PREEK · KERKELIJK JAAR

Alle aanneming waardig - 1 Timotheüs 1

Kerst - 25 december 2016

1 Timotheüs 1:15: Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

INLEIDING

Op deze kerstdag klinkt uit 1 Timotheüs 1:15 het getrouwe woord: “Dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.” Deze kerstpreek tekent, aan de hand van Paulus’ eigen bekering, de inhoud en de vastheid van dit Evangeliewoord, en nodigt iedere zondaar, hoe verhard of hoe rechtzinnig ook, uit om te schuilen bij de Zaligmaker Die kwam om juist zulke mensen zalig te maken.

THEMA

Het Evangeliewoord van de komst van Christus in de wereld

KERNPUNTEN

  1. De inhoud van dat woord
  2. De vastheid van dat woord

1 TIMOTHEÜS 1:15-20

15 Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.
16 Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou betonen, tot een voorbeeld dergenen die in Hem geloven zullen ten eeuwigen leven.
17 Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.
18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon, dat gij naar de profetieën die van u voorgegaan zijn, in dezelve den goeden strijd strijdt,
19 Houdende het geloof, en een goede consciëntie, welke sommigen verstoten hebbende, van het geloof schipbreuk geleden hebben;
20 Onder welke is Hymenéüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leren niet meer te lasteren.

VOLLEDIGE TEKST

Alle aanneming waardig - 1 Timotheüs 1

ds. J. IJsselstein - 1 Timotheüs 1:15

THEMA

Het Evangeliewoord van de komst van Christus in de wereld

LITURGIE

Psalm 118:1

Psalm 118:12 (middagdienst)

Lezen 1 Timotheüs 1:1-17

Psalm 95:1,2,4

Psalm 89:3

Psalm 73:13

Gemeente, de tekstwoorden die wij vanmorgen/-middag met Gods hulp in deze dienst willen overdenken, kunt u vinden in 1 Timotheüs 1:15. We lezen voor de samenhang met het geheel ook de verzen 12, 13 en 14: En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus, onzen Heere, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende; Die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. En nu volgt onze tekst, in vers 15: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Om de zondaren zalig te maken. Eigenlijk staat er (en zo staat het ook in de King Jamesvertaling): om zondaren zalig te maken. Het thema van de preek is: Het Evangeliewoord van Christus’ komst in wereld.

Er zijn twee aandachtspunten. We letten als eerste op de inhoud van dat woord, en als tweede op de vastheid van dat woord. Dus: Het Evangeliewoord van de komst van Christus in de wereld 1. De inhoud van dat woord 2. De vastheid van dat woord

Als eerste dus:

1. De inhoud van dat woord

Gemeente, bekeringsverhalen zijn er in allerlei soorten. Niet zelden zijn het bijzondere verhalen van evenzo bijzondere mensen, en dat terwijl de meesten van Gods kinderen heel gewone mensen zijn. Het is waar, ze kunnen tot zegen zijn, maar als we ons eigen leven kritiekloos naast het leven van anderen leggen, kan dat ons ook geestelijk in grote verwarring brengen. Laten we ons leven maar leggen naast het leven van Paulus. Zijn bekeringsverhaal wordt ons door God Zelf tot voorbeeld gesteld. Paulus schets in 1 Timotheüs 1 met een paar

pennenstreken zijn leven. Zijn leven als een leven van uiterste tegenstellingen. Voorheen een leven van zonde, nu een leven van genade. Vroeger lastering, nu geloof. Toen smaad, lastering en vervolging, nu liefde tot God en de mensen. Hij vertelt niet over gekregen teksten en over wonderlijke uitreddingen. Maar hij schetst als met donkere houtskool op wit papier, zo maar met een paar strepen, in twee tinten, met zwart en wit, het grondpatroon van wedergeboorte, bekering en geloof. Eenvoudig, maar zo helder, dat zelfs de vroeg bekeerde Timotheüs zich erin zal kunnen vinden. Niet als een mooi, ontroerend schilderij, waar je samen met anderen trots naar kunt kijken. Nee. Het is maar een schets, meer niet. Een schets bedoeld als inleiding op het stellige evangeliewoord van de tekst: Christus Jezus is in de wereld gekomen, om zondaren zalig te maken. Ieder woord in de schets van de bekering van Paulus komt terug in tekst. Het zijn eigenlijk drie pennenstreken, die alle drie heenwijzen, die alle drie vooruitwijzen, vanuit vers 13 en vers 14 naar de tekst in vers 15. Drie pennenstreken die vooruitwijzen naar de stellige evangelieboodschap: Christus Jezus is gekomen om zondaren zalig te maken. Onze tekst heeft eigenlijk drie delen: Christus Jezus is gekomen, dat is het eerste deel. Om zondaren, dat is het tweede deel. Zalig te maken, dat is het derde deel. En die drie delen zijn precies terug te vinden in de schets van het levensverhaal van Paulus. Het zijn met andere woorden drie pennenstreken die vanuit vers 13 en 14, vanuit zijn bekeringsverhaal, vooruitwijzen naar de evangelieboodschap van vers 15.

