PREEK · VRIJE STOFFEN

Een lofzang op Gods verkiezende genade - Efeze 1

14 september 2014

Efeze 1:4: Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;

INLEIDING

Paulus zingt de lof op Gods verkiezende genade en beantwoordt zeven vragen: God de Vader verkoos ons, voor de grondlegging der wereld, uit louter welbehagen, zonder enige reden in onszelf. Het gevolg is een positie in de hemel, in Christus; het doel is heiligheid; de vrucht is alle geestelijke zegening, waaronder de aanneming tot kinderen. Niets komt uit ons, alles uit God — dat houdt klein, geeft troost en roept op tot aanbidding: alle roem is uitgesloten.

THEMA

Een lofzang op Gods verkiezende genade

KERNPUNTEN

  1. Wie heeft verkoren?
  2. Wie heeft God verkoren?
  3. Waar ligt het fundament van de verkiezing?
  4. Wanneer heeft God dat allemaal gedaan?
  5. Wat is het gevolg van die verkiezing?
  6. Wat is het doel van Gods verkiezing?
  7. Wat is de uitwerking van Gods verkiezing?

EFEZE 1:1-12

1 Paulus, een apostel van JEZUS CHRISTUS door den wil Gods, den heiligen die te Éfeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus:
2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.
3 Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.
4 Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde;
5 Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil;
6 Tot prijs der heerlijkheid Zijner genade, door welke Hij ons begenadigd heeft in den Geliefde;
7 In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade,
8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid;
9 Ons bekendgemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven;
10 Om in de bedeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide wat in den hemel is en wat op de aarde is;
11 In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die tevoren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;
12 Opdat wij zouden zijn tot prijs Zijner heerlijkheid, wij die eerst in Christus gehoopt hebben.

VOLLEDIGE TEKST

Een lofzang op Gods verkiezende genade - Efeze 1

ds. J. IJsselstein - Efeze 1:4

THEMA

Een lofzang op Gods verkiezende genade

AANDACHTSPUNTEN

  1. Wie heeft verkoren?
  2. Wie heeft God verkoren?
  3. Waar ligt het fundament van de verkiezing?
  4. Wanneer heeft God dat allemaal gedaan?
  5. Wat is het gevolg van die verkiezing?
  6. Wat is het doel van Gods verkiezing?
  7. Wat is de uitwerking van Gods verkiezing?

Gemeente, het is vanmiddag een dienst van dankzegging op het gehouden Heilig Avondmaal. Wat betekent dat eigenlijk: dankzeggen? Dankzeggen is aanbidden, eer en lof toebrengen aan God. Niet gericht op jezelf: dit vragen, dat vragen, danken voor dit of voor dat… Maar, gericht op God: Hem alle eer en lof toebrengen en Zijn glorie bezingen. Dat hoor je terug in het eerste hoofdstuk van de Efezebrief. Na een korte groet en zegenwens, komt er uit de pen van Paulus een stortvloed van woorden, die bijna niet te stuiten lijkt. Het is een lange zin, en het gaat maar door. Het voelt als een sneeuwbal die, eenmaal aan het rollen, steeds groter wordt en steeds meer met zich meeneemt. Het doet denken aan Psalm 71, de psalm die we zojuist samen gezongen hebben: mijn mond vindt tot Uw lof gedurig ruimer stof. Eigenlijk is het een lange zin, die begint in vers 3 en die doorloopt tot aan vers 14. Wij gaan vanmiddag het eerste deel van die lange zin, tegelijkertijd ook de kern van die moeilijke zin, samen met elkaar overdenken.

De tekst voor de preek van vanmiddag vindt u in Efeze 1: 3-5. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, voor de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; Die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.

We zetten als thema boven de preek: Een lofzang op Gods verkiezende genade En we zingen vanmiddag, samen met degenen die vanmorgen aanzaten aan de tafel des Heeren, de lof op deze verkiezende genade van God.

