Geest, daarmee breken. Het leidt tot uw eigen ondergang en tot die van anderen. En: Wie verdeeldheid zaait in de tempel van God, wie die tempel verwoest, die wacht zelf het lot en het oordeel van de verwoesting (zo staat in vers 17)!

Nee, het is geen teken van geestelijke wijsheid, maar een teken van grote groeiachterstand en van werelds denken, als je altijd maar weer bezig bent met het oordelen, het beoordelen en veroordelen van de dienaars van de kerk. Laat me u en mezelf broederlijke raad geven, opdat de duivel geen gelegenheid krijgt of meer krijgt om het werk van de Heere onder ons te verstoren a. In de eerste plaats: vermijd het zaaien van tweedracht en het meedoen daaraan, door te zeggen: ‘ik ben voor die!’, of: ‘nee, maar ik ben meer voor die.’ b. In de tweede plaats: word geen onderdeel van een partij, die ergens over klaagt. c. In de derde plaats: vermijd zelf het klagen voor het gewillig luisterend oor van iemand anders. Want al doet u het zelf niet, er zijn altijd mensen die liever een kwaad gerucht verspreiden, dan de goede boodschap van het Evangelie. d. In de vierde plaats: word niet als Korach, Dathan en Abiram. Ze verdachten Mozes en stonden gezamenlijk tegen hem op, terwijl ze er eigenlijk geen goede reden voor hadden (Numeri 16). e. In de vijfde plaats: houd u ver van dwalingen. Want de Bijbel zegt dat juist dwalingen, dat juist het afdwalen van de kern van het Evangelie, leidt tot tweedracht en scheuring in de kerk (Titus 3:10). f. En in de laatste plaats: wees u er goed van bewust, wie uw dienaars zijn.

En dat laatste advies brengt mij tot het tweede aandachtspunt:

2. De dienaars van de gemeente

Want, zo schrijft Paulus in vers 5: Wie is dan Paulus, en wie is Apollos, anders dan dienaars, door welke u geloofd hebt, en dat, gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft? (3:5) Er mag veel liefde in uw hart zijn tot degene die het middel geweest is om u te brengen tot geloof en bekering. Maar vergeet nooit: het was slechts een middel, het was maar een mens, slijk aan Gods vingers.

Het was maar (zo staat er letterlijk) een dienaar, een diaken, een tafeldienaar. En dan moet u denken aan iemand die in een restaurant bij uw tafeltje komt en zegt: ‘Goedenavond, ik bedien u vanavond, kan ik iets te drinken voor u inschenken?’ Hij is of was maar een dienaar, een diaken. Hij was niet de eigenaar, hij was niet het hoofd van de tafel. Hij was ook niet het Evangelie, de Heilige Geest of de Heere God Zelf. Hij was niet meer dan een dienaar. Hij was niet meer dan een dienaar, die deed wat de Heere, zijn Eigenaar en Zender hem opdroeg.

Gelijk (zo zegt Paulus) de Heere aan een ieder gegeven heeft’ (5). Hij deed wat de Heere hem had opgedragen. Paulus had de opdracht om het fundament te leggen. Apollos had de opdracht om met vuur en ijver, welsprekend als hij was, de Schriften uit te leggen. Ze hadden één en dezelfde plek of positie. Ze waren beiden geroepen om te dienen. Ze waren geroepen om zelf te buigen, en om God te verheerlijken. En ondertussen waren ze uitermate verschillend. En ze hadden ook een heel verschillende taak, een heel verschillende roeping. De één namelijk om te planten, en de ander om nat te maken (6). Maar van zichzelf waren zij niets. U hoort het goed: ze waren niets! Want én hij die plant, én hij die nat maakt, beiden zijn ze van zichzelf helemaal niets (7). Want God alleen geeft leven, groei en vrucht.

Zeker, daar zijn de dienaars van het Woord op gericht. Op planten, water geven, zodat dat het geplante uiteindelijk gaat groeien en tot wasdom komt. Hun manier van werken is heel verschillend. De één geeft het plantje veel mest en een beetje water, de ander misschien wat minder mest en meer water. Ieder volgens eigen roeping en opdracht. Uitzien naar leven, naar vrucht, naar groei, dat doen ze allemaal. Maar niemand van hen kan schijnen als de zon, niemand kan het laten regenen, en niemand kan zelf groei geven. Dienaars, dominees zijn, vergeleken met God: NIETS!

