Mozes, Aäron en Hur, oorlog met Amalek – Exodus 17

Preek over: Israël in oorlog met Amalek
Plotseling valt Amalek het leger van Israël aan in de achterhoede. Mozes bidt, ondersteund door Aäron en Hur.

Een laffe aanval van Amalek in Rafidim

Wat is er de afgelopen tijd veel gebeurd. God streed voor Israël en zij mochten stil zijn, terwijl de Heere hen keer op keer wonderen liet zien: water uit de rots, manna uit de hemel, kwakkels in de woestijn. Maar dan komt er iets nieuws. Iets dat nog niet eerder gebeurd is. Plotseling, onverwacht, is het oorlog. Exodus 17 vers 8 zegt: Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim. Daarover gaan we nadenken met als thema: oorlog met Amalek in Rafidim. Een laffe aanval, een machtig wapen en een grote overwinning.

Want als je een held bent, dan ga je niet vechten met de vrouwen en de kleine kinderen, maar met de sterke mannen die voorop in het leger lopen. Maar dat doet Amalek niet. Later zegt Mozes in Deuteronomium 25: Amalek ontmoette u op de weg en sloeg onder u in de staart, al de zwakken onder u. Hij vreesde God niet. Dat was gewoon laf van Amalek om de zwakke mensen achter in de stoet te pakken. Amalek was vroeger de kleinzoon van Esau, en de spanning tussen Jakob en Esau is altijd gebleven.

Ineens is daar een vijand die op een laffe manier aanvalt in de achterste rij, waar juist de zwakke mensen lopen. Deze strijd gaat symbool staan voor de geestelijke strijd. Er zijn vijanden van buiten: de duivel, de wereld, de zonden. En er is een nog grotere vijand van binnen, ons eigen vlees, ons eigen hart. Zo hebben Gods kinderen vaak, net als hier, op onverwachte momenten te kampen met laffe aanvallen van verleiding tot zonde, van twijfel en ongeloof, van zorg en verdriet. Amalek is tot de tanden toe gewapend en wij zijn zwak van moed en klein van krachten.

Een machtig wapen tegen Amalek: het gebed van Mozes

Mozes zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte des heuvels staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn. Jozua deed als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek, doch Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte des heuvels. En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand nederliet, zo was Amalek de sterkste. Hier krijgt Jozua, wiens naam de Heere redt betekent, de opdracht om sterke mannen uit te kiezen om te vechten.

Mozes heft zijn handen op met de staf van God in zijn hand, die staf die terugwijst naar Gods macht en Gods trouw in het verleden. Dit opheffen van de handen is een onmiskenbaar teken van een innerlijk en afhankelijk gebed, zoals in Psalm 143: Ik breid mijn handen uit tot U; mijn ziel is voor U als een dorstig land. Mozes heft zijn handen biddend op, terwijl hij ongetwijfeld belijdt de zonden van zijn volk en bidt om hun behoud, want de vijand is op hun ondergang uit. Blijkbaar is er van bidden meer te verwachten dan van vechten.

Maar het wordt Mozes langzaam te zwaar. Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de één op deze, en de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen gewis, totdat de zon onderging. Exodus 17 onthult de zwakheid van Mozes in zijn bidden; hij houdt het niet vol. Daarom hebben wij, net als bij deze strijd, een betere Voorbidder nodig: de Heere Jezus Christus, Die altijd leeft om voor ons te bidden.

Een grote overwinning over Amalek

Bidden is eigenlijk kort gezegd zeggen: Heere, ik kan het niet, ik heb het niet, ik red het niet. De kracht van het gebed is niet in de veelheid van onze woorden, maar dat we onze hulpeloze handen uitstrekken naar de hemel. Zo werd er ook samen gebeden in de eerste christengemeente: deze allen waren eendrachtelijk volhardende in het bidden en smeken. Net als in de strijd tegen Amalek delft de vijand het onderspit wanneer Gods kinderen samen, biddend en zwak, hun toevlucht zoeken bij de Heere. Laten we zo, geliefde gemeente, vanuit onze machteloosheid voor elkaar bidden.

Kijk maar in vers 13: Zodat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte van het zwaard. Amalek wordt totaal verslagen. Toen zeide de Heere tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel. En Mozes bouwde een altaar en noemde deszelfs naam: De Heere is mijn Banier. De eer is niet voor de vechters, de eer is niet voor de bidders, de eer is voor God alleen, Die Israël kracht gaf tegen Amalek.

Deze machtige God is, kinderen van God, in ons midden, midden in de geestelijke strijd. Onze God, de Heere onze Banier, onze hoop, ons vertrouwen, onze zekerheid buiten ons in Hem. Hoe hoog de nood ook mag gaan, God Zelf zal de vijand, wie het ook is, verslaan, zoals Hij eens Amalek versloeg. Hebt u thuis een plek waar u in stilte uw handen opheft naar de hemel en zegt: Heere, help, Heere, red mij, Heere, vergeef mij? Want met vechten alleen, zoals tegen Amalek, red je het niet: alleen met bidden.