We horen al lezend in ons Schriftgedeelte zeven antwoorden op zeven vragen. Vraag 1: Wie verkiest? Wie is de Auteur van de verkiezing? Vers 3 zegt: de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Vraag 2: Wie werd verkoren? Wie was het voorwerp van Gods verkiezing? Vers 4 en ook andere verzen zeggen: wij. Vraag 3: Waar ligt de bron van Gods verkiezing? Wat is het fundament ervan? Vers 5 zegt: het welbehagen van Zijn, van Gods wil. Vraag 4: Wanneer heeft God dat gedaan? Wat was het moment van de verkiezing? Vers 4 zegt: dat gebeurde voor de grondlegging der wereld. Vraag 5: Hoe is het nu? Wat is het gevolg van de verkiezing? Uit vers 3 blijkt dat het gevolg is dat wandel van Gods kinderen in de hemel is. Vraag 6: Waarom heeft God verkoren? Wat was Zijn doel? Vers 4 verwoordt een Goddelijk opdat: opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde. Vraag 7: Wat is de uitwerking van de verkiezing? Wat zijn de vruchten ervan? U kunt daarbij denken aan vers 3, waar het gaat over alle geestelijke zegening. En in het vervolg worden nog veel meer vruchten genoemd, zoals ook in vers 5: de aanneming tot kinderen. Zeven antwoorden op zeven vragen. We zullen ze een voor een verder met elkaar overdenken.

Wie preekt er nu in een nabetrachtingdienst over Gods verkiezing? Eerst maar eens even de vraag, jongens en meisjes: wat is dat, Gods verkiezing? Dat betekent dat God in de eeuwigheid, eindeloos lang voordat de tijd begonnen was, eindeloos lang voordat de wereld geschapen was, bepaalde mensen heeft uitverkoren. God heeft bepaalde mensen uitgekozen om die zalig te maken, terwijl Hij anderen voorbijging.

Je zegt: waarom zou de Heere dat tegen ons verteld hebben? Het was Gods beslissing om dat te doen, maar had Hij dat niet beter voor Zichzelf kunnen houden? Nou, de Heere God heeft het in ieder geval niet tegen ons verteld om ons de indruk te geven, dat Hij niet echt meent als Hij onze roept. Dat Hij het niet echt zou menen als Hij zegt: zoekt, en je zult vinden. Dat meent de Heere oprecht! De Heere heeft het ook niet gezegd om je moedeloos te maken. Hij hoort je bidden, Hij luistert zelfs naar het roepen van de jonge raven. En de Heere heeft het zeker ook niet in de Bijbel aan ons verteld om ons gerust en lui te maken. Zodat we zouden gaan denken: laat ik maar gewoon doorgaan met zondigen, want als ik uitverkoren ben, dan komt het vanzelf wel goed. Dus dat God over Zijn verkiezing vertelt in de Bijbel is: niet om ons moedeloos of lui te maken, ook niet om daar zomaar gewichtig over te praten, zeker niet om onszelf of anderen mee te slaan. Het is ook niet bedoeld om op te gaan rusten, om op te gaan zitten, om ons hoofd erop te slapen te leggen, maar om… Ja, waarom eigenlijk?

Want wat moet je dan wel met de uitverkiezing? En waarom zou je daarover preken? Toch heeft de Heere een bijzondere bedoeling met wat Hij in de Bijbel verteld heeft over de uitverkiezing. Hij heeft het niet voor iedereen bedoeld. Hij heeft het heel bijzonder

bedoeld te zeggen tegen Zijn kinderen. Voor hen heeft het een heel bijzondere bedoeling. Welke dan? a. Het is bedoeld, avondmaalgangers, om ons nederig en klein te houden. Het is ervoor bedoeld, dat wij toch vooral niet zouden gaan denken dat iets van de zaligheid bij onszelf vandaan komt. Nee, helemaal niets. Het is alles uit God, en door God, en tot God. b. Het is ook bedoeld om kinderen van God te troosten. Wat er ook gebeurt, Gods werk in ons leven ligt vast. Niet in onze besluiten, maar in Gods besluiten. c. En tegelijkertijd roept het ons op tot heiligheid, zoals staat in vers 4: om heilig en onberispelijk te zijn voor God in de liefde. d. En het is vooral bedoeld, en eigenlijk had ik dat als eerste moeten zeggen, om God Drie-enig alleen alle eer en lof en aanbidding toe te zingen. Kom, maak God met mij groot. Die God is onze zaligheid, wie zou die hoogste Majesteit dan niet met eerbied prijzen?