Waarom zegt Paulus, waarom zegt de Heere dat zo stellig? Om twee redenen. a. In de eerste plaats om degenen die het Evangelie prediken te bewaren om op zichzelf te vertrouwen.

Wij zijn niets. En alles wat we meer zijn en meer naar ons toe halen, is tot oneer van onze Zender en tot schade van ons werk. b. En in de tweede plaats om u als gemeente ervoor te bewaren om maar enigszins te vertrouwen op een mens. Als u verwachtingsvol luistert vanwege de goede naam van een predikant, vanwege zijn persoon, vanwege zijn bekendheid, of vanwege wat dan ook, dan zult u geen zegen ontvangen. Ja, misschien krijgt hij wel een moment dat uw verstand tevreden wordt gesteld, dat uw gevoel wordt gestreeld, maar een zegen krijgt u niet. Een zegen krijgt u alleen als u hier zit, in het diepe besef dat u hier zit, bidt en luistert in de aanwezigheid van de levende God, die spreekt: Het is God die spreekt.

Die wetenschap bewaart voor ongoddelijk en geesteloos nalopen van dominees. Wat een bewijs is, van niet anders dan van een wereldse geest. God gebruikt wel mensen (1 Korinthe 1:21; Romeinen 10:14), maar het eigenlijke werk is van Hem. De akker (zo staat in vers 9) is van Hem. En u, gelovigen in Korinthe, zo zegt Paulus, bent Gods akkerwerk. De akker is gekocht met de prijs van het bloed van Christus (Handelingen 20:28). De akker is omheind, afgezonderd van de wereld, met de bedoeling om heilig voor God te leven. En de akker wordt door de Heere ook Zelf beschermd en bewaard (Psalm 125:2). De akker is van God, van de hemelse Landman, van de grote Herder der schapen. Die allerlei soorten van werkers in dienst heeft. Die allemaal één ding gemeen hebben: van zichzelf zijn ze niets.

Toch zijn ze wel allemaal dienaars. En dat brengt Paulus in hoofdstuk 4 tot de vermaning: Alzo houde ons een ieder mens, als dienaars van Christus, en uitdelers der verborgenheden Gods (1 Korinthe 4:1). Ze zijn dienaars, geroepen om de akker met liefde en toewijding te bewerken (Lukas 13:8, Jeremia 32:41). Maar, de akker en het werk zijn eigenlijk van de Heere.

En als de Heere, de hemelse Landman Zelf, al dat werk dat door de jaren heen hier in [plaatsnaam] gedaan is, overziet, dan zegt Hij (en dan moet u goed luisteren naar de formulering): Wat heb Ik(!) nog meer aan Mijn(!) wijngaard te doen (Jesaja 5:4)? Want de Landman, de hemelse Landman verwacht (zegt Jakobus) de kostelijke vrucht van het land (5:7). En het is niet tot Zijn vreugde en tot Zijn blijdschap (en dus ook niet tot de onze) als er geruchten zijn over groepen, partijen en wereldse manieren in gezelschappen en op verjaardagen. Deze vrucht is de hemelse Landman zoet: de vrucht van nieuwe leven, van de droefheid naar God, van honger en dorst naar de gerechtigheid van Christus. Deze vrucht: van kinderlijke vreze Gods, van het zien op Jezus, van opwas in de genade en van het komen tot meer geestelijke bekwaamheid en tot meer vastheid en zekerheid, gebouwd op het fundament van Jezus Christus.

En als het daarom gaat (om de vrucht!), dan zeggen we: Niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw naam zij geprezen! We gaan dat samen eerst zingen uit Psalm 115:1. Niet ons, o HEER', niet ons, Uw naam alleen Zij, om Uw trouw en goedertierenheên, All' eer en roem gegeven. Waarom, o HEER', zou 't heidendom, met spot, Dan zeggen: "Waar, waar is toch nu hun God, Bij hen zo hoog verheven?"

Niet ons, o Heere, niet ons… Niet Paulus, niet Apollos, niet dominee X, niet dominee Y, maar God alleen. Wij zijn niets. Wij zijn dienaars. Mensen die (zoals staat in vers 8) samenwerken. Mensen die in het werk één zijn. Niet gericht op onszelf, niet gericht op de eer en de glorie van onze naam, maar gericht op God. Wij werken samen (zo staat in vers 9), voor God. Op Hem gericht. En u bent Zijn akker (dat was het eerste beeld). Maar u bent ook (en dat is het tweede beeld) Zijn bouwwerk, Zijn gebouw, Zijn tempel (16).

