PREEK · KERKELIJK JAAR

Herders gaan heen Bethlehem – Lukas 2

Kerst - 25 december 2025

Lukas 2:15: En het geschiedde als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft kond gedaan.

INLEIDING

De herders horen in de nacht het Woord van de engel: hun is de Zaligmaker geboren. Ondanks hun vrees geloven zij dat Woord en gaan met haast naar Bethlehem. Daar vinden zij het Kind in de kribbe: het Woord blijkt waar. Buigend bij die kribbe zien zij iets van hun eigen verlorenheid én van Gods liefde in Christus. Zij maken het Woord alom bekend en keren terug, God verheerlijkend en prijzend om alles wat zij gehoord en gezien hebben.

THEMA

Het Woord en de herders

KERNPUNTEN

  1. De herders hebben het Woord gehoord
  2. De herders hebben het Woord geloofd
  3. De herders hebben het Woord gezien
  4. De herders hebben het Woord geprezen

LUKAS 2:8-20

8 En er waren herders in diezelve landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
9 En zie, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze.
10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;
11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, Welke is Christus de Heere, in de stad Davids.
12 En dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.
13 En van stonden aan was daar met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:
14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.
15 En het geschiedde als de engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan tot Bethlehem en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft kond gedaan.
16 En zij kwamen met haast en vonden Maria en Jozef, en het Kindeken liggende in de kribbe.
17 En als zij Het gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord dat hun van dit Kindeken gezegd was.
18 En allen die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders.
19 Doch Maria bewaarde deze woorden alle tezamen, overleggende die in haar hart.
20 En de herders keerden weder, verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

VOLLEDIGE TEKST

Herders gaan heen Bethlehem – Lukas 2

ds. J. IJsselstein - Lukas 2:15

THEMA

Het Woord en de herders

LITURGIE

Psalm 148:1 (en 5)

Psalm 148:5 (middagdienst)

Lezen Lukas 2:8-20

Psalm 34:1,2,3,4

Psalm 149:2

Psalm 56:5,6

Gemeente, de geboorte van de Heere Jezus was wonderlijk. Hij werd als Kind in doeken gewonden, en gelegd in een kribbe. Het Koningskind! De Zoon van David, de Zoon van God.

Ze zóu verwachten dat Zijn geboorte als eerste verteld zou gaan worden aan…? Aan keizer Augustus, aan koning Herodes, aan de hogepriester en aan het Sanhedrin. Maar we zien vanmiddag dat het anders is. Het bericht over Zijn geboorte gaat als eerste uit naar de herders, in de velden van Efratha

De tekst voor de preek van vanmiddag kunt u vinden in Lukas 2:8-18. Het gedeelte is u voorgelezen. Ik lees samenvattend nu alleen nog het 15e vers, de anderen verzen komen straks vanzelf aan de orde. Lukas 2:15: En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd.

Het thema voor de preek is: Het Woord en de herders. We letten op vier aandachtspunten. De herders hebben het Woord: 1. Gehoord 2. Geloofd 3. Gezien 4. Geprezen Als eerste dus:

1. De herders hebben het Woord gehoord

Lukas 2:8 zegt: En er waren herders in diezelve landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. Om de beurt houden ze de wacht, ergens in de buurt van Bethlehem. Die herders. Eenvoudige, hardwerkende mannen zijn het. Herder-zijn, dat was een mooi beroep, maar erg geëerd waren herders in die tijd niet. Ze waren in die tijd toch een beetje veracht, een beetje het uitschot van de maatschappij.

Hoewel, in het Oude Testament altijd met veel respect over herders gesproken werd. Mozes was schaapherder. En David ook. En de profeet Ezechiël profeteerde over de komst van de Messias, als over de komst van een enige Herder, Die Zijn kudde weiden zou (Ezech. 34:23). Die (zo profeteerde hij): Het verlorene zou zoeken, en het weggedrevene zou wederbrengen, en het gebrokene zou verbinden, en het kranke zou sterken; maar het vette en het sterke zou Hij verdelgen, Hij zou hen weiden met oordeel (Ezech. 34:16) En nu zijn er vlak bij de stad van koning-herder David wéér herders. Toevallig zal dat zeker niet zijn geweest...

Het zijn herders. Maar verder weten we niet zoveel van ze. Ze houden de nachtwacht. Ze zijn aan het werk. Als je gewoon het werk doet wat je moet doen, is het niet zo dat de Heere niet op bezoek kan komen. Laten we niet overgeestelijk worden. Ze zijn gewoon aan het werk.