Gods verkiezende genade. Niet bedoeld om op te zitten, niet bedoeld om mee te zeulen, maar bedoeld voor Gods kinderen om van te zingen. Paulus zingt de lof van de Heere, en wil uw hart meenemen, avondmaalgangers, in verwondering, aanbidding en lof. In zijn lofzang op Gods verkiezende genade, vol van verwondering en verbazing: waarom was het toch op mij gemunt? Een lied dat zeven antwoorden geeft op zeven vragen.

Vraag 1: Wie heeft verkoren? Wie is de Auteur van de verkiezing? In vers 3 zegt Paulus: de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus. Wat er in de stille eeuwigheid plaatsvond was het werk van de Drie-enige God. Dat was het werk van de eeuwige Vader, van de eeuwige Zoon en van de eeuwige Heilige Geest. Het werk van de verkiezing wordt vooral toegeschreven aan de Vader, maar soms ook aan de Zoon. De Heere Jezus zegt zelf in Johannes 15:16: u hebt Mij niet uitverkorenen, maar Ik heb u uitverkoren. De verkiezing is ook het werk van de Heilige Geest, die van eeuwigheid af uitgaat van de Vader en de Zoon. Maar in het bijzonder is de verkiezing het werk geweest van God de Vader. God de Vader verkoor Zijn kerk, in de stilte van de eeuwigheid. God de Zoon gaf Zich als de eeuwige Zoon van de Vader vrijwillig tot een Borg, tot een Prijs voor Zijn kerk. En God de Heilige Geest past het werk der zaligheid toe in de harten van mensen.

En nu roept Paulus, kinderen van God, ons op om daarvan te zingen. Van dat eeuwige, onbegrijpelijke werk van de Drie-enige God. Paulus roept ons op om in stilte (de lofzang is in stilheid tot U, o God), maar ook met mond en hart God Drie-enig te aanbidden en alle lof toe te zingen. Zoals Melchizedek al deed, in het begin van het Oude Testament, toen hij uitriep: gezegend (geprezen, gelooft, aanbeden) zij de allerhoogste God. Zoals Salomo deed bij de inwijding van de nieuwe tempel, toen hij uitriep: geloofd zij de Heere, de God Israëls. En met Petrus zeggen we: geloofd zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus,

Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden. En met Paulus zeggen we (zoals in vers 3): gezegend zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.

Hoe schittert hier in het werk van de Drie-enige God. Het werk van God de Vader, Die verkoor. Het werk van Christus, Die zich in de eeuwigheid gaf tot betaling en verzoening van al de Zijnen. En dus komen alle zegeningen en komt alle genade tot ons ‘door Hem’. Want (zegt de apostel) er is geen andere Naam onder de hemel gegeven door Welke wij moeten zalig worden. En dat was ook de wil van de Vader. Dat in Hem, in Christus al de volheid wonen zou. En uit die volheid van Christus verkrijgen wij, zegt Paulus: geestelijke zegeningen. Dat wil zeggen de zegen van de Persoon van de Heilige Geest. Namelijk dat Hij in ons woont en daar Zijn levendmakende en vernieuwende werk doet. En dus is dit niet anders dan (zingt u mee?) een lofprijzing aan het adres van de Drie- enige God. Uit Hem komt alles voort. En niets is er, dat uit ons komt. En dat maakt ons ootmoedig en klein. Het kwam niet van ons, het komt niet van ons. Het is alles uit God. En dat troost ons hart. Omdat er nu niets van ons komt, daarom ligt het zo vast. Daarom zal het altijd goed gaan. En dat maakt dat er zoveel reden is om Gods lof te bezingen. Om samen te zingen in stilte, met mond en hart: niet ons, o Heere, niet ons, maar Uw Naam geef eer.

