Wie meent iets te zijn (deel 13) – Galaten 6

Preek over: Wie meent iets te zijn
Galaten 6:1-13: Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.

Paulus roept op: “Maar een iegelijk beproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelf alleen roem hebben en niet aan een ander” (Galaten 6:4). Deze leespreek, gehouden in de week van voorbereiding op het Heilig Avondmaal, ontvouwt zeven apostolische vermaningen over gevallenen herstellen, elkaars lasten dragen en waarachtig zelfonderzoek voor Gods aangezicht.

Bijbelgedeelte Galaten 6: Wie meent iets te zijn

1 BROEDERS, indien ook een mens overvallen ware door enige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zodanige terecht met den geest der zachtmoedigheid; ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.
2 Draagt elkanders lasten, en vervult alzo de wet van Christus.
3 Want zo iemand meent iets te zijn, daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in zijn gemoed.
4 Maar een iegelijk beproeve zijns zelfs werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander.
5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.
6 En die onderwezen wordt in het Woord, dele mede van alle goederen dengene die hem onderwijst.
7 Dwaalt niet; God laat Zich niet bespotten; want zo wat de mens zaait, dat zal hij ook maaien.
8 Want die in zijns zelfs vlees zaait, zal uit het vlees verderfenis maaien; maar die in den Geest zaait, zal uit den Geest het eeuwige leven maaien.
9 Doch laat ons goeddoende, niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zo wij niet verslappen.
10 Zo dan, terwijl wij tijd hebben, laat ons goeddoen aan allen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs.