Dankdag - 11 november 2020
Psalm 116:12: Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
INLEIDING
Deze dankdagpreek over Psalm 116 tekent de weg van diepe nood naar hartelijke dankbaarheid. De dichter riep in doodsangst en zielennood de Naam des HEEREN aan, en werd genadig verlost, tijdelijk en geestelijk. Terugkijkend stelt hij de verlegen vraag: wat kan hij God ooit teruggeven voor zoveel weldaden? Het antwoord ligt niet in eigen prestatie, maar in oprechte dank die zelf weer om genade en verzoening door Christus vraagt. Ware dank uit zich in het vertellen van Gods daden, het aanroepen van Zijn Naam, en het knielend erkennen: "Ik ben Uw knecht" - tot lof van Zijn Naam in de gemeente.
Een verlegen vraag op dankdag.
PSALM 116:12-19
12 Wat zal ik de HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
13 Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
14 Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
15 Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
16 Och HEERE, zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
17 Ik zal U offeren een offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
18 Ik zal mijn geloften den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk,
19 In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem. Hallelujah.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Psalm 116:12
THEMA
Een verlegen vraag op dankdag.
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, ik preek u vanavond met Gods hulp op deze dankdagavond over Psalm 116. Ik lees u als kerntekst voor, Psalm 116 vers 12. De andere verzen komen straks vanzelf terug. Psalm 116 vers 12 als kerntekst: Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?
Het thema voor de preek is: Een verlegen vraag op dankdag.
Er zijn drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op: grote nood. In de tweede plaats op: genadige verlossing. En in de derde plaats op: hartelijke dankbaarheid.
Dus: Een verlegen vraag op dankdag 1. Grote nood 2. Genadige verlossing 3. Hartelijke dankbaarheid.
Kinderen, jongens en meisjes, misschien is deze psalm wel je lievelingspsalm: God heb ik lief, want die getrouwe Heere hoort mijn stem, mijn smekingen, mijn klagen. Voor veel van de kinderen van de Heere is deze psalm ook hun lievelingspsalm. Omdat we er zoveel in herkennen van ons eigen leven. Van ellende, verlossing en dankbaarheid.
Wie deze psalm ooit schreef, dat weten we eigenlijk niet. Misschien was het David, misschien was het later Hiskia of misschien is het iemand anders geweest. Maar wie het ook was, hij begint in vers 1 en 2 met een hartelijke uiting van zijn liefde. Van zijn wederliefde, van zijn liefde terug tot God. Als hij zegt: Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen. Want Hij heeft Zijn oor tot mij geneigd; daarom zal ik Hem in mijn dagen aanroepen. Hou je, jongelui, ook zoveel van de Heere? Want? Nou, omdat Hij je stem hoort, je bidden, je roepen tot Hem? Omdat Hij Zijn oor ook naar jou toe neigt?
En dus zeg je hopelijk ook, zoals staat in vers 2: daarom zal ik Hem in mijn dagen aanroepen. Ik zal mijn leven lang niet anders doen dan Hem aanroepen.
Mijn leven lang zal ik om alles van mijn leven in de stilte van mijn gebeden roepen tot Hem. Tot God. Om mijn zorg, om mijn nood, om mijn verdriet, om mijn zonden. Maar ook met mijn verwondering, met mijn dank en met mijn aanbidding zal ik Hem aanroepen. Want Hij, de Hoorder van de gebeden, hoort mijn stem. Is dit, jongelui, het motto van jullie leven? Ik hoop het.
Ik zal de Heere, hoe lang ik ook leef, mijn hele leven aanroepen. Hoezo? Waarom? Want ik heb de Heere lief. Hij is mijn leven, Hij is mijn liefde, Hij is mijn alles. Wat ben je dan gelukkig, jongelui, hoe je leven verder ook gaat. Want de Heere luistert naar, de Heere hoort degenen die Hem aanroepen. Kijk maar met mij naar wat er verder komt in deze psalm. Ons eerste aandachtspunt:
Want de dichter zegt in vers 3: De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis. Vele, zegt David in Psalm 34, zijn de tegenspoeden van de rechtvaardigen. We moeten, kinderen van God, geliefde medechristenen, door veel verdrukkingen, zegt de Bijbel, ingaan in het Koninkrijk Gods.