Laten we met elkaar eerst eens kijken naar die ruwe schets van Paulus’ bekering. In vers 13 staat: Die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. Wie begint zijn of haar bekeringsverhaal nu met deze binnenkomer: ik was een godslasteraar…? Toch is dit het grondpatroon van alle echte bekeringsverhalen. Een bekeringsverhaal dat begint met een andere toonhoogte kunt u beter vandaag dan morgen wegdoen, zelfs al is het uw eigen bekeringsverhaal. Ik was tevoren een godslasteraar.

Dit is de bekeringsweg van Paulus en van Timotheüs en van al Gods kinderen. Waar we ook vandaan gekomen zijn, hoe de Heere ook gewerkt heeft, langs welke weg het ook ging, het is zo maar met een enkele zin te duiden: Ik was tevoren een godslasteraar.

Paulus verbloemt het niet. In Hand 26:9 zegt hij: Ik meende waarlijk bij mijzelf, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen. Ik was een ijveraar naar de wet, ik voelde me verheven boven anderen, ik was trots op mijn werken. Ik dacht dat ik voor God kon bestaan, en ik was tegen…, tegen Jezus.

Jongens en meisjes, dat is nu wat heet eigengerechtigheid. Ik denk dat het ‘recht’ is, dat het goed is tussen God en mij door iets van mezelf: door mijn goede werken, door mijn eigen wijsheid. Ik leef als een net kerkmens, ik leef niet in zichtbare zonde, dus (denk ik) kan ik overeind blijven, kan ik staan, kan ik bestaan voor God.

U zegt: ‘Nee, zo ben ik niet. Ik ben een zondaar. Niet zo’n groot zondaar als anderen, maar toch wel echt een zondaar, ja…’ Ja, dat zegt u wel, maar het gaat erom of u uzelf werkelijk kent als een zondaar voor de heilige God, of u dat ook zo beleeft vanbinnen: Ik…, ik ben zondaar voor God. Niet: ‘Ik ben zondaar, maar gelukkig doe ik niet zoveel zonden.’ Maar zoals Paulus: ‘Ik was een godslasteraar.

Al dat vertrouwen op mijn eigen werken, al dat geloof in mijn eigen zogenaamde gerechtigheid, dat was niet anders dan het tarten van Gods heiligheid. Het was godslastering, het was vloeken. Ik was een godslasteraar. En, zo gaat hij verder: ik was een vervolger, een verdrukker van mensen. Ik gedroeg me als een agressor, ik was een misdadiger. Ik was een groot zondaar voor de Heere: een godslasteraar. En ik was een groot zondaar voor de mensen: een verdrukker en een vervolger. Zo maar een eerste pennenstreek uit het leven van Paulus. Een pennenstreek die de blik vooruit richt, vanuit vers 13 naar vers 15. Een pennenstreek die terugkomt in tekst: Christus Jezus is gekomen om zondaren zalig te maken. Zondaars.

Hoort u dat, nette kerkmensen? U wordt niet genoemd. Hoort u dat, u die uw bekeringsverhaal al vele malen verteld hebt? U hebt indruk gemaakt, maar u wordt niet genoemd. Hoort u dat, u die zegt voor te zijn Jezus, zonder ooit gezien te hebben dat u tegen Hem was? U wordt in de tekst niet genoemd. Rijken, mensen van aanzien, u wordt niet genoemd. Ook wij, die de Heere mogen dienen in Zijn koninkrijk, ook wij worden zo niet genoemd. Gerespecteerde kinderen van God, u die uw aanzien in gemeente koestert, u wordt zo in de tekst niet genoemd.

