PREEK · VRIJE STOFFEN

Wie meent iets te zijn (deel 13) - Galaten 6

19 juni 2014

Galaten 6:3-4: Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed. Maar een iegelijk beproeve zijns zelfs werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander.

INLEIDING

In de voorbereidingsweek op het Heilig Avondmaal klinkt Paulus' laatste vermaan uit Galaten 6. Wie geestelijk is, herstelt de gevallene met zachtmoedigheid en draagt elkaars lasten, want wie zijn schuld bij het kruis zag weggenomen, kan de nood van een ander niet voorbijgaan. Wie meent iets te zijn, bedriegt zichzelf; laat ieder zijn eigen werk beproeven, niet vergelijkend met anderen, maar voor Gods aangezicht. Wie in het vlees zaait, maait verderf; wie in de Geest zaait, maait het eeuwige leven. Laat ons dan goed doen, niet vertragend.

THEMA

Apostolische vermaningen

KERNPUNTEN

  1. Een oproep om gevallenen te herstellen
  2. Een oproep om lasten van anderen te dragen
  3. Een oproep om ootmoedig te zijn
  4. Een oproep om jezelf te beproeven
  5. Een oproep om te zorgen voor dienaren
  6. Een oproep om niet te dwalen
  7. Een oproep om goed te doen

GALATEN 6:2-8

2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
3 Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.
4 Maar een iegelijk beproeve zijns zelfs werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander.
5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.
6 En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst.
7 Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
8 Want die in zijns zelfs vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.

VOLLEDIGE TEKST

Wie meent iets te zijn (deel 13) - Galaten 6

ds. J. IJsselstein - Galaten 6:3-4

THEMA

Apostolische vermaningen

AANDACHTSPUNTEN

  1. Een oproep om gevallenen te herstellen
  2. Een oproep om lasten van anderen te dragen
  3. Een oproep om ootmoedig te zijn
  4. Een oproep om jezelf te beproeven
  5. Een oproep om te zorgen voor dienaren
  6. Een oproep om niet te dwalen
  7. Een oproep om goed te doen

Gemeente, we luisteren in deze week van voorbereiding op de viering van het Heilig Avondmaal aanstaande zondag, naar het laatste apostolische vermaan van Paulus geschreven aan het eind van de Galatenbrief. We overdenken samen Galaten 6, de eerste tien verzen. Ik lees u samenvattend alleen nog vers 4a, waar staat: Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk.

We komen in dit Schriftgedeelte, dat we samen gelezen hebben, verschillende vermaningen tegen, die voor een ieder van ons van belang zijn. Zowel persoonlijk als ook met betrekking tot het gemeenteleven. En we willen met Gods hulp naar die oproepen kijken. Het zijn er zeven: 1. Een oproep om gevallenen te herstellen 2. Een oproep om lasten van anderen te dragen 3. Een oproep om ootmoedig te zijn 4. Een oproep om jezelf te beproeven 5. Een oproep om te zorgen voor dienaren 6. Een oproep om niet te dwalen 7. Een oproep om goed te doen Als eerste dus:

1. Een oproep om gevallenen te herstellen

De eerste oproep is, om iemand die gevallen is te herstellen. We lezen in vers 1: Broeders (en daar zijn de zusters bij in begrepen), indien ook een mens vervallen ware door enige misdaad (lees: misstap), u, die geestelijk bent, brengt de zodanige terecht met de geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelf opdat ook u niet verzocht wordt. In het verleden zat hij naast u in de kerk. In het verleden zat zij misschien naast u aan de Avondmaalstafel. Maar hij of zij werd, zoals we zongen uit Psalm 119, door het kwade licht verrast, struikelde, viel. Stapte in de valstrik van een verkeerde leer of viel in een valstrik van een of andere zonde. Een misstap, een misdaad.

Het gaat in dit Schriftgedeelte niet over een goed overdachte, geplande zonde. Maar het gaat over struikelen en vallen. De geestelijke gevaren en schade tevoren niet goed ingezien en zeker niet goed herkend. Gestruikeld, gevallen, in de strik van de duivel.