Hier wordt het genoemd: banden des doods, doodsgevaar dus. Angsten der hel. Verdriet als van een stervende. Ik vond benauwdheid en droefenis. Benauwdheid, zo dat ik nauwelijks kan ademhalen. Droefenis en veel verdriet. En dan mag je zeker denken aan de banden van een gevaarlijke of pijnlijke ziekte, die je in het afgelopen seizoen misschien wel getroffen heeft. Je mag denken aan allerlei andere gevaren. Aan mensen die je dwarszitten, aan zware tegenslagen op je werk, in je huwelijk, in je gezin. Jongelui, in je vriendschap, in je relatie, op school, in de kerk.
Je mag ook denken aan diep verdriet, aan grote nood in je hart om je zonden. Omdat de Heere Zelf je in het afgelopen seizoen die nood liet zien. Anders en meer dan dat je ze ooit gezien had. Ja natuurlijk, je wist het wel, maar dat was meer algemeen. Je hebt het altijd wel geweten dat je een zondaar was. Maar ineens, je kon het niet verklaren, gebeurde er iets in je hart. Ineens werd het anders, het werd persoonlijker en het kwam veel dichterbij.
Net als in deze psalm, want zoals je ziet, gaat het steeds over 'ik' en over 'mij': De banden des doods hadden míj omvangen, en de angsten der hel hadden míj getroffen; ík vond benauwdheid en droefenis.
Wat kan je leven, dat hoef ik u niet te vertellen, gemeente, ingewikkeld zijn. Bij moeite, bij zorg, bij verdriet. En wat kan je leven benauwd zijn, als je ziet dat je persoonlijk tegen God gezondigd hebt.
Maar wat ben je gelukkig, jongelui, als je daarin niet hoeft te verdrinken. Omdat je een uitweg hebt, naar boven, naar God toe. Als je midden in die grote nood mag zeggen, wat staat in vers 4: Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE, bevrijd mijn ziel!
Ik riep om een oplossing? Nee, goed lezen: ik riep om mijn God. Heel gericht. Ik riep de Naam des HEEREN aan, de Naam van de trouwe God van het verbond. De Naam van de God van Zijn volk. Die in het verleden Zijn volk nooit heeft laten verdrinken, maar Die altijd uitkomst gaf. Zelfs in de grootste nood, bijvoorbeeld toen Israël voor de Rode Zee stond, met de hete adem van Farao in de nek. Maar de Heere wilde uitkomst geven. Hij baande een weg waar tevoren geen weg was. En dus gaat de roep van de dichter hier naar boven: ‘Heere, maar U bent toch Dezelfde gebleven? Geef dan ook nu uitkomst, o Heere, en verlos mij.’
En dan maar afwachten, of je geluk hebt of niet? Nee, kijk maar naar vers 5: De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende. Twee dingen. De Heere is rechtvaardig, Hij eist rechtvaardige betaling van onze schuld vanwege onze zonde. Maar in en om de Heere Jezus Christus is God ook genadig en ontfermend. En dat is de reden dat de dichter van Psalm 33 zingt: In de grootste smarten blijven onze harten in de HEERE gerust. In het grootste verdriet van dit leven. Want de Heere is mijn Helper. En Zijn gunst is, wat er ook gebeurt, oneindig groot. En ook in het grootste verdriet om mijn zonden. Want in zondenood, door de Heere gewerkt, is geen wanhoop. Omdat de Heere, als Hij werkt in ons hart en onze zonden aan ons laat zien, niet alleen iets laat voelen van Zijn rechtvaardigheid, maar ook altijd iets en meer van Zijn barmhartigheid en ontferming.
De Heere, vers 6, bewaart de eenvoudigen. Als u, geliefde gemeente, in het afgelopen seizoen op de Naam van de Heere mocht vertrouwen, dan hebt u, dan heb jij daar ongetwijfeld ook iets van ervaren. Van deze bewaring door de Heere: De HEERE bewaart de eenvoudigen. Van dat waar Psalm 121 ook over zingt: De HEERE zal u bewaren van alle kwaad; uw ziel zal Hij bewaren. Hoe? Door je midden in alle moeite en verdriet, midden in zorg en tegenspoed, te laten vluchten naar Hem toe, om je zo te beschermen onder de schaduw van Zijn vleugels. Zoals de Bijbel dat zegt: onder de schaduw van Zijn hand.