Het zijn sterke, geharde kerels. Want het herdersleven is hard. Het is geen kantoorbaan. Of ze oud zijn of jong, dat weten we niet. Misschien is het een gemengd gezelschap wat leeftijd betreft. Maar het zijn vrome mannen (vroom in de goede, Bijbelse zin van het woord), die (zoals later gezegd wordt van Simon) de Zaligmaker verwachten. Dat blijkt straks uit wat de engel tegen hen zegt en uit wat zij antwoorden en doen.

‘t Is nacht… De schapen slapen... Soms hoor je, dat er nog eentje wat beweegt, maar verder is het heel stil… Ja, er zijn wel heel veel krekels. De zomernacht is vol met hun getjirp. En soms hoor je in de verte het gegrom van een roofdier... De mannen zijn waakzaam. Ze letten heel goed op, want uit die donkere nacht kan plotseling een dief of een roofdier tevoorschijn komen.

En dan… ineens…! Plotseling! En zie (vers 9)! Midden in die donkere nacht verschijnt opeens een engel! En zie, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. De heerlijkheid van de Heere omschijnt hen. Verblindend licht schittert op hen van alle kanten. Plotseling is daar de glans van de heerlijkheid des Heeren, van de aanwezigheid van de Heere Zelf, in al Zijn majesteit en glorie.

En (dat kan je begrijpen): ze schrikken geweldig. Ze vrezen met grote vrees. In de lichtglans van de God van de hemel, krimpen ze als zondige mensen in elkaar.

Maar (vers 10): de engel zeide tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal. Vrees niet. Wees niet bang, mannen. Ik verkondig u(!) grote blijdschap.

Ik heb een goede boodschap voor u(!). Ja, meer nog, want die boodschap zal verder strekken: die al den volke wezen zal. Die boodschap is bestemd voor heel het volk.

Deze boodschap (vers 11): Namelijk dat u (dat voor ú) heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids. Herders, voor u is heden geboren: De Zaligmaker. Christus, de beloofde Messias. De Heere (God de Allerhoogste), in stad Davids. ‘Herders’, zegt de engel, ‘Hij is voor u geboren. Niet voor ons, engelen, maar voor mensen zoals u. Ja, voor u persoonlijk.’

‘En dit woord, herders, is waar. Maar u krijgt er ook nog een teken bij. Vers 12: Dit zal u het teken zijn: Gij zult het Kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Dit teken zal u laten zien, dat dit Godswoord waar is. En zo zult u ook het Kind herkennen. Aan dit alledaagse, aan dit gewone, aan dit menselijke: U zult Het vinden in doeken gewonden. Dat deed men vaker met een pasgeboren baby. En liggende in de kribbe. Dat was wèl ongewoon. Een teken van armoede? Een teken van niet welkom zijn?

Maar hoe dan ook, herders: Het Koningskind, u zult het niet vinden in een paleis, in kostbare kleding, maar u zult deze Zaligmaker vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.

Maar, voordat ze goed en wel tijd hebben om daarover na te denken, is er (vers 13 en 14), van stonde aan (even plotseling), met de engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen. Plotseling is er een spreekkoor van ontelbare engelen, prijzende God en zeggende: Ere zij God in de hoogste hemelen. Deze engelen zijn vol van hemelse aanbidding. Ze aanbidden God Drie-enig in de hemel. Ze aanbidden de Zoon van God, die ze kennen van Zijn hemelse glorie en majesteit. Van Wie ze weten dat Hij nu geboren is voor verloren mensen En hun binnenste stroomt over van lof en aanbidding vanwege Gods onbegrijpelijke liefde en ongeëvenaarde wijsheid in het zenden van Zijn lieve Zoon.

Ere zij God in de hoogste hemelen. En vrede op aarde. Vrede met God, door Hem, Die Zich zo diep vernederd heeft en nog vernederen zal. In de mensen een welbehagen.

En dan? Dan ineens is het weer aardedonker. Dan ineens is het weer stil. Het spreekkoor zwijgt. De hemel gaat weer dicht. Het is voorbij. De krekels die tjirpen weer verder.

Even een blik in de hemelse heerlijkheid. Maar nu is het weer donker. Gewoon donker, zoals in alle andere nachten. Zoals het ook kan zijn in het leven van Gods kinderen. Als je aan het Heilig Avondmaal zit. Je hart wordt naar de hemel getrokken. En het lijkt een ogenblik alsof de hemel open gaat. En dan is het voorbij. Dan gaat het leven weer verder.

Zoals het kan zijn in het leven van Gods kinderen. Als je in de kerk zit en je hart wordt geraakt door het Woord. En dan is het voorbij. Dan moet je weer verder, op school, in je gezin, op je werk…

Zoals het kan zijn, als het zondag geweest is. Was het altijd maar zondag. Bleef het maar zondag! Maar de zondag gaat voorbij. En het leven gaat weer door.