U denkt: ‘Nou, dat is dan jammer, maar ik ben toch echt omgevallen met die of die. Hij of zij zoekt het zelf maar uit. Ik bid ook niet meer voor hem of haar, hooguit praat ik nog over hem of haar.’ Misschien kent u wel zo iemand in uw directe leefkring of in de gemeentekring, die (plotseling) viel en die sindsdien vastzit in de strik van de zonde. Paulus geeft ons een opdracht mee. Wanneer je levend gemaakt bent door de Geest, wanneer je leeft door de Geest, wanneer je in het dagelijkse leven leeft met God en gaat in het spoor van Zijn geboden, dan kan je dus niet doen alsof die ander lucht is, dan kan je niet Kaïn napraten en zeggen: Ben ik mijns broeders hoeder? (Genesis 4:9b).

Paulus zegt: U, die geestelijk bent, brengt de zodanige terecht met de geest van de zachtmoedigheid. Want de vrucht van de Geest is: zachtheid, slapheid, goedgelovigheid, halfslachtigheid, tolerantie…? Nee, zeker niet! Het gaat hier natuurlijk ook om eerlijkheid en Bijbelse oprechtheid, maar tegelijkertijd gaat het hier ook om mildheid, gunning, nederigheid, ootmoed, zachtmoedigheid. Jezelf ervan bewust zijnde, dat de duivel sluw en slinks is en overal zijn strikken spant, terwijl hij in de wereld omgaat als een briesende leeuw, zoekende wie hij zou mogen verslinden (1 Petrus 5:8b). Je bewust van de kracht van de duivel, je bewust van je eigen onmacht en krachteloosheid, zoals de Bijbel zegt: Die meent te staan, zie toe dat hij niet valle (1 Korinthe 10:12). Wees u ervan bewust dat het enkel genade is, dat u voor die zonden bewaard bent, waar de ander in viel. Zoek het behoud, dat is de boodschap van de apostel, van uw broeder of zuster.

En, staat er, breng hem terecht. Letterlijk staat er zoiets als: herstel, repareer hem of haar, zoals je een visnet repareert. Zet de arm die uit de kom is geraakt weer terug in de goede positie. Doe de ander geen pijn, maar help hem om weer in het rechte spoor te komen. Ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt. Niet hoogmoedig, niet verwijtend, niet veroordelend, maar bewust van wie u zelf bent voor God. Want wie in deze week van voorbereiding (en daarna) anderen heel bewust loslaat, veroordeelt en laat vallen, terwijl je kritisch over die ander praat en blíjft praten en jezelf beter voelt, die moet weten dat dat behoort bij de werken des vleses.

Als eerste een oproep om iemand die gevallen is te herstellen, overeind te helpen. Als tweede:

2. Een oproep om elkaars lasten te dragen Vers 2 zegt: Draagt elkaars lasten en vervult alzo de wet van Christus. Wij, als gemeenteleden, behoren zorg voor elkaar te dragen. Dat hoort bij het gemeenteleven. Sterker nog, dat hoort bij het leven met God. Dan houd je dat leven en die genade niet voor jezelf alleen, als iets dat je consumeert en waarvan je denkt: met mij zit het goed, en nou ja, die ander… die bekijkt het maar. Zo niet. Draag elkaars lasten, sta als gemeente schouder aan schouder, als het gaat om het zielenheil van anderen. Als het goed is, gun je iedereen de zaligheid, in de gemeente en

daarbuiten. Schouder aan schouder, ook als het gaat om de verdwaalde schapen binnen en buiten de kerk. Er staat niet: tolereer elkaar, verdraag elkaar al zuchtend om de last die de ander wil dat je meedraagt. Maar er staat: draag mee. De last van ziekte, alleen-zijn, gebrek, tekort hebben, armoede, honger, psychische zwakte, verslaving, somberheid, vervelend gedrag… draag elkaars lasten.

Misschien denkt u bij uzelf: ‘Het is allemaal sociaal! Weet u wel dat het een week van voorbereiding is? Het is allemaal zo algemeen, er is zo weinig diepgang, ik hoor zo weinig bevinding…? Dat dacht u. Paulus denkt daar anders over. Want wat hij ten diepste zegt is: Als u ooit met de last van uw eigen leven, met de last van uw hemelhoge schuld stond aan de voet van het kruis, en hebt gezien dat die last van u is overgenomen door een Ander, door Christus, dan kan je niet voorbijgaan aan het pak, aan de nood van een ander! Paulus zegt: ‘Zonder de vrucht van het mee-dragen, van het mee-lijden is uw geloof dood. Dan klopt het niet. Dan is het misschien wel niet waar.’