En dan kwam in het afgelopen seizoen het water misschien wel tot aan je lippen, maar je ging nooit kopje onder. De dichter zegt het: Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost. Ik was..., maar Híj… Ik ben…, maar God. Zoals Psalm 40 zingt: Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar de HEERE denkt aan mij (Ps. 40:18).
Daar, jongelui, daar hangt ons gelukkige leven aan. Niet aan dat eerste, aan dat: ik ben, ik was. Maar aan dat tweede, aan dat: maar God, maar de Heere. Aan dit: Maar de HEERE zal uitkomst geven.
Ons tweede aandachtspunt:
Want zo staat in vers 6b: Ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost. Nogmaals, het kan hier gaan om verlossing uit tijdelijke nood. Uit de nood van ziekte, van verdriet, van tegenspoed, van gesloten wegen. Of door die tegenspoed weg te nemen, of door ons midden in dat verdriet en die tegenspoed te verzekeren van Gods Vaderlijke zorg en nabijheid. Die hoe dan ook, hoe moeilijk het leven ook is, onze tranen droogt. Omdat we geloven en ervaren: beter dan dit tijdelijke leven, Heere, is Uw goedertierenheid.
Het kan hier gaan, zei ik, om verlossing uit tijdelijke nood, maar het kan hier óók gaan om verlossing uit zielenood, uit zondenood. Ik wás arm, en ik bén wel arm en ellendig, maar U, Heere, U hebt mij verlost toen ik Uw Naam aanriep en met de nood van mijn hart tot Christus vluchtte. En met Bartimeüs uitriep: Zone Davids, ontferm U over mij! En zo is onze God. Onze God ontfermde Zich. Om Jezus' wil, om Hem Die in de diepste nood van Zijn ziel, beladen met de ondragelijke last van de toorn van God, bloedend en zwetend hing aan het kruis op Golgotha. Hij riep en bad, maar kreeg geen rust. En zo betaalde Hij de dure prijs van de schuld van Zijn volk met Zijn kostbare bloed. En zo werd Hij, kinderen van God, geliefde medechristenen, onze grote Rustaanbrenger. Daarom, om Hem, zegt de dichter in vers 7: Mijn ziel, keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
Pas als je ziel rust gevonden heeft in Christus, eerder niet, pas als je ziel rust gevonden heeft in Christus, in Zijn dood en in Zijn leven, dan pas mag je zeggen tegen je ziel wat hier staat: Rust mijn ziel, uw God is Koning. Rust zelfs in het grootste verdriet, rust in de grootste smarten, in de HEERE gerust.
Want U, zegt vers 8: Want Gij hebt mijn ziel gered van den dood, mijn oog van tranen, mijn voet van aanstoot, dat wil zeggen van struikelen of van strikken. Met andere woorden: U hebt me weggerukt van voor de poort van de dood. U hebt me getroost in bovenmatig verdriet. En U hebt me bewaard voor de verborgen strikken van de zonde.
Kijkt u, gemeente, vandaag op deze dankdag ook zo terug naar het afgelopen seizoen? Terwijl u stil bij uzelf zegt: ‘Wat een zegen, Heere, dat ik er nog ben. Het zijn Uw goedertierenheden, Heere, dat ik niet vernield ben. U hebt mijn ziel beveiligd voor de dood. En midden in alle vragen van dit moeilijke leven, Heere, was Uw ziel met me. U ondersteunde me, U hield me vast met Uw hand.’
‘U leidde me als een Vader aan Uw hand door Uw raad. En U liet me zien, tot mijn verbazing en tot mijn verwondering: U, Heere, bent God, en heel mijn leven ligt vast in Uw handen. Heere, U troostte me door me in te fluisteren, terwijl mijn leven misschien wel zo anders ging dan dat ik vroeger dacht of hoopte: maar Ik! Ik, de Heere, zal uitkomst geven. Zing nu maar Mijn lof, midden in de nacht, hopend op Mijn onfeilbare Woord. Zo, Heere, redde U mijn oog van tranen en mijn voet van aanstoot.’
Kijkt u, geliefde gemeente, op deze dankdag ook zo terug naar het afgelopen seizoen? ‘U, Heere, hebt midden in mijn zielsverdriet Uw vriendelijk aangezicht tot mij gewend. Mij getrokken, mij opgetrokken uit mijn diepste nood. U hebt mijn ziel beveiligd voor de dood en het leven aan mij geschonken.’ Wat ben je dan gelukkig, jongelui. Alsjeblieft, zoek dit met heel je hart. Wat ben je gelukkig als de Heere je dit geeft.