Christus Jezus is gekomen om zondaren zalig te maken. Zondaars. Zondaars vanwege onze natuur, zondaars vanwege onze geboorte. Door en door zondaars. Dood door de misdaden en de zonden, levend in diep verzet en vijandschap tegen God. Ongevoelige, onbuigzame, ongelovige zondaars, ja, godslasteraars.

Hier schetst Paulus in één pennenstreek een grondtrek van de bekering tot God. Toeleidende wegen verschillen. Timotheüs kon zijn levensweg niet zo vertellen als Paulus dat kon. Maar hier zegt ook de jongbekeerde Timotheüs volmondig amen op: Ik, zondaar, ik was een godslasteraar.

Gemeente, als u daar niet van harte en volmondig ‘amen’ op wilt zeggen, als u nooit uw hart en uw hoofd gebogen hebt tot deze diepte: ‘Ik ben een godslasteraar, ik ben een zondaar, een opstandeling, een rebel’, dan bent u nog onbekeerd. Dan bent u zonder enige twijfel nog zonder God in de wereld. Want Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken. Zondaars en niemand anders.

Zondaars onder ons, schrik en angst mag u wel bevangen vanwege het levensgevaar van uw ziel, buiten Christus. Maar wanhoop niet. De tekst spreekt letterlijk van ‘zondaren’, van zondaars, onbepaald. Niet alleen van ontdekte zondaars, hoewel de Heilige Geest wel ontdekt aan zonden als Hij werkt in ons hart. Niet alleen van gevoelige zondaars, hoewel de Heilige Geest het hart van de mens wel gevoelig maakt, vernedert en verbreekt als Hij in ons werkt. Niet alleen van ontwaakte zondaars, hoewel de Heilige Geest zondaars wakker schudt uit hun dodelijke rust. Niet alleen van oude zondaars, niet alleen van jonge zondaars, maar van: zondaars. Zondaars, zonder nadere bepaling.

Zondaars, u bent welkom. Roep toch tot God om genade. Ga als u thuiskomt direct naar uw slaapkamer, sluit de deur, valt op uw knieën en roep. Roep tot de Zaligmaker van zondaars. Zeg Hem dat u een godslasteraar, dat u een misdadiger bent. Smeek Hem, hoewel u daar geen recht op hebt, om Zijn genade. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren (Psalm 25:4, ber.). Zondaars, onbepaald...

Betekent dat dat alle zondaars gered zullen worden? Nee, heel veel zondaars gaan verloren, om eigen schuld. Hoe schrikkelijk is de gedachte, dat velen van u, binnen nog geen honderd jaar, voor eeuwig verstoten zullen zijn, geworpen in de put des afgronds, in de poel die brandt van vuur en sulfer. Niet omdat God u niet had uitverkoren. Maar omdat u de liefdevolle nodiging van Christus had veracht en Zijn zondaarsliefde had vertrapt. Veracht Christus, en u veracht uw eigen zaligheid. Vertrapt Zijn bloed, en Hij zal u vertrappen in grote toorn. Maakt Hem bespottelijk in uw gedachten (hoewel niet merkbaar op uw gezicht) en Hij zal lachen in uw verderf en spotten als uw vreze komt (Spreuken 1:26). O, zondaars, veracht de Zaligmaker van zondaars toch niet. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Lukas 19:10). Keert toch weder, bekeert u, gij afkerige kinderen.

Ik was een godslasteraar, zegt Paulus. Dat was zo, maar dat was destijds. Ik was tevoren een godslasteraar. In vers 13 staat (leest u maar mee): Die tevoren een godslasteraar was, en een vervolger, en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde, die er is in Christus Jezus. Ik heb het onwetende gedaan. Dat is geen excuus, maar dat wil zeggen: ik deed het niet willens en wetens. Ik deed het omdat ik nog blind was. Ik deed het omdat ik niet beter wist. Ik kon het wel weten en ik wist het ook wel met mijn verstand, maar ik leefde in ongeloof en in duisternis, en ik had geen geestelijk verstand. En daarom was ik een godslasteraar. Maar mij is barmhartigheid geschied. God heeft Zich over mij ontfermd. Dat is geschied, dat is gebeurd, en dat kwam bij God vandaan. Ik zocht Hem niet. Ik wilde Hem niet zoeken. Ik had zelf de weg van de aarde naar de hemel geblokkeerd.