Want als u het wel doet, dan, zo staat er, vervult u de wet van Christus. Overigens is die wet inhoudelijk precies hetzelfde als de wet van Mozes. Het gaat om Gods wet, de wet van Mozes, de wet van Christus, dat wil zeggen: gedrongen door de liefde van Christus en gedreven door liefde terug tot Christus. De wet, waar Paulus van zei, dat hij in één woord vervuld wordt: u zult uw naaste liefhebben als uzelf. Naar het voorbeeld van de Heere Jezus Christus. Als je vol van verbazing en verwondering in je eigen leven kijkt naar Zijn liefde, naar Zijn zorg, naar Zijn hulp en naar Zijn medelijden met mensen zoals de Samaritaanse vrouw, zoals de vrouw in overspel gegrepen, zoals Petrus die Hem vervloekte en verloochende, zoals de moordenaar aan het kruis. Zoals Hij behoorlijk medelijden heeft met onze zwakheden, zegt de apostel, zo zijn ook wij geroepen elkaars lasten te dragen.

Dan volgt de derde oproep:

3. Een oproep tot ootmoed Vers 3 zegt: Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelf in zijn gemoed. Paulus zegt (en het is een oproep om het na te zeggen): ‘Ik heb niets, ik ben niets.’ Nee, dan gaat het niet over een gebrekkig of beschadigd zelfbeeld. Het gaat niet over tobbende vragen over wie je zelf bent ten opzichte van de ander, wat andere mensen van je vinden en dat je daarover zo twijfelt en aarzelt. Dat is heel naar. Als u of jij daar last van hebt, dan is het goed dat je daar hulp voor zoekt, bij een maatschappelijk werker of een psycholoog. Maar daar gaat het hier niet om. Paulus heeft geen last van een gebrekkig zelfbeeld, maar hij is zich bewust van het feit, dat alles wat hij heeft van God komt en dat niets van hemzelf is. Als je denkt, zegt hij, dat iets van jezelf is, dat je iets van jezelf hebt, of dat je iets bent terwijl je niets bent, dan houd je jezelf voor de gek, dan bedrieg je jezelf.

Pas op, gemeente, juist ook in een week van voorbereiding voor geestelijke hoogmoed. Je luistert naar een ander, je vergelijkt jezelf met een ander en je denkt diep in je hart: ik weet het beter, ik heb meer geleerd en meer gekregen van de Heere, ik ben dieper doorgeleid. En ondertussen voel je de twijfel in je hart opkomen: zou het wel waar zijn bij die ander? Voor je het weet, stink je van de hoogmoed en loop je, ook als kind van God, buiten je schoenen van trots. Voor je het weet, denk je dat je iets bent, terwijl je niets bent. En weet u, als het gaat om de Avondmaalstafel: hier voorin de kerk worden armen (die niets hebben) met goederen vervuld, maar rijken (degenen, die iets denken te hebben van zichzelf) worden leeg weggezonden.

En om dat goed te zien, is er een vierde oproep in vers 4:

4. Een oproep om te beproeven Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelf alleen roem hebben en niet aan een ander. Onderzoek uzelf. Beproef uzelf. Uw eigen werken, uw eigen daden, uw eigen leven. Spiegel jezelf en vergelijk je niet met anderen, daar word je heel hoogmoedig van. Spiegel je aan de volmaakte wet van God, voor Gods alwetend oog. Zeg: ‘Doorgrond en ken mijn hart, o HEERE!’ Spiegel je aan het voorbeeld van de volmaakte Christus. Dan blijft er niets van jezelf over. Helemaal niets. Dan zeg je voor God: ‘Heere, ik heb werkelijk niets, en ik ben niets.’ Dan schaam je je diep voor de Heere. Dan gebeurt wat staat in het Avondmaalsformulier: dan mishaag je jezelf. Je schaamt je diep voor God. Maar zolang je jezelf vergelijkt met anderen, voel je je goed, misschien wel beter, misschien wel de beste. Maar als je jezelf onderzoekt voor Gods oog in het licht van Gods wet, dan ga je, zegt het Avondmaalsformulier, walgen van jezelf.