Dan kan je leven heel anders lopen, dan dat je vroeger dacht of hoopte. Maar als God je zalige lot is… Als de Heere je ziel redt van de dood… Als de Heere je leven geeft, genade en vergeving van al je zonden… Als de Heere om Jezus' wil je ziel liefdevol omhelst als een verloren zoon of dochter die weer terug mag komen bij huis… Dan heb je echt alles. Dan is het goed. En dan is, als de Heere de genade daarvoor geeft, ook alles goed wat God doet. Waarom? Omdat Híj het doet. Hij Die in Christus onze genadige Vader is.
Gemeente, als dat zo is, zoals u net zong: U hebt mijn ziel beveiligd voor de dood. U richt, U stuurt mijn voet, dat hij zich nimmer stoot. U bent voor mij een schild in alle nood. U hebt mijn smart verdreven. Uw dierbare, Uw kostbare gunst is altijd bij me gebleven… Wat ben je dan gelukkig! Wat een gelukkig leven!
Was dat trouwens zo bij u, bij jou in het afgelopen seizoen? Als dat zo was, dan kan het niet anders, dan zing je ook verder: Ik zal voor Gods oog naar Zijn bevelen, naar Zijn geboden, leven. En ik zal Zijn Naam verhogen. Zoals de dichter van Psalm 116 zegt in vers 9: Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden. Om alles wat de Heere me gaf, maar vooral om Wie Hij Zelf voor mij wilde zijn en nog steeds is. Dáárom zal ik van nu voortaan en altijd voor Hem leven. Nu is het mijn hartelijke voornemen, zoals het Avondmaalsformulier dat zegt, om Hem te dienen met heel mijn hart, met heel mijn leven en met alles wat in mij is.
Vers 10 en 11: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; ik ben zeer bedrukt geweest. Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars. Gemeente, je kan in grote tegenspoed (zoals hier staat: ik ben zeer bedrukt geweest) wel eens stevig uit de bocht schieten, door te zeggen en te denken: alle mensen zijn leugenaars.
Waarom zeg je dat en waarom denk je dat? Omdat je in je hart je hoop toch nog een beetje op mensen had gebouwd. Maar zegt de dichter van Psalm 146 niet: Vest op prinsen geen betrouwen? Met andere woorden: stel je hoop nu maar op God. Hier in Psalm 116 uitgedrukt in deze paar woorden: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken. Het zijn woorden die Paulus later in het Nieuwe Testament aanhaalt in 2 Korinthe 4 vers 13. Nadat hij opgesomd heeft wat hij allemaal in de dienst van de Heere meegemaakt heeft: verdrukt, vervolgd, verlaten, neergeworpen, tot de dood toe overgegeven om Jezus' wil. En dan zegt hij: Dewijl wij nu dezelfden Geest des geloofs hebben, gelijk geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken; zo geloven wij ook, daarom spreken wij ook.
Kan je vandaag op dankdag danken, net als Paulus, in verdrukking, in vervolging, in verlating? Terwijl je zeer bedrukt bent, terwijl wegen gesloten lijken, terwijl je hoe dan ook staat als voor de Rode Zee? Já, zegt de dichter. Já, zegt Paulus. Want wij geloven. Wij geloven dat wat we nog niet zien. Want wij geloven en hopen op Gods onfeilbare beloftewoord. Op de woorden van Hem, Die gisteren en heden Dezelfde is en blijft tot in eeuwigheid (Hebr. 13:8Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.).
Op de woorden van God, Die nooit één van Zijn woorden op de aarde liet vallen. Zou Hij het zeggen en niet doen, spreken en niet bestendig maken? Op Zijn tijd, dan zal Hij spreken, zegt de dichter, en het is er. Hij zal gebieden, en het staat er (Ps. 33:9).
We hopen, kinderen van God, geliefde medechristenen, op de Naam des HEEREN. En roepen Hem aan midden in onze nood. En Hij zál uitkomst geven. En dus is er reden, hoe het ook gaat, en hoe ingewikkeld ons leven misschien ook is, zelfs midden in grote benauwdheid, midden in tegenspoed of ziekte, midden in rouw of eenzaamheid, of staande voor gesloten wegen… Dus is er toch reden om, hoe het ook gaat, dankdag te houden.