Maar mij is barmhartigheid geschied. God Zelf heeft een weg gebaand van de hemel naar de aarde, door het zenden van Zijn Eniggeliefde Zoon. Barmhartigheid, dat is die eigenschap van God die nooit rust. Gods hart brandt van bewogenheid met zondaars. Dat wordt niet opgewekt door het zien van onze ellendige toestand, dat komt bij God Zelf vandaan. Barmhartigheid, dat is vrije goedheid. God geeft Zijn genade niet aan goede mensen, die dat wel een beetje verdiend hebben omdat ze zo goed hun best gedaan hebben, Hij geeft zijn genade niet aan goede, betere en zelfs niet aan de allerbeste kerkmensen, Hij geeft zijn barmhartigheid, Zijn brandende liefde, Zijn ongevraagde en vrije goedheid aan… zondaars. En, zegt Paulus (kijk maar in vers 13): Die barmhartigheid, die geschiedt, die vindt plaats als God een zondaar bekeert. Bekering is een krachtig ingrijpen van God in het leven van geestelijk dode godslasteraars. Hier stoot Paulus op de grondslag, op het fundament van de zaligheid: vrije goedheid, onverdiende barmhartigheid bij God vandaan voor godslasteraars, voor zondaars.

Hier worden (zoals staat in de Lofzang van Maria) de machtigen van de tronen gestoten. Hier wordt omver gestoten alle vroomheid, alle eigen gerechtigheid, alle ervaringen en gevoelens die wij mensen tot een fundament zouden willen maken. Hier is de vaste grond, de enige grond, het vaste fundament: Gods barmhartigheid, Zijn vrije goedheid. Het is een vaste grond en tegelijkertijd een bodemloze grond. Hoe dieper we, kinderen van God, zinken naar bodem van Gods barmhartigheid, hoe vaster onze zaligheid ligt, namelijk in Zijn eenzijdige zondaarsliefde.

En, zegt Paulus, die genade van God is zeer overvloedig geweest. Paulus heeft gebrek aan woorden. Hij gebruikt de overtreffende trap. Zoals wij soms zeggen: hij of zij was hypernerveus, zo schrijft Paulus letterlijk: die genade van God is hyper, overvloedig geweest. En daarmee blikt hij vanuit vers 14 uit op een ander deel van onze tekst: zalig maken. Christus Jezus is in de wereld gekomen, om zondaren zalig te maken. Om zondaren zalig te maken, dat wil zeggen: om ze te verlossen van het grootste kwaad en te brengen tot het hoogste goed. Hij kwam, niet om zondaars een handje te helpen, zodat ze het verder zelf zouden kunnen doen. Hij kwam niet om mensen in staat te stellen zichzelf helpen, maar Hij kwam om zondaars zalig te maken, om ze te verlossen van schuld en straf, en dat bij God vandaan.

Die zeer overvloedige genade, zegt Paulus, die heeft alles veranderd. Genade maakt de grootste tegenstelling die denkbaar is. In plaats van het grootste kwaad komt het hoogste goed, in plaats van dood komt leven, in plaats van godslastering komt geloof, in plaats van smaad en verdrukking aandoen komt liefde tot God en medemens. Aan Titus schrijft Paulus iets vergelijkbaars: Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes (Titus 3:5).

En in dat alles wordt Gods eer (die door ons zo gelasterd was) niet te kort gedaan. Het gaat niet ten koste van Zijn eer, maar (tegenovergesteld juist): God ontvangt eer en heerlijkheid in het zalig maken van zondaars. Want die barmhartigheid wordt geschonken in een weg van recht.