En dat brengt ons bij het derde aandachtspunt:

3. Het fundament van de gemeente

Paulus zegt in vers 9: u bent Gods gebouw. En de Heilige God is de Eigenaar, de Bouwmeester, de Architect van dat gebouw (Hebreeën 11:10). Zeker, ik heb (zo zegt Paulus in vers 10) als een wijs architect het fundament gelegd, maar dat was alleen maar genade: naar de genade Gods. En daarna (nadat het fundament was gelegd) ben ik verder gegaan. Want dat was mijn roeping: een fundament leggen, waar nog nooit eerder een fundament was gelegd (Romeinen 15:20). Maar daarna moest wel verder gebouwd worden op dat fundament. Het fundament, dat is de bodem van het huis. De heipalen in de grond, het beton onder de vloer. Het fundament, dat is allesbepalend. Het is het eerste van alles. Het draagt alles en het geeft vorm aan alles. En dat fundament is (zo zegt Paulus) het Evangelie van het kruis. Want: ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Die gekruisigd (2:2).

Het fundament van de kerk, het fundament van de gemeente (en dat mag echt het einde zijn van alle discussies over dominees, ouderlingen en diakenen) het fundament van de kerk en van de gemeente is Jezus Christus (Efeze 2:20-22). Jezus Christus, de Middelaar. die be-middel-t tussen God en mensen. Voor mensen, bij God. Bij God, bij de heilige God, voor Wie wij, zondige en verloren mensen, niet kunnen bestaan. We kunnen God niet genoeg doen. Daar hebben we geen macht en vermogen voor. We kunnen zelf niet opstaan uit de dood. We kunnen uit onszelf niet tot genade komen. We liggen van nature in onze verlorenheid.

Maar wie als een verloren zondaar roept om redding en behoud, die ontvangt om Christus’ wil: volkomen verlossing (Zondag 6, 18).

Christus en Zijn verlossingswerk, dat is het fundament van de kerk. En alles wat de aandacht daarvan afleidt, ondergraaft het fundament. Hij is de vaste Grond, Hij is de enige Grond: Jezus Christus, die Gods kinderen geschonken is tot een volkomen verlossing (1:30). En dat fundament heeft Paulus gelegd. Meer zegt hij er niet over. Dat is het. Dat is ook genoeg. Dat is alles. Minder is tekort. Meer is teveel. Het gaat om Jezus Christus en Die gekruisigd. Dat is het fundament, dat is de basis. Daarop wordt de gemeente verder gebouwd. Door meerderen. Kijk maar in vers 10: Een ander bouwt daarop, maar een iegelijk zie toe, hoe hij daarop bouwe.

Wie bouwen er verder aan de gemeente, aan het huis, aan de tempel van God? Nee, niet om eigen naam en roem. Maar als dienaars, als onnutte dienstknechten (Lukas 17:10)? Wie? Andere dienaars van het Woord, ambtsdragers, en ook al Gods kinderen.

Hoe bouwen zij? In Efeze 4 zegt Paulus: door de waarheid te spreken (Efeze 4:14-16) en door te blijven staan op dat enige fundament. Want het gaat niet goed met het gebouw, het gaat niet goed met de gemeente, het gaat niet goed met Gods kinderen, als we van dat ene fundament af gaan, van dat: Evangelie van het kruis. Het gaat niet goed met de gemeente, het gaat niet goed met Gods kinderen, als we ons gaan bezighouden met bijzaken (zoals de verschillen tussen Paulus en Apollos), als we in groepen tegenover elkaar komen te staan, en als we ondertussen het fundament, de basis, de enige vastheid van het Woord van God loslaten. Het kruis staat op het Woord. Als je niet meer gelooft in Genesis 1, 2 en 3, dan valt het kruis om. Als je het gezag van de Bijbel (als het einde van alle tegenspraak) loslaat, dan ben je bezig om het kruis om te zagen.

Want (zo zegt Paulus): je kan op dat goede fundament verder bouwen. Met goud, zilver en edelstenen (vers 12). Als je dat doet, dan blijf je in de lijn met dat kostbare fundament, het Evangelie van het bloed van Christus (1 Petrus 1:19). Maar, je kan ook verder gaan met hout, hooi en stro (vers 12). Met slechte bouwmaterialen. Daar wordt het huis niet beter van. Dan wordt dat huis lelijk, het wordt instabiel, er komen scheuren in, en in het slechtste geval stort de hele zaak in. Ooit (vers 13) zal het openbaar komen, hoe er gebouwd is. Dat brengt ons nog kort bij ons vierde punt:

4. De toekomst van het werk in de gemeente

Hoe een ieder (in het bijzonder de dienaars van het Woord en de ambtsdragers) hun talenten besteed hebben, dat komt aan het licht op de dag van het oordeel (Mattheus 25: 14-30, Lukas 19:11-27, Openbaring 20:12).