En dan niet met benepen woorden van dank, omdat het allemaal zo onzeker en moeilijk is, maar vrijmoedig en met heel ons hart. Want God is een Waarmaker van Zijn Woord. En die de Heere verwachten, zullen niet beschaamd worden.
En dus zeg met de dichter in uw hart, met hem en met mij, u allen die op de Heere hoopt, hoe het ook gaat en wat er allemaal ook gepasseerd is in het afgelopen seizoen, wat staat in vers 12: Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen?
a. Terugkijkend naar en terugdenkend aan alles wat de Heere deed en wat de Heere gaf in het tijdelijke leven. Immers de Heere gaf ons leven, gezondheid en kracht. Ons brood was zeker, ons water gewis. De Heere onderhield ons en zegende ons dagelijks met Zijn persoonlijke zorgen voor ons.
b. Terugkijkend ook naar wat de Heere deed en gaf in het geestelijke leven. Gaf de Heere u in het afgelopen seizoen ook geestelijk leven? Honger en dorst naar Christus, hoop en verlangen, genade en vergeving? Meer liefde tot God, meer haat tegen de zonde?
Meer kleinheid, meer ootmoed, meer afhankelijkheid, meer rust, meer vrede in God? Meer kennis van de Zaligmaker? Meer kennis van de liefde van de Vader? Meer troost, meer zekerheid buiten uzelf in Gods beloftewoord?
c. Terugkijkend naar alles wat de Heere deed en gaf in het tijdelijke leven, en ook in het geestelijke leven. Terugkijkend ook, kinderen van God, naar alles wat de Heere u beloofd heeft, terwijl u er niets van zag, en misschien nog steeds wel niets van ziet. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn (Ex.14:14). Vreest hen niet, want de HEERE uw God, Die strijdt voor ulieden (Deut. 3:22Vreest ze niet; want de HEERE, uw God, strijdt voor ulieden.). Ik zal werken en wie zal het keren (Jes. 43:3Want Ik ben de HEERE, uw God, de Heilige Israëls, uw Heiland; Ik heb Egypte, Morenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uw plaats.). Ik zal voor uw aangezicht gaan en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan (Jes. 45:2Ik zal voor uw aangezicht gaan, en Ik zal de kromme wegen recht maken; de koperen deuren zal Ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal Ik in stukken slaan.). Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE (Jer. 30:17Want Ik zal u de gezondheid doen rijzen, en u van uw plagen genezen, spreekt de HEERE; omdat zij u noemen: De verdrevene. Het is Sion, zeggen zij; niemand vraagt naar haar.). Want: Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken (Ps. 89:14Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog., ber.)
Zegt u dan terugkijkend met mij niet, kinderen van God, geliefde broeders en zusters in de Heere: Kom, laat ons samen de Heere verhogen? Zegt u dan niet met mij en met deze dichter wat staat in vers 12: Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen? Dit is eigenlijk een vraag, en u voelt dat met me mee, van grote verlegenheid. Als je nu eerlijk terugkijkt naar alles wat de Heere deed, en gaf, en beloofde: zo groot, zoveel, zo genadig, zo goed. Wat zal ik de Heere dan vergelden? Wat zal ik Hem dan teruggeven? Dat is gewoon niet mogelijk! Klopt. Dat is ook niet mogelijk.
En het is eerlijk gezegd ook de bedoeling niet. Het hoeft ook niet. Het kan zelfs niet. Want er is gewoonweg niets wat we naar evenredigheid aan de Heere zouden kunnen teruggeven. En daarbij: God heeft ook niets van ons nodig. Denk maar aan wat Asaf zingt in Psalm 50: Ik, zegt de Heere, zal uit uw huis geen varren nemen, en ook geen bokken uit uw kooien. Want al het gedierte des wouds is Mijn, de beesten op duizend bergen. Ik ken al het gevogelte der bergen; en het wild des velds is bij Mij. Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen. Want Mijn is de wereld en haar volheid (Ps. 50:9-12). We kúnnen, we hoéven God niets terug te geven.
En toch gebeurt er iets in deze verlegen woorden van dank. Want dit voelt niet alleen (u voelt dat ook) als verwondering, maar het is tegelijkertijd ook een uiting van ervaren onbekwaamheid. Ik kán het niet, ik kán niet echt dankbaar zijn zoals het zou moeten. Ik kán het gewoon niet. Echt niet. En dus wil dit ons vandaag de toevlucht laten nemen tot de dankende Hogepriester Jezus Christus. Met die twee dingen: met gevoelde, ervaren onbekwaamheid in ons hart. En tegelijkertijd met oprechte, innige, maar ook verlegen dank.