En tegelijkertijd is er in dat oprechte zelfonderzoek ook troost. Als je, terwijl je je hart onderzoekt voor God, in je leven iets mag zien van de hartelijke bereidheid om de Heere te dienen. Daar is helemaal niets van jezelf bij, maar dat is vrucht van het werk van de Heere in ons hart. Dat kan tot troost zijn, als ons geweten, zegt Matthew Henry, getuigt dat we behoren bij hen, die God om Christus’ wil goedkeurt en aanneemt. Dat geeft rust in het hart. En de Heere geve dat ook in een week van voorbereiding in het hart van Gods kinderen. Zoals bij David, die in stilte bad: Doe mij recht, HEERE, want ik wandel in mijn oprechtheid en ik vertrouw op de HEERE, ik zal niet wankelen (Psalm 26:1).

Paulus zegt: alsdan (als dat zo is) zal hij aan zichzelf alleen roem hebben en niet aan een ander. Als je je eigen leven beproeft, zal je daarin alleen roem hebben. Dat wil zeggen: dan roemen we in God. In Zijn werk en in Zijn genade in ons hart. En dan ben je niet bezig en ga je niet door met het jezelf vergelijken van en met anderen. Immers, je staat recht tegenover de Heere Zelf.

Gemeente, ik wil deze apostolische raad met nadruk in ons midden neerleggen. Ga niet door, als u daarmee bezig bent, met uzelf met anderen te vergelijken in deze week van voorbereiding. U weet de uitslag van tevoren (want zo ben ik en zo bent u ook): de ander deugt niet en ik ben op z’n minst een beetje beter. Dat is niet goed. Dat is niet tot eer van God. Dat is voor uzelf tot grote geestelijke schade. Beproef uw eigen hart. Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf (2 Korinthe 13:5a). Beproef uzelf voor Gods alwetend aangezicht of u iets kent in uw hart van uw vroegere ergernis tegen het kruis van Christus, omdat u dacht dat u goed was. Onderzoek uzelf of u uzelf hebt leren mishagen voor God. Of u hebt leren zeggen: ‘Heere, ik heb niets. En ik ben niets’. Onderzoek uzelf, of u terwijl u dat leerde zeggen, alles hebt leren zien in de rijkdom van de genade van Christus. Onderzoek uw hart, of uw hart naar Hem uitgaat, of u hongert en dorst naar Zijn gerechtigheid en uitziet naar verzoening, naar kennis en meer bewuste kennis van Hem, onze Heere Jezus Christus. Onderzoek uzelf en niet een ander.

Want, zegt vers 5, een iegelijk zal zijn eigen pak dragen. Bedoeld wordt: het pak van eigen verantwoordelijkheid. We zullen allemaal het eigen pak van verantwoordelijkheid dragen. Paulus bedoelt te zeggen: we zullen allemaal geoordeeld worden naar wat we gedaan hebben, naar onze eigen werken. U kunt u aanstaande zondag, maar ook als u staat in de dag van het gericht voor de hemelse Rechter, u niet verschuilen achter het pak van een ander. Je kunt je zondag en in de toekomst op de dag van het oordeel niet verschuilen achter de bekering van je man of vrouw, opa of oma, vader of moeder. Je kunt straks niet wegkruipen achter het feit dat je het zo goed wist en zo goed kon vertellen. Je kunt je straks niet beroepen (en ik zeg dat in alle ernst) op een goed verhaal. Het is aanstaande zondag en straks in de dag van het Goddelijke gericht een persoonlijke zaak. En ik bedoel dat niet als een vrome opmerking, om je daar achter te verbergen. Ik zeg: ‘Het is een persoonlijke zaak’, en u zegt: ‘Ja, het moet een mens echt geleerd worden.’ En u gaat gewoon weer verder…

Gemeente, dit is de hoge ernst: een ieder zal zijn eigen pak dragen. In de dag van het Goddelijke gericht, waar Paulus naar vooruit kijkt, zullen de boeken geopend worden en we zullen geoordeeld worden naar…? Naar wat ik vertelde over mijn vader of moeder, mijn grootvader of mijn grootmoeder? Naar wat ik wist over hoe God een mens bekeert? Nee! Paulus zegt: u zult uw eigen pak dragen. U zult geoordeeld worden naar wat u gedaan hebt. U zult vergolden worden, zegt de Bijbel, naar uw werk, hetzij goed, hetzij kwaad. Het zal een dag zijn van eeuwige blijdschap, wanneer na het lezen van de geopende boeken, u in verrukking zult uitroepen: ‘Het was door U, Heere, door U alleen, de daden die daarin geschreven staan!’ Of het zal een dag zijn van eeuwig afgrijzen en totale verwarring, wanneer de boeken geopend en gelezen zijn, en als het ware een onzichtbare hand op de muren zal schrijven, die tekens tekent: Gewogen, maar te licht bevonden. Uw werken niet vol gevonden voor God. Paulus zegt: We worden geoordeeld naar wat we doen, in deze week van voorbereiding. En naar wat we gedaan hebben, in de toekomst op de dag van de eeuwige toekomst. ´