Zoals het kan zijn, doordeweeks. Als je hart een ogenblik naar de hemel toe getrokken wordt. Het was zó licht! En ja, nu is het weer donker. Het licht is weg, de tranen van blijdschap en verbazing zijn weggeveegd, je trilt nog een beetje na op je benen (zoals de herders), maar ook dat ebt langzaam weg. Je moet weer verder, midden in de donkere nacht. Met…?

U zegt: Ik ben allemaal weer kwijt: dat gevoel, die open hemel... Het is weer zo donker ... Zo kan het toch zijn, kinderen van God? Alles wat je meegemaakt hebt, glipt je door de vingers. Het voelt, het voelt(!) alsof je alles kwijt bent.

Wat je over hebt? Wat je over houdt? Je steeds nog zo zondige hart. Je ellendige zelf. Dat je alles verzondigd hebt. 4 Dat het zo zou lopen, dat had je nooit gedacht. Net als die herders! Ineens is het weer donker.

Alles is weg! Behalve, behalve(!) één ding. Dat blijft. Het Wóórd. Het Woord van de Heere. Er blijft maar één ding over: Uw Woord, Heere. Op Uw Woord heb ik gehoopt. Op de woorden die U tot mij gesproken hebt. Op de woorden die U met kracht in mijn ziel gelegd hebt. Op die woorden, die mijn zinkende ziel drijvend houden. Geen mensenwoorden. Geen domineeswoorden. Maar woorden waarvan geldt: Ik heb ze zelf uit Uw mond gehoord!

Woorden, die me in al mijn gemis en duisternis, toch weer brengen tot het stille gebed en tot de stille hoop: Heere, Uw Woord wordt toch altoos trouw volbracht? U laat toch nooit één van Uw woorden op de aarde vallen? Wat uit Uw lippen ging, blijft toch vast en onverbroken?

Onveranderlijke, hoop gevende, moed gevende beloftewoorden. Die we tegelijkertijd soms (en misschien wel vaker) zo moeilijk kunnen plaatsen en begrijpen. De hemel is weer dicht. De engelen zijn weer weg. Het is weer donker. Maar gelukkig, één ding is er over: de woorden van de engel, de woorden van de Heere Zelf. Maar..., die woorden zijn voor de herders zo moeilijk te begrijpen! Ik verkondig u grote blijdschap, voor u is heden de Zaligmaker geboren. Voor u! Christus, de Heere, in stad Davids. Voor u, herders!

Zoals u de afgelopen dagen vaker engelenwoorden, Godswoorden gehoord of gelezen hebt. Een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven (Jesaja 9:5). Voor u is Hij geboren. Voor u!

Wat? Voor mij? De duivel heeft zijn antwoord direct klaar: ‘Dat kan niet waar zijn, hoor. De Zaligmaker voor u? Dat moet een vergissing zijn. U bent veel te slecht.’ En uw eigen hart zegt misschien ook wel: ‘Ja, het klinkt allemaal wel mooi, maar dat kan niet waar zijn, toch? Voor mij? Nee, ik ben veel te slecht? Moet je eens kijken naar mijn leven?’

Wonderlijke woorden, maar ze begrijpen ze niet. Maar toch haken die woorden als met weerhaken vast in het hart van de herders.

Maar gelukkig, er is een teken: U zult(!) het Kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe. Maar, dat alledaagse teken is tegelijkertijd ook een moeilijk teken. De Messias is geboren. Maar, liggend in een kribbe?

De hemel was even open en hun hart was even in de hemel. En nu is het weer aardedonker. Even scheen Goddelijke licht, ook in uw hart. Maar nu moet u weer verder. Dus bleef er toen in die donkere nacht, en dus blijft er nu maar één ding over: Heere, doe wat U gesproken hebt. Mij geschiede naar Uw Woord. Want geen ding, zal toch bij U onmogelijk zijn?

De herders hebben het Woord gehoord. En ze hebben (in de tweede plaats) ze het Woord ook geloofd.

Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 149 vers 2: Laat d' ijverige tempelreien, op fluiten 's Hoogsten naam verbreien; Hun psalmgezangen vrolijk paren, met trommelen en snaren; Nu God met lust Zijn ogen slaat op Jacobs uitverkoren zaad; Zachtmoedigen Zijn gunst betoont, en hen met heil bekroont.