Daarom kan het ook niet zonder het derde deel van de tekst: Christus Jezus is gekomen. Hij was God, Hij bleef God. Hij nam de menselijke natuur aan, Hij werd geboren en gelegd in een kribbe. In de eeuwigheid had Hij Zich al Borg gesteld. In de volheid van de tijd kwam Hij. Hij boog vrijwillig onder de last van Gods toorn. Hij vernederde Zich en werd gehoorzaam tot de dood van het kruis (Filippenzen 2:8). Hij werd arm, hoewel Hij rijk was, opdat arme zondaars zalig zouden kunnen worden (2 Korinthe 8:9). Hij gaf Zijn leven, Hij gaf Zichzelf, Hij gaf alles, om Zijn verkoren bruidsgemeente te verlossen van zonde en schuld. Wat heeft Hij heel Zijn leven lang, vooral aan het einde van Zijn leven, nameloos diep geleden. Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij (God) zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (2 Korinthe 5:21).

Komt verwondert u, u hemelen, en verbaast u, u aarde, vanwege zoveel onbegrijpelijke zondaarsliefde Komt verwondert u, verbaast u, vernedert u, zondaars, misdadigers, godslasteraars..., vanwege zoveel onbegrijpelijke zondaarsliefde: Christus is gekomen om zondaren zalig te maken. Hij stierf de vloekdood voor godslasteraars, Hij is met de misdadigers gerekend, en dat alles deed Hij deed vrijwillig voor Zijn bruidsgemeente. Hij stierf aan het kruis. Maar Hij is ook opgestaan. Hij is de hemel binnengegaan vol glorie en luister. En dat alles, heel Zijn leven, al dat lijden, dat alles had slechts één doel: zondaars zalig maken. Dat, zegt Paulus tegen Timotheüs, dat is het Evangelie van vrije genade.

Het is, zo zegt Paulus eigenlijk tegen Timotheüs (die werkt in de gemeente van Efeze), niet zomaar een holle gewoonte, dat wij dat in de gemeenten zeggen, als een soort van vaststaande uitdrukking (want zo was dat destijds), maar het is waar en vast.. Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Van die waarheid en vastheid van Gods woord zingen wij eerst uit Psalm 89:3:

De hemel looft, o HEER, Uw wond'ren dag en nacht; Uw waarheid wordt op aard' de glorie toegebracht, Daar Uw geheiligd volk van Uwe trouw mag zingen; Want wie is U gelijk bij al de hemelingen? En, welke vorsten ooit het aard'rijk moog' bevatten, Wie hunner is, o HEER, met U gelijk te schatten?

We gaan, gemeente, verder met ons tweede aandachtspunt. Het ging eerst over de inhoud van het Evangeliewoord, en nu gaan we verder met de vastheid van dat woord.

2. De vastheid van dat woord

Want zo begint onze tekst begint: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig. Dit is een getrouw woord. Letterlijk staat er: betrouwbaar is dit woord.

Paulus zegt eigenlijk: Wij hebben die uitdrukking in ons dagelijkse gemeenteleven, maar het is geen loze kreet, het is een feit: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken Hij is gekomen. De zaak is geschied. Het is echt gebeurd. Hier mogen we ‘amen’ op zeggen. Wij hebben het geleerd door het woord, en het is bevestigd door de Heilige Geest, Die altijd weer brengt bij het woord. En dit woord is de waarheid. Het doorstaat nood en dood. Gods woord houdt stand in eeuwigheid en zal geen duimbreed wijken. Het kan misschien wel een tijd geen waarheid lijken te zijn, en dat kan ook zo zijn in het leven van Gods kinderen, maar dat neemt niet weg: het is waar en het blijft waar. Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken.

En, omdat dat woord zo waar en betrouwbaar is, daarom is het woord het ook zo waard dat het ter harte genomen wordt. Het is alle aanneming waard. Aan dat woord mogen ons vastklemmen, mogen we ons vastgrijpen. Kohlbrugge zegt ergens: Met deze waarheid zij de listige duivel van u verdreven, die de mens het woord van onder de handen wegtovert, opdat de mens ontstelt en verlegen wordt en weer teruggrijpt naar de wet, en dus naar zijn eigengerechtigheid.

Dit woord is alle aanneming waard: want het is een woord uit de mond van God Zelf. Het is Zijn woord, en Zijn woord is waar. Jongens en meisjes, als je juf iets zegt, dan geloof je het. Want, de juf zegt het, en wat de juf zegt dat is waar. Als pappa of mamma iets zegt, en je vriendje of vriendinnetje zegt wat anders, dan zeg je heel beslist: ‘Nee, mijn pappa of mamma zegt het zo, en daarom is zo.’ Wat iemand ook zegt, wat de juf zegt, dat is waar, wat pappa of mamma zegt, dat is waar. Wat de duivel, wat de wereld, wat ons eigen hart ook zegt, het doet er allemaal niet toe: Wat de Heere God zegt, dat is waar. En Hij zegt: Christus Jezus is in de wereld gekomen om zondaren zalig te maken.