Vraag 2: Wie heeft God verkoren? Paulus zegt: ons. Hij verkoor ons. En alles wat daaruit voortkwam, deed Hij voor ons. Die in vers 1 genoemd worden: de gelovigen in Christus Jezus. God heeft (zegt Paulus in vers 4) ons uitverkoren in Christus voor de grondlegging der wereld.

In het Oude Testament koos God Abraham. Om hem te zegenen en tot een groot volk te maken. Was Abram anders dan de anderen in Ur der Chaldeeën? Nee, hij was een gewone afgodendienaar, net als alle anderen. Later koos God Israël. Had dat iets te maken met het voorbeeldige gedrag van Israël? Nee, helemaal niet. Volgens mij was dat gedrag ook helemaal niet zo voorbeeldig. Dat God Israël koos uit het midden van de volken, was een genadige beslissing van God alleen. Een eenzijdige, vrije, onafhankelijke en tegelijkertijd ook onveranderlijke beslissing van God. Later zegt Mozes in Deuteronomium 7: Want gij zijt een heilig volk den HEERE, uw God; u heeft de HEERE, uw God, verkoren, dat gij Hem tot een volk des eigendoms zoudt zijn uit alle volken, die op den aardbodem zijn. De HEERE heeft geen lust tot u gehad, noch u verkoren, om uw veelheid boven alle andere volken; want gij waart het weinigste van alle volken.

U was niet meer of beter dan andere volken, u was minder en kleiner. De Heere heeft u niet verkoren omdat er iets in u was, dat u aantrekkelijk maakte. Er was maar één reden, en die staat in het daaropvolgende vers. Mozes zegt het was hierom: omdat de HEERE u liefhad. Het was niet om iets in u, maar enkel en alleen omdat de Heere u liefhad. Om Gods eenzijdige liefde. Niets in u, Israël, maakte u aantrekkelijk. U was later in de tijd, zegt Ezechiël: als een heidens, verworpen kind, uw ziel was walgelijk. U was, zo zegt Paulus later in Efeze 2: dood door de misdaden en de zonden. De Heere noemde u kinderen des toorns en kinderen der ongehoorzaamheid. Maar God! God was rijk en barmhartigheid, bewogen door eenzijdige liefde en ontferming. Daarmee heeft Hij u liefgehad, zelfs toen u in de tijd dood was, door uw eigen misdaden en zonden.

O, zullen we dan ooit nog trots zijn op iets van onszelf? Wie van ons heeft dan ooit nog de moed om zich te beroemen? Om trots en hoogmoedig te worden? Om zichzelf met een ander te vergelijken en die ander te verachten en zichzelf beter te vinden? Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: want wie onderscheidt u? En wat hebt u, dat u niet hebt ontvangen? En zo u het ook ontvangen hebt, wat roemt u, alsof het niet ontvangen had? U hebt het allemaal gekregen, en waarom doet u dan alsof er iets bij is van uzelf? Dit moet ons toch klein en ootmoedig maken van dank en verwondering? Dat God in eenzijdige liefde bewogen in Zichzelf omgezien heeft naar zulke mensen, zoals wij? Die in de tijd zouden blijken zondaars te zijn, die met God zouden breken?

Schittert daarin niet de eenzijdige liefde van de Vader? Dat Hij ons heeft liefgehad? Later zegt Johannes: hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon gegeven heeft tot een verzoening voor onze zonden. Schittert daarin niet de eenzijdige liefde van de Zoon? Dat de eeuwige Zoon Zich voor ons heeft Borg gesteld en zich voor ons heeft overgegeven? Zoals het staat, het is de echo in al deze verzen in Efeze 1 (het staat er tot 11 keer toe): in Hem! In Christus! Door Zijn werk! Eén geworden met Hem, in Hem ingeënt, in Hem ingeplant, heeft God ons met God verzoend. En schittert daarin ook niet de eenzijdige liefde van God de Heilige Geest? Dat Hij Zijn werk wilde doen in zulke verloren harten? Dat Hij zulke verloren en zondige harten wilde maken tot Zijn huis, ja, tot Zijn tempel?

Dat Hij ons koos, zonder enige reden in ons, dat was niet omdat wij anders of beter waren dan andere mensen. En dat maakt dat er geen enkele reden is om ooit nog trots te zijn. Het kwam en komt niet van ons, het kwam en komt van Hem. En dat maakt tegelijkertijd dat onze zaligheid zo vastligt. Als het van ons kwam, dan was het snel over en uit. Maar omdat Hij ons heeft liefgehad, daarom blijft het altijd zoals het was. Daarom zal het nooit veranderen.

En dat maakt dat er zoveel reden is om God lof toe te zingen en Hem te aanbidden. Niet met aanbidding en lof vanuit een opgezweept innerlijk, vol van eigen emoties en enthousiasme. Maar gevoed vanuit diepe verwondering en stille aanbidding: de lofzang is in stilheid tot U, o God. De derde vraag:

Vraag 3: Waar ligt het fundament van de verkiezing? Waar ligt de basis, waar is de bron? Paulus zegt in vers 5: in het welbehagen van Gods wil. Zoals we zingen Psalm 89: het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen. Wat betekent eigenlijk dat woordje ‘welbehagen’? Het betekent: iets goed vinden, goede gedachten ergens over hebben, ergens vermaak, ergens plezier in hebben, iets graag willen, iets graag doen. Er is heilige vreugde en blijdschap in God, in Zijn wil, in Zijn raad, in Zijn plan, om mensen zoals wij te verlossen van de zonden en terug te brengen tot Hem. Dat is de bodem, dat is het fundament van alles: Gods vrije, onafhankelijke, onveranderlijke raad en wil. Zijn goede gedachten met Zijn verkoren Kerk. En dus komt er werkelijk helemaal niets van ons. Alles komt voort uit God, uit de bron van Zijn welbehagen. En daarom ligt alles vast in Hem. Want Zijn wil zal nooit veranderen.

Voordat we verder gaan met de vierde vraag en het vierde antwoord, gaan we eerst zingen uit Psalm 65:1: De lofzang klimt uit Sions zalen Tot U met stil ontzag; Daar zal men U, o God, betalen Geloften, dag bij dag. Gij hoort hen, die Uw heil verwachten, O Hoorder der gebeên, Dies zullen allerlei geslachten Ootmoedig tot U treên.

We stellen vanmiddag zeven vragen aan onze tekst, die een lofzang bevat op Gods verkiezende genade. We gaan verder met:

Vraag 4: Wanneer heeft God dat allemaal gedaan? Wat was het moment van Gods verkiezing? Paulus zegt in vers 4: dat was voor de grondlegging van de wereld. Dat was voordat de aarde en de mensen geschapen werden. En dat bewijst opnieuw dat er niets van ons bij te pas kwam. Wij waren er nog niet eens. Er was nog geen mens. En dat bewijst opnieuw dat de eeuwige verkiezing alleen opkomt uit de bron van Gods eenzijdige liefde en welbehagen. En ons persoonlijk gebed, kinderen van God, mag daarom wel gedrenkt zijn in aanbidding, in verwondering, in dankzegging en lof.

En het is tegelijkertijd tot onze troost, dat we weten mogen dat dit alles al plaatsvond in de eeuwigheid. Dat alles toen al besloten is. En omdat alles toen al besloten is, daarom ligt het voor altijd vast. Daarom kan het nooit meer veranderd worden. Onze zonden, ons verzet, ons dwalen, onze geesteloosheid, onze liefdeloosheid, onze biddeloosheid, niets kan iets veranderen aan dat eeuwige besluit van God. En dat maakt ons opnieuw klein: hoe is het mogelijk, Heere, dat U toen al aan ons dacht? Hoe is het mogelijk, Heere, dat U ons toen al liefhad?