U, Heere, bent naar waarde nooit te danken. Ik kan U, Heere, nooit vergelden voor alles wat U me gaf, alles wat U tegen me zei, alles wat U beloofde. Ik kan U nooit danken zoals ik U zou moeten danken.
En dus vraagt ook mijn dank om verzoening door het bloed van de Heere Jezus Christus. Dus vraagt onze dank, gemeente, om genade. Om echt te mogen danken, om echt vanuit de grond van ons hart te mogen zeggen: Ik zal U hartelijk liefhebben, Heere, mijn Sterkte. En zo volgt na die verlegen vraag toch door Gods genade oprechte dank. We zien het in ons derde punt:
Kijk maar naar vers 13: Ik zal de beker der verlossingen opnemen, en de Naam des HEEREN aanroepen. Ik zal de beker der verlossingen opnemen. Want bij een dankoffer in de tijd van het oude Israël hoorde ook een offermaaltijd met vrienden, met bekenden, met familieleden, voor Gods aangezicht. Dat was een vrolijke maaltijd in de HEERE, waarbij de wijnbeker werd opgeheven: de beker der dankzegging, de beker van het vele heil, de beker van de verlossingen. Om de Heere te erkennen, om de Heere blij te erkennen te midden van de mensen.
Zoals de dichter zingt in Psalm 66, we zullen dat straks nog zingen: Komt, luistert toe, gij Godgezinden, gij, die de HEERE van harte vreest, hoort, wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. Ik sloeg heilbegerig het oog naar boven, ik riep biddend de HEERE ootmoedig aan. Ik mocht met mond en hart Hem loven, Hem Die alleen mij bij kon staan.
Dus hoe offer je vandaag dank? Door te vertellen wat de Heere gedaan heeft. Oprechte dank gaat niet over onszelf, maar over de Heere. Over wat Híj gedaan heeft, over wat Híj gezegd heeft. Dus, hoe offer je vandaag dank? Als eerste door te vertellen wat de Heere gedaan heeft. En ook, kijk maar naar vers 13, door de Naam des HEEREN aan te roepen. Dat is bijzonder, want dat deed de dichter eerder, in vers 3 en 4, in ellende en nood, toen hij zei: Ik vond benauwdheid en droefenis. Maar er was gelukkig een uitweg: ik riep de Naam des HEEREN aan.
En opvallend genoeg, dat doet de dichter nu óók na gekregen verlossing. Dus, gemeente, echte dank laat zich vertolken door twee dingen. a. Door te vertellen wat de Heere gedaan heeft. b. En door het aanroepen van de Naam des HEEREN.
Zo begon het, zei ik, aan het begin van deze psalm in vers 2. Omdat de Heere Zijn oor tot mij neigt, daarom zal ik Hem mijn leven lang aanroepen. En nu opnieuw. Want ook danken, ook dankdag houden, kan niet zonder het aanroepen van de Naam des HEEREN. Zonder te vluchten tot Christus. Want de reuk van mijn dankoffer kan de hemel niet bereiken zonder Zijn dankoffer.
De grote Hogepriester Jezus Christus in de hemel, Zijn werk, Zijn genade en Zijn Heilige Geest zijn onmisbaar om ons leven als een levend dankoffer aan de Heere op te offeren.
Want, dat kunt u begrijpen, zonder Christus, zonder het vernieuwende werk van de Heilige Geest in ons hart, verwordt onze dank toch ook weer tot iets als wat we zélf doen en waar we zélf de eer van willen krijgen. Dan denk je: ‘Kijk mij eens, wat een dankbaar christen ik ben.’ Daarom is het nodig, gemeente, om midden in onze dank de Naam des HEEREN aan te roepen: Ik dank U, Heere, kom mijn ondankbaarheid te hulp. Leer me, Heere, alstublieft, om te danken, want dat heb ik niet van mezelf. En leer me mij als een levend dankoffer aan U en aan Uw dienst te wijden. En letterlijk alles van U te verwachten.