Bent u nog onbekeerd? Klem u dan niet vast aan uw kerkgang, aan uw netheid, aan uw ijver, aan uw goede werken, maar klem u vast aan dit woord. Het is betrouwbaar. Als u het hoort, buig dan en zeg dan: ‘Hier ben ik, Heere, ik ben een zondaar, ik ben een godslasteraar. Ik voel het wel niet, ik geloof het wel niet, maar wilt U het mij alstublieft leren?’ Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren.

Ben jij nog onbekeerd? Denk niet: ‘Het zal wel nooit wat worden, anderen zijn veel beter dan ik, anderen zijn vast (als het om bekering gaat) eerder aan de beurt dan ik...’ Wanhoop niet. God heeft zondaars uitverkoren. Dat soort van mensen. Jezus is gekomen, om zondaars zalig te maken. Dat soort van mensen. Laat dan juist dat, wat je veroordeling is (ik ben slecht, ik ben een groot zondaar), laat dan juist dat je brengen aan voeten van Hem die gekomen is juist om die zondaars zalig maken.

Hij kwam voor mensen als Noach (die zich bedronk), voor mensen als Lot (die maar geen afstand kon doen van de wereld), voor mensen als David (een man van moord en overspel). Je zegt misschien: ‘Ja, maar David was toen al een bekeerde man.’ Klopt, dat is waar. Ik zal het anders zeggen. Hij kwam voor mensen als Manasse (een goddeloze afgodendienaar), voor mensen zoals de Samaritaanse vrouw (hoeveel echtscheidingen had die al niet achter de rug, vast niet steeds schuldloos gescheiden), Hij kwam zelfs voor mensen als Paulus, die moest zeggen: ‘Ik ben de voornaamste, ik ben een koploper in de zonde. Ik loop vooraan als het gaat om vijandschap tegen vrije genade.’

Jongens en meisjes, jongelui, als de mensen je afschrijven, ben je welkom bij God. Jezus is gekomen, om zondaars zalig te maken. Hij is bereid, van harte bereid om vijanden met God te verzoenen.

O, zie toch de rijkdom van dit woord. Het is vast. Het komt uit de mond van God Zelf. Alle duivels zouden het wel willen doorstrepen. Vrome kerkmensen hadden het liever anders gehoord, nietwaar? Kijk maar in uw hart. Maar Hij is gekomen voor de allerslechtsten. Laat ik een aantal soorten van mensen onder u, in het bijzonder aanspreken. U voelt gaandeweg dat sommige groepen elkaar misschien een beetje overlappen.

a. Ongevoelige, verharde zondaars, vijanden, haters van God, in één woord ‘zondaars’, dit is het betrouwbare woord en het is alle aanneming waardig. En ik bid u, ontkracht dit woord niet door u te verschuilen achter uw onvermogen. Dat verandert de betrouwbaarheid van dit woord niet. Dit is het betrouwbare woord en het is alle aanneming waardig: Er is een Zaligmaker beschikbaar voor u. Hij is bereid om u, misdadiger en vijand van God, te verlossen van het grootste kwaad en te brengen hoogste goed. Zo gij Zijn stem dan heden hoort, geloof zijn heil- en troostrijk woord, verhard u niet, maar laat u leiden (Psalm 95:4, ber.).

b. Ontwaakte zondaars, u die wakker geschrikt bent uit uw dodelijke rust, zie toch de rijkdom van dit woord. Als u verontrust bent over uw zondige leven, dan is hier een woord voor u. Het is vast en betrouwbaar. Wanhoop niet, als u ziet op uzelf.

