Opstand Mirjam en Aäron tegen Mozes – Numeri 12
Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
Mirjam nu sprak en Aäron tegen Mozes ter oorzake der vrouw, der Cuschitische, die hij genomen had; want hij had een Cuschitische ter vrouw genomen.
Het geschiedde nu in het optrekken van de ark, dat Mozes zeide: Sta op, HEERE, en laat Uw vijanden verstrooid worden en Uw haters van Uw aangezicht vlieden.
Hobab, ‘wij reizen naar die plaats, van welke de HEERE gezegd heeft: Ik zal u die geven; ga met ons!’
U hebt gezien wat Ik de Egyptenaars gedaan heb; hoe Ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot Mij gebracht heb.
Als het volk Israël bij de berg Horeb is, komt Jethro naar Mozes toe. Mozes vertelt hem over Gods grote daden.
Plotseling valt Amalek het leger van Israël aan in de achterhoede. Mozes bidt, ondersteund door Aäron en Hur.
Bij Rafidim in de woestijn is er opnieuw dorst. Ondanks al het gemopper geeft God water. Mozes slaat met zijn staf op de steenrots.
Toen het de kinderen Israëls zagen, zo zeiden zij de een tot den ander: Het is Man (‘manna’). Want zij wisten niet wat het was.
Het volk Israël komt tijdens de woestijnreis bij Mara. Er is drie dagen geen water geweest. Maar het water dat ze nu vinden bij Mara is bitter.
Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast, en ziet het heil des HEEREN, dat Hij heden aan ulieden doen zal.
En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom.
Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.
Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broden eten; maar aan den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uw huizen.
Het bloed van het lam moet in de nacht van de uittocht uit Egypte gestreken worden aan de posten van de deuren van de huizen van de Israëlieten.