Terwijl ik biddend en dankend belijd wat staat in vers 14: Mijn geloften zal ik de HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk. Mijn hart, o Hemelmajesteit, is tot Uw dienst en lof bereid. Ik zal U loven onder de volken, o Heere, ik zal U psalmzingen onder de natiën. Ik zal U mijn geloften betalen in de tegenwoordigheid van degenen die U vrezen. Met heel mijn hart, vastbesloten. Diep overtuigd in mijn hart van Uw goedheid en van Uw trouw. En dus nog een keer straks aan het einde in vers 18: Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
Vers 15, een vers wat vaak moeilijk begrepen en ook verkeerd uitgelegd wordt: Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten. Wat zoveel betekent als: mijn leven, o Heere, was in Uw ogen te kostbaar. En dus hebt U me niet overgegeven in de handen van mijn vijanden, in de handen van de dood. En dus opnieuw de innige dank.
Vol blijdschap, vol verwondering in vers 16: Och HEERE, zekerlijk, ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt. De Heere leidt, als een goede Vader, Zijn lieve kinderen vaak door moeilijke wegen, door wegen van verdrukking. Door, zoals ze hier genoemd worden, banden die je als een gevangene vastbinden, banden waaruit je jezelf niet kan bevrijden. Door banden, zoals ze aan het begin van de psalm genoemd worden: banden des doods, die angsten der hel.
Maar nu klimt hier de lof uit de diepte omhoog. Maar U, Heere, U bleek veel sterker dan al dat geweld. U toonde, U liet het me zien, dat U alle macht hebt in de hemel en op de aarde. U brák mijn banden en U verloste me. En nu? Nu zie je iets voor je, gemeente, wat ook hoort bij echte dank. Zoals je dat ook ziet in andere psalmen, bijvoorbeeld in Psalm 95. Waar de dichter zingt: Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen, laat ons juichen den Rotssteen onzes heils. Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons Hem juichen met psalmen.
Ja, maar hoe dan? Een paar verzen verder: Komt, laat ons aanbidden en nederbukken. Laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft. Zo knielen ook wij in onze harten, nietwaar, vandaag voor de Heere neer.
Stil biddend en belijdend, kinderen van God, geliefde medechristenen: Och HEERE, zeker, ik ben Uw knecht. Nog een keer: Ik ben Uw knecht, een zoon van Uw dienstmaagd. U, Heere, U hebt mijn banden losgemaakt. Ik buig diep voor U, o Heere, Die mij gemaakt hebt, Die mij gedragen hebt, Die mij verlost hebt, Die mij gered hebt.
Ik ben Uw knecht, ik ben Uw dienstmaagd. Tot tweemaal toe, en daarbij nog met de toevoeging: zekerlijk. Daar zien we dat de Heere door al die moeilijke wegen, kinderen van God, meer zekerheid wil geven. Door de weg van: midden in de diepten te hopen op Gods onfeilbare beloftewoord. Door de weg van: in Hem alleen te roemen en niet in onszelf. Door de weg van: diep te knielen en te buigen voor Hem. En door de weg van: blijvend, ons leven lang, de Naam des HEEREN aan te roepen.
Zo, diep buigend, de Naam des HEEREN knielend aanroepend, mijn leven lang, zó zal ik, zingt de dichter, met hart en mond, o Heere, Uw Naam verhogen en Uw eer. Omdat U (hoort u, het gaat allemaal over Ú), omdat U mij Uw bijstand bood. Mij optrok uit de diepste nood. Zodat de vijand in mijn lijden zich over mij niet mocht verblijden.
Tot slot de laatste drie verzen, 17, 18 en 19: Ik zal U offeren een offerande der dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen. Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk. In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah. Dit is de plaats, hier in de voorhoven van het huis des HEEREN... Dit is de plaats, kinderen van God, geliefde medechristenen, hier in de tegenwoordigheid van al Gods volk… Om de Naam des HEEREN ootmoedig te danken.
Nu mogen we voor al de weldaden die we genoten hebben, aan Hem naar al onze geloften eer bewijzen. Hem onder al Zijn gunstgenoten prijzen. Laat uw lof aan Hem vandaag en uw leven lang niet over aan andere mensen. Maar prijs Hem in het midden van de gemeente, hier in het huis des HEEREN. Loof Hem, want dat is de betekenis van het woord Hallelujah. Looft Hem, prijst Zijn Naam (Ps. 100:4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.). Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want hij is lieflijk (Ps. 135:3Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.). Loof de Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid (Ps. 136:1Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid;). Hallelujah! Amen.
Slotzang Psalm 66:8
Andere preken over Psalmen
Andere preken voor Dankdag