Waarom? Omdat woorden eigenlijk nooit honderd procent betrouwbaar het innerlijk van mijn hart weerspiegelen. Ik kan vertellen wat ik wil. Maar uit de daden van mijn leven blijkt het, in welke mate het is. Dat blijkt, zegt Paulus, uit de daden. Uit de daden van kinderlijk geloven, vertrouwen, hopen, ootmoedig zijn, liefhebben en dienen. Dat blijkt uit de vrucht van de Geest.

Dus laat ons onszelf, ons leven en onze werken niet vergelijken met die van anderen. Maar laten we ons hart, ons leven, onze woorden, onze werken, onze daden, ons nalaten openleggen voor God en zeggen, biddend op onze knieën, wat we nu gaan zingen uit Psalm 26 het tweede vers: Beproef vrij van omhoog mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag; doorzoek mij, toets mijn gangen, doorgrond al mijn verlangen en stel mijn oogmerk in den dag

We gaan, gemeente, verder met de vijfde oproep:

5. Een oproep om te zorgen voor dienaren

Een vijfde oproep staat in vers 6: En die onderwezen wordt in het Woord dele mede van alle goederen degene die hem onderwijst. Met andere woorden: zorg goed in levensonderhoud (letterlijk staat er: goederen) voor hen die dienen. Gemeente, als dienaar van het Woord ervaar ik hier wat van, in uw liefde en ijver. En ik dank de Heere, dat Hij dat in uw hart gelegd heeft. En ik bedoel dan in de eerste plaats niet (hoewel het daar hier wel over gaat) levensonderhoud of huisvesting, maar ik doel hier vooral op uw liefde en warmte waarmee uw ons draagt in tijden van zegen, maar ook in moeilijke tijden. En ik doel op de gebeden die u voor ons bidt. De Heere vergelde u naar uw werken.

Een zesde oproep:

6. Een oproep om niet te dwalen

Want in vers 7 en 8 lezen we: Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien. Want die in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Onbekeerden onder ons, u weet wel of ik u aanspreek: hou toch op met uzelf te vergelijken met anderen. Ik bedoel dat in liefde, dat weet u. Vergelijk u vooral niet met Avondmaalgangers! Het is niet meer dan een oefening in voortgaand zelfbedrog. Paulus zegt: God laat niet met Zich spotten. Terwijl u naar een ander kijkt, kijkt God dwars door uw hart heen. Misschien ziet Hij een uiterlijk net mens, een vrome tong, maar een zondig hart en een goddeloos leven.

U spot met God. En de Spreukendichter roept uit: Hoe lang zult u de slechtheid beminnen en de spotters voor zich de spotternij begeren en de zotten wetenschap haten? Keer u tot Mijn bestraffing (Spreuken 1:22b, 22a). U bent lid van de gemeente en u lijkt voorbeeldig, maar Paulus zegt tegen u die onbekeerd bent: u zaait in uw eigen vlees. Het klinkt scherp, het is scherp, maar het is Gods waarheid. U leeft ten diepste in vijandschap tegen God. Door een zondig leven, hetzij openbaar, hetzij in het verborgen. U mag hier denken aan het zondenregister wat Paulus in hoofdstuk 5 noemde: seksuele zonden, twisten, praten met elkaar in groepen, jaloezie, wie is de beste, gericht zijn op jezelf, tweedracht, ketterijen, splitsen in groepen en die tegen elkaar opzetten… Paulus zegt, en ik zeg het opnieuw: Het zijn werken van het vlees. Het is leven in vijandschap tegen God, hetzij in een leven van zonde, hetzij door een diep verzet in je hart tegen het kruis van Christus. En ik weet uit mijn eigen leven, hoe diep dat verzet kan zijn tegen het kruis, tegen de genade, tegen de Naam en de zaak van de Heere Jezus Christus. U verzet er zich tegen, u ergert u eraan, u stoot u eraan.