Wie doorgebouwd heeft op het fundament met duurzame, onverwoestbare materialen, die wilde hechten aan de ondergrond, die zal loon (genadeloon) ontvangen. Maar die naar eigen inzicht geklust heeft in het huis van God, gericht op eigen eer en groep en naam, die zal zijn werk in rook zien opgaan (15).

Wie op dat goede fundament gaat bouwen met iets anders (dat zeg ik tegen mezelf, tegen de broeders, tegen u, in het bijzonder tegen Gods kinderen), die schendt het bouwwerk, die schendt de tempel van God (17). En dat is tot grote schade. Voor nu. Want dat belemmert geestelijke wasdom en vooruitgang. En het bedroeft de Heilige Geest (Efeze 4:30). Dat is tot grote schade. Voor nu en voor straks. Want dan zal blijken dat deze manier van werken te vergeefs was, en dat het resultaat ervan in de rook zal opgaan (15).

Waarom is dit nu allemaal zo belangrijk? Had deze preek niet veel beter kunnen gaan over bekering? Ja, maar daar ging de preek ook over. Daar gaat het de hele preek al over: over het afsterven van de oude mens over de opstanding van de nieuwe mens.

Waarom is dit allemaal zo belangrijk? Het is zo belangrijk omdat de gemeente de tempel van God is, de tempel waarin de Heilige Geest woont (16-17). En dat geldt persoonlijk en in het bijzonder de harten Gods kinderen. De Heilige Geest woont in ons. We worden genoemd de levende stenen van het geestelijke huis (1 Petrus 2:5). We worden door de Heere genoemd: kinderen van God, leden van Christus en tempels van de Heilige Geest (Galaten 3:26; 1 Korinthe 6:15, 19). En dat vraagt om een heilig leven. Want de tempel van God was heilig (3:17; 6:19) Dat vraagt om een heilig leven: gericht op hemel, geestelijk, zuiver, vol van genade, verdraagzaamheid en vergevingsgezindheid, zoals die was in Christus Jezus (Kolossenzen 3:13).

Dit is ons tempelwerk, kinderen van God, door Petrus priesters genoemd, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus (1 Petrus 2:5). Dit is ons tempelwerk: Niet meedoen aan partijvorming. Dan schendt u, dan verwoest u de tempel van God (17). Bidden. Zoals er vroeger gebeden werd bij de tempel: Hoor dan naar de smeking van Uw knecht en van Uw volk Israël, die in deze plaats zullen bidden; en U, hoor in de plaats Uwer woning, in den hemel, ja, hoor, en vergeef (1 Koningen 8:30). Bidden. Offeren. Het offer van een gebroken hart (Psalm 51:7). Offeren een offerande van lof, denkend aan de woorden van de dichter: Wie dank offert, die zal Mij eren; en wie zijn weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen zien (Psalm 50:23). En leven in zuiverheid en heiligheid.

Dan zullen we, kinderen van God, ook de troost ervaren van het wonen van de Heilige Geest in de door Hem gebouwde tempels van onze harten.

Dit is de troost: Hij woont in ons. Dat is een zekere garantie voor onze toekomst, voor onze opstanding met Christus (Romeinen 8:11). En: Hij die in ons wilde komen wonen, is het Zelf die onze levens heiligt. En: Hij is het, die ons verborgenheden leert, die ons opwas geeft in de genade en kennis van onze Heere en Zaligmaker, Jezus Christus (Johannes 14:26). En Hij zal ons, welke moeite of tegenstand er ook is, nooit verlaten. Hij zal bij ons blijven tot in eeuwigheid (Johannes 14:16).

Kinderen van God, u bent duur gekocht: zo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn (6:20).

Amen.

Slotzang Psalm 118:11:

De steen, dien door de tempelbouwers Verachtelijk was een plaats ontzegd, Is, tot verbazing der beschouwers, Van God ten hoofd des hoeks gelegd. Dit werk is door Gods alvermogen, Door 's HEEREN hand alleen geschied; Het is een wonder in onze ogen; Wij zien het, maar doorgronden 't niet.