Vraag 5: Wat is het gevolg van die verkiezing? Paulus zegt in vers 3: de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus heeft ons gezegend met alle geestelijke zegening (met de zegen van de Heilige Geest Zelf) – en op wat nu volgt leg ik de nadruk – ‘in de hemel in Christus.’ Wij zijn gezegend in de hemel. Dat laat zien wat onze positie behoort te zijn, als kind van God op de aarde. We zijn er wel bij, maar we horen er niet bij. We zijn tijdelijke bewoners, we huren om zo te zeggen hier op aarde een huis, maar ons thuis is in de hemel. Zoals de dichter zingt van Psalm 119: ik ben, o Heere, een vreemdeling hier beneden.

Daarom zegt Paulus ook in de brief aan de Filippenzen: onze wandel is in de hemelen (in Christus), waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten. Bij dat laatste, bij dat verwachten, hoort u trouwens ook iets terug van de verwachting die er is bij de viering van het Heilig Avondmaal. De opdracht is immers: doe dat tot Mijn gedachtenis, totdat Ik kom. Wij gedenken de dood van de Heere, in het perspectief van Zijn wederkomst op de wolken des hemels. En in de tussenliggende tijd leven Gods kinderen letterlijk in twee werelden. Dat hoort bij kind van God zijn. Doen wat je moet doen. We genieten van de schepping, van ons werk, van ons huwelijk en van ons gezin. Maar we weten: het is tijdelijk. Het gaat allemaal voorbij. En het gaat ten diepste om wat komt. Dat het gaat ten diepste om God, om Zijn heerlijkheid. En dus zeggen wij bij alle moeite en verdriet in dit leven ook: het is een lichte verdrukking die spoedig voorbijgaat. Ons aardse lichaam wordt afgebroken, maar wij hebben een huis van God, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.

Leven in twee werelden. Ons lichaam is hier nog wel, maar (zegt Paulus in Romeinen 8) dat lichaam wacht op de verlossing. Maar onze geest is niet alleen op de aarde, maar ook al in de hemel. Als we op aarde met de Heere leven, als wij wandelen met Hem, als we Hem ontmoeten aan Zijn tafel en in onze stille gebeden. Niet voor niets zegt Paulus in hoofdstuk 2 van de Efezebrief: God heeft ons mede opgewekt met Christus, en gezet in de hemelen.

Vraag 6: Wat is het doel van Gods verkiezing? Waarom heeft hij mensen verkoren? Vers 4 gebruikt een Goddelijk ‘opdat’. Opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor

Hem in de liefde. Dat is een doel van de verkiezende genade van God: heiligheid, onberispelijkheid en liefde. Voor Hem. Die uitdrukking doet denken aan de komende dag, de komende dag der verlossing, de dag waarop wij ‘voor Hem’, voor Christus zullen staan.

Verkiezing is niet alleen een voorrecht, waar je als kind van God met troost op mag terugzien. Verkiezing brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. Want de apostel zegt: zonder heiligmaking zal niemand de Heere zien. En de apostel Petrus schrijft in zijn brief: maar gelijk Hij, die u geroepen heeft, heilig is, zo wordt ook u zelf heilig in al uw wandel; daarom dat er geschreven is: zijt heilig, want Ik ben heilig. Het is een dringende oproep van Paulus, van Petrus, van God Zelf aan het adres van al Gods kinderen: Zijt heilig, want Ik ben heilig.

Komt er dan uiteindelijk toch nog iets bij kijken van je eigen inzet, van je eigen prestatie? Als dat zo was, dan zou het toch nog verkeerd aflopen. Dit is opdracht, dit is onze hoge roeping, dit is de grote verantwoordelijkheid die wij dragen. Maar tegelijkertijd is er Gods belofte. Want de Heere belooft ook: Ik zal het doen. Zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: God zal u ook bevestigen tot het einde toe, om onstraffelijk te zijn in de dag van onzen Heere Jezus Christus. Want ook wat dit betreft, wat de heiligmaking betreft, geldt dat God Zijn werk, dat Hij in de eeuwigheid begon, zal volmaken, zal voltooien tot op de dag van Jezus Christus.