Wanhoop aan uzelf, als u ziet op uzelf. En buk en buig aan de voeten van de Zaligmaker, bij de kribbe van Bethlehem. Want het Kind dat daarin ligt, is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Alleen bij Hem is zalige rust te vinden voor uw ziel. Alle andere rust is schijn.

c. Rechtzinnige kerkmensen, dit woord rukt u van al uw schijnbare zekerheden af. Uw netheid, uw vroomheid, uw eigengerechtigheid, het is allemaal een gruwel in de ogen des Heeren. God heeft alleen een welbehagen in Zijn eniggeliefde Zoon. Alles daarnaast is niets anders dan godslastering. De grootste vloekers zitten in de kerk, niet erbuiten. U bent een godslasteraar, als u meent dat Christus gekomen is om nette mensen het weinige dat hen ontbreekt te kunnen toevoegen. O, val heden met Dagon van uw voetstuk af. U bent een zondaar, een even grote zondaar als al die andere zondaars: verslaafden, weettelers, kroeglopers, criminelen, fraudeurs, dieven en moordenaars. Christus Jezus is gekomen, om zulke zondaars als ik en u zalig te maken. Schaar u daar toch bij, buig toch naast hen, als een even groot zondaar. En Christus zal, zonder enige twijfel, al Zijn zondaarsliefde aan uw hart willen bewijzen. Rechtzinnige kerkmensen, u die nog steeds onbekeerd bent, wanhoop niet. De meest rechtzinnige kerkmens ooit, is zich (door Gods genade) uiteindelijk toch de voornaamste van de zondaars gaan noemen.

d. Godzoekers onder ons. Betrouwbaar is dit woord. U zoekt God in de nood van uw ziel, en u ziet geen weg. U bent misschien naar de kerk gekomen om een woord van een mens te horen, maar dat is een te geringe verwachting van Hem die u zoekt. U krijgt een Godswoord uit de hemel te horen: Dit is een getrouw (een betrouwbaar) woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. Betrouwbaar en waar, voor u, persoonlijk. Christus Jezus is gekomen, om zondaars zalig te maken. Dit zou de hele preek kunnen zijn. Dit is alles. Mensen, dit is alles. Ieder woord van mij doet af van dit ene woord. Laat het toch haken in uw ziel. Laat het toch zijn als een nagel gedreven in het binnenste van uw hart. Dit is het Evangelie. Een blijde, werkelijk een blijde boodschap voor verloren zondaars. Christus Jezus is gekomen om zulke mensen zalig te maken.

e. Kinderen van God. Is het niet waar, dat dit woord, en dergelijke woorden ons het meest dierbaar zijn geworden? Toen we leerde bukken en buigen voor God, toen alle hoop ons gans ontviel, alle hoop op onszelf, op eigen verbetering, op eigen werken…? Toen alles ons steeds meer uit handen geslagen werd en we uiteindelijke wel moest erkennen (hoewel alles in ons zich daartegen verzette): ‘Ja, Heere, ik ben een zondaar, een godslasteraar? Toen er niets anders overbleef dan dit geschenk, dit Godsgeschenk uit de hemel: Christus Jezus, gekomen om zondaars zalig te maken?

Wat kunnen onze gedachten vol worden van zoete herinnering aan die tijd, toen we werkelijk als zondaars bogen voor God, aan de voeten van de Zaligmaker van zondaars. Jongens en meisjes, er is op de wereld geen betere plaats dan die plaats. Niets op de wereld heeft mijn hart ooit meer vervuld met vreugde, dan de ervaring van die zondaarsliefde, toen God mij als een zondaar liet bukken. Zou je dat ook niet willen doen? Je knieën buigen, en de woorden spellen van de verloren zoon: ‘Vader, ik ben het niet waard, wees mij zondaar genadig?’ Wie zo buigt, die zal zonder twijfel een blijk van Zijn zondaarsliefde ontvangen en zal wensen nooit meer van die plaats te hoeven gaan. Jongens en meisjes, jongelui, dat is de beste plaats, het mooiste plekje op de aarde. Daar waar je bukken mag als een zondaar, daar waar je verloren ziel zaligheid ontvangt.

Zondaars worden zalig gemaakt. Zij worden in beginsel vol gegoten. Als een vat, als een kruik worden ze eerst leeggegoten. Alles van ons moet eruit. En dan, als een wonder van vrije genade: vol gegoten, vol gegoten met genade. Uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade (Johannes 1:16).