Paulus zegt: wat de mens zaait (in zonde en vijandschap) zal hij oogsten; want wie in zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien. De dichter zegt: Het briesende paard zal uiteindelijk toch moeten sneven, vallen op het slagveld. Verderfenis maaien, noemt Paulus dat. Lieve vrienden, ik wenste dat ik u kon overtuigen en ik u kon tegenhouden op die weg. U wacht, als u zo doorgaat, eeuwige verwoesting die nooit ophoudt, naar ziel en lichaam. Als u zo doorgaat (de Heere verhoede het!) zult u buitengesloten worden in de buitenste duisternis, waar verdriet zonder einde, waar wroeging, blijvende haat zal zijn. Ik zeg het tegen u, die zo bezig bent met anderen, maar nooit zelf oog in oog met God staat. U minacht wie in de zonde gevallen is, omdat u denkt dat u beter bent. En u onderzoekt een ander, omdat hij of zij slechter is, dan dat uzelf denkt te zijn. Maar daarmee laat u ten diepste blijken, daarmee bewijst u dat u geen genade kent, dat u niet weet wat genade betekent voor een doodschuldige zondaar. Bedenk, vergeet niet wat Paulus hier zegt: U draagt uw eigen pak. U zult geoordeeld worden naar uw eigen werken en draagt straks uw eigen straf. Terwijl hoeren en tollenaars u voorgaan, zondag hier aan de tafel en straks in de dag der dagen.

O, wilde u zich nu maar vernederen tot dat niveau van hoeren en tollenaars. Wilde u maar met de tollenaar zeggen: O God, wees mij zondaar (vijand, verbondsbreker, wetsovertreder, misdadiger) genadig! Als u vanavond zo, als de tollenaar, op uw borst zou slaan, u zou echt gerechtvaardigd naar huis gaan. Dan zou u worden als die ander, waarvan staat: Die zaait in de Geest, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Want dat is uiteindelijk de oogst van een leven met God op de aarde. Vrede met God hier op de aarde en daarna in de toekomst het eeuwig zalig hemelleven. Dat is toekomst, zo ver is het nog niet.

Een zevende en laatste apostolisch vermaan in vers 9 en 10.

7. Een oproep om goed te doen

Laat ons (hoewel die toekomst nog niet is aangebroken) goed doende, niet vertragen; want te zijner tijd (als Gods tijd aanbreekt) zullen wij maaien, zo wij niet verslappen. Zo dan, terwijl wij de tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten van het geloof. Volhard in goed doen, dat is de oproep aan al Gods kinderen. Want de wet heeft niet afgedaan, de wet is springlevend. Niet als middel om zalig te worden. Maar in hen die van bovenaf geboren zijn en in wie de Geest werkt en woont, is de wet in het hart gelegd als een regel van dankbaarheid en liefde om de Heere te dienen. Daarom zingen we: Hoe lief heb ik Uw wet, zij is mijn betrachting de ganse dag. Paulus zegt: Vertraag daarin niet, word niet moe, word niet moedeloos (hoewel u dagelijks ervaart in uw hart: als ik goede wil doen, ligt het kwade mij bij), maar hef uw hoofd omhoog en verwacht het niet van uzelf. Ik ben niets, en heb niets, ook geen goede werken. Verwacht het dus van de Heere! Verwacht het van het werk van de Heilige Geest. Heb goede moed! Paulus zegt: te zijner tijd (na een tijd van lijden en strijd in deze wereld) zullen wij maaien. Net zoals eerder stond in vers 8: Die in de Geest zaait, zal uit de Geest het eeuwige leven maaien. Uiteindelijk (alles was van Hem, alles is voor Hem), uiteindelijk zullen we in de Geest maaien, namelijk het eeuwige leven.

Laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenoten van het geloof. Aan de familie van de gelovigen, aan al Gods kinderen. U voelt: dat gaat over de grens van dit kerkgebouw heen, over de grens van ons kerkverband, over de grens van Nederland… Eigenlijk gaat het hier over de echte Kerk, met een hoofdletter K: de vergadering van ware Christusgelovigen. Daar begint de liefde, hoewel die verder gaat. Maar daar begint die. Als de Heere Jezus in Johannes 13 zegt: Hieraan zullen zij allen bekennen, dat u Mijn discipelen (volgelingen, leerlingen) bent, als u liefde hebt onder elkaar (Johannes 13:35).

Geliefde gemeente, hebbende dan uw zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door de Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zo hebt elkaar vurig lief uit een rein hart (1 Petrus 1:22).

Amen.