Heilig wandelen, met de Heere leven. In het leven van iedere dag. Niet alleen op zondag, niet alleen op een avondmaalszondag. Maar iedere dag van de week. Dat is opdracht. Maar het is ook Gods belofte. Het is Gods werk. Want alles, echt alles komt uit Hem voort. Dat kan zeker geen reden zijn om vrolijk door te gaan op het pad van de zonde. Want onze catechismus zegt dat het onmogelijk is, dat wie Christus door een waarachtig geloof is ingeplant, niet zou voortbrengen vruchten van dankbaarheid. Maar het is de Heere Jezus Zelf die zegt, tot onze troost: uw vrucht is uit Mij gevonden. Wij zoeken ons leven met God, in het leven van iedere dag, niet bij onszelf, maar bij God. Tot slot, de zevende en laatste vraag:

Vraag 7: Wat is de uitwerking van Gods verkiezing? Wat zijn de vruchten ervan? Wat vloeit er uit de bron van Gods welbehagen? Het water dat uit die bron vloeit, bevat (vers 3): alle geestelijke zegening. Alles wat hierna wordt opgesomd, in die lange en moeilijke zin. Alles wat u als kind van God, terugkijkend in uw leven, mag opmerken. Verkiezende genade, verlossing door Zijn bloed, vergeving van misdaden (vers 7), het mogen kennen van de verborgenheid van Gods wil (vers 9) en de verzegeling door de Heilige Geest (vers 14). Wat u ook gekregen hebt. Alles komt uit God en uit God alleen voort.

En als er één reden is om nooit meer hoogmoedig te zijn, dan is het dit. Niets is er van ons. Alle roem in ons is uitgesloten!

En als er één reden is om te denken, dat voor iedereen de weg der zaligheid geopend is, dat er voor iedereen een Zaligmaker beschikbaar is, dan is het dit! Want als God mij vond, als God ons vond, en Hij deed het alleen, waarom zou Hij u niet willen vinden? Lieve mensen, wanhoop niet, bij het horen van onze troost, vastheid en roem. Wij belijden openlijk voor u allemaal. Laat er geen enkel misverstand zijn! God heeft één soort van mensen uitverkoren. Mensen die later zouden blijken te zijn: zondaars, misdadigers, opstandelingen, zoals wij!

Maar wij zijn, zegt Paulus, afgewassen, wij zijn geheiligd en gerechtvaardigd in de Naam van de Heere Jezus en door de Geest van onze God. En dat was Gods werk! Dat kwam niet bij ons vandaan! En daarom kan het voor u ook! Gewassen worden in het bloed van Christus.

Alle geestelijke zegening. De zegen van de Heilige Geest, Die in ons woont. En al Zijn zegeningen. Waarvan we er nog een zien in vers 5: de aanneming tot kinderen. Als er staat: die ons tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelf, naar het welbehagen van Zijn wil.

Aangenomen tot kinderen. Dat heeft God gedaan. Naar Zijn grote barmhartigheid. Vijanden gemaakt tot kinderen. Door de Geest der aanneming tot kinderen, door Wie wij roepen: Abba, Vader. We hebben een nieuwe naam gekregen: kind. We hebben een nieuwe positie gekregen: wettelijk vrijgesproken van de schuld. We hebben een nieuwe familieverhouding gekregen: opgenomen in het huisgezin Gods. Laten we daarom ook op deze zondag de nieuwgeboren kinderen als zodanig in de Heere ontvangen.

Een lofzang op Gods verkiezende genade. Om ons klein te houden. Niets is uit ons. Om ons te troosten. Hij die in de eeuwigheid dat goede werk begonnen is, zal daar zonder twijfel mee doorgaan, en dat voltooien op de dag van Jezus Christus. Een lofzang op Gods verkiezende genade. Om God alleen alle eer en lof toe te brengen voor zijn eigen werk. En dus zingen we aan het einde van deze dag: Alle roem is uitgesloten. Onverdiende zaligheden Hebben wij van onze God genoten. Wij roemen in vrije gunst alleen.

Amen.

Slotzang Psalm 41:7:

Looft Isrels God; roept, door all' eeuwigheên, Des HEEREN grootheid uit; Dat elk met mij zijn lofzang en gebeên, Met amen, amen sluit'.