En toch, kinderen van God, en toch zijn we zondaar gebleven. Of bent u dat station gepasseerd? Kunt u, wilt u nog wel staan naast de mensen van de wereld, naast dat medegemeentelid, dat in de zonde leeft? Ligt daar ook niet een oorzaak van zoveel donkerheid in het geestelijke leven, dat we wel zeggen wel dat zondaars zijn, maar dat we ons in de praktijk mijlen ver boven anderen verheven voelen? Wij zijn ‘anders’, zeggen we, ‘anders dan de andere mensen’. Nee. We zijn precies hetzelfde. Waar is in mijn leven de verwondering om zoveel liefde? Ben ik niet vergeten dat het ging om genade voor zondaars? Immers alleen dan kan de roemtaal van het geloof klinken: ‘onverdiende zaligheden, heb ik van mijn God genoten, ik roem in vrije gunst alleen.’

Als Paulus denkt aan die zondaarsliefde, dan kan hij het niet laten, om met één pennenstreek de tegenstelling nog scherper te maken. Hij zegt: ‘Ik ben voornaamste.’ Hoort u het goed? Dit is een kind van God op zijn plaats. Niet: ‘Ik was’, naar: ‘Ik ben.’ In ben de voornaamste van de zondaars, de minste van de apostelen, de allerminste van al heiligen. In dienen achteraan, in zondigen voorop: de voornaamste, de koploper, een die anderen meesleept.

Zwart op wit, met een pennenstreek: onverdiende genade, voor de voornaamste van de zondaars. Dat is geen overdrijving. Dat is niet iets om trots op te zijn. Paulus zegt het, om het Evangelie, het Evangelie van vrije genade in het middelpunt stellen: Christus Jezus is in de wereld gekomen, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

De opwas in de genade kenmerkt zich door de bede: ‘Ik dank U, Heere, dat ik niet ben zoals die, en die, en die?’ Nee. Nee.

De opwas in de genade wordt gekenmerkt door de door bede (je hoort de liefde van het kindschap): ‘Vader, ik heb gezondigd. Wees mij zondaar genadig.’ Die genade maakt mild, ootmoedig en klein. Grotere genade kenmerkt zich door dieper buigen, door ootmoed, door kleinheid.

Christus Jezus is gekomen, om de zondaars zalig te maken. Zelfs de voornaamste. Laat het een laatste aansporing zijn, voor u, onbekeerden. Laat me met dat woord een laatste klop kloppen op de deur van uw hart. Als Paulus, de voornaamste, de koploper, hij die iedereen meesleepte, bekeerd is, waarom zou u het dan voor u, voor jou niet kunnen? Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik (zegt Paulus) de voornaamste ben. Dit is een blijde boodschap, zelfs voor, ja juist voor de grootste schurk in of buiten de Gereformeerde Gemeenten. Dit is goede nieuws voor de grootste farizeeër, want de zonde van eigengerechtigheid is ongetwijfeld de grootste zonde, het is godslastering.

Nu kan voor zelfs voor de grootste zondaar, voor de grootste farizeeër, voor de jongste, voor de oudste, voor de hardste, voor de koudste, voor de meest verharde zondaar, ja voor alle openlijke en verborgen zondaars. Gij slechten, hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten (Spreuken 1:22)? Neig uw oor, en kom tot Mij, hoor en uw ziel zal leven (Jesaja 53:3).

Hoort toch dit woord. Vergeet het nooit meer. U zult het nooit vergeten. Waar uw plaats ook zal zijn, het zal tot in alle eeuwigheid naklinken als een echo in uw ziel. Hetzij tot eeuwige vreugde en verwondering, het zij tot eeuwige wroeging. Hoort toch dit woord. Het is het meest vaste, het meest betrouwbare, het diepst verankerde woord God. O, veracht het niet, leg het niet naast u neer. U zult er eeuwig spijt van hebben als u de Zaligmaker van zondaars veracht. Dit is het woord, dat komt tot u allen. Het woord der zaligheid is tot u gezonden: Dit is een getrouw woord, en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is, om zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben.

Amen. Slotzang Psalm 73:13

Wien heb ik nevens U omhoog? Wat zou mijn hart, wat zou mijn oog, Op aarde nevens U toch lusten? Niets is er, waar ik in kan rusten. Bezwijkt dan ooit, in bittere smart Of bange nood, mijn vlees en hart, Zo zult Gij zijn voor mijn gemoed Mijn rots, mijn deel, mijn eeuwig goed.