Ons tweede aandachtspunt:

2. De herders hebben het Woord geloofd

Vers 15 zegt: En het geschiedde, als de engelen van hen weggevaren waren naar de hemel, dat de herders tot elkaar zeiden: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het woord, dat er geschied is, hetwelk de Heere ons heeft verkondigd. De hemel is weer dicht. Ze gaan weer zitten rond hun vuurtje en wat zeggen ze tegen elkaar? ‘Mannen, wat was het toch mooi, hè? Wat hebben we toch genoten! Een engel gezien, hemelse legermachten en een boodschap van de Heere gekregen dat de Zaligmaker geboren is. Nou, daar kunnen we jaren mee vooruit!’ ‘Ja’, zegt een ander, ‘maar hieraan kun je wel zien, dat wij heel bijzondere kinderen van God zijn. Dit maak je toch niet vaak mee, zoals wij dat nu beleefd en meegemaakt hebben in deze donkere nacht.’ ‘Ja’, zegt een ander, ‘mijn hart werd zo geraakt en de tranen rolden over m’n wangen.’

En, ze bleven zitten…? Nee! Dat is van de mens. Zitten, rusten, genieten, maar zonder de Zaligmaker! Zitten, rusten en genieten, zonder de vervulling van Gods belofte. De herders hebben het Woord niet alleen bewonderd, er niet alleen over gepraat, maar ze hebben het Woord geloofd. De Heilige Geest bracht dat Woord tot diep in hun binnenste en paste het toe in hun hart en ze geloofden het.

Wanneer? Toen de engel sprak, toen God sprak. Want dat is Gods werk, het werk van de Heilige Geest. Ook hier in de kerk, als God spreekt en Zijn woorden toepast. Dan moet u niet aan het einde van de dienst zeggen: ‘En nu moet de Heere het nog toepassen.’ Nee, dat gebeurt hier als God spreekt. En als alles wat je er tegenin wilt brengen wegvalt. En God met kracht spreekt in je ziel en zegt (zoals hier): ‘Het is voor u. Voor u is heden geboren de Zaligmaker, Christus, de Heere!’

De herders geloven het woord. Waaruit blijkt hun geloof? Daaruit, dat ze er niet genoeg aan hebben aan wat ze gekregen en genoten hebben. Nee, ze moeten de Zaligmaker, ze moeten Jezus Zelf hebben. Het is een zegen om veel van de Heere te ontvangen. Als de Heere in je leven komt. Als zonde zonde wordt en schuld schuld.

Het is een zegen als je (terwijl je gebukt gaat onder je zonden), in de donkerheid van je ziel een straal van licht uit de hemel mag ontvangen. en mag zien dat er een weg is. Het is een zegen als Evangeliewoorden je hart raken. En de Heere je lokt en zegt: Kom tot Mij.

Het raakt je emoties, het verwarmt je hart. Maar het grote gevaar is, dat je daarop gaat rusten. Tevreden, zoals zoveel mensen, zoals zoveel kerkmensen, tevreden zijn.

Je zegt: ‘De Heere is in mijn leven gekomen en alles is anders geworden.’ En ik ben tevreden. Je zegt: ‘Ik heb mijn zonden leren zien en heb hartelijke berouw gehad.’ En ik ben tevreden. Je zegt: ‘Ik heb weleens een glimp opgevangen van de hemelse vreugde.’ En ik ben tevreden. ‘Ja’, zegt een ander, ‘ik heb zelfs een engel gezien.’ En ik ben tevreden.

En een volgende gaat nog verder en zegt: ‘Ik kan u precies de weg vertellen uit de donkere nacht van Efratha’s velden naar de kribbe in Bethlehem: rechtdoor, pas op, rechts liggen stenen (stoot je niet!), pas op die valkuilen. Dan rechtsaf, tweede weg links, tweede huis aan de rechterkant, aankloppen, binnengaan, knielen voor de kribbe. Zo brengt God een mens bij de kribbe...’

O, ja..? De weg geweten, verteld aan anderen, misschien anderen wel bekritiseerd, omdat ze op die weg drie keer verdwaald zijn en een grote omweg gemaakt hebben. De weg geweten, de weg verteld, de weg aan anderen voorgehouden. Maar de levensvraag is: Bent u ooit die weg gegaan? Of weet u die, zonder dat u hem ooit zelf gegaan bent? Pas op, lieve mensen, het is niet genoeg om de weg te weten. Dat is tekort voor de eeuwigheid!

Het ware, oprechte, echte geloof vindt houvast in het Woord. En gaat niet rusten. Het gaat niet zitten praten. Nee, het Woord brengt mensen in beweging! Kijk maar naar Maria. Nog maar nauwelijks heeft ze het woord van de Heere gehoord (Luk. 1:38-39) of er staat: En Maria opgestaan zijnde in diezelve dagen, reisde met haast naar het gebergte, in een stad van Juda (namelijk naar Hebron om Elizabeth te bezoeken). En hier zijn het de herders, die zonder uitstel zeggen: Laat ons dan heengaan naar Bethlehem en laat ons zien het woord, dat er geschied is. Geen twijfel mogelijk, het is gebeurd, het woord dat de Heere (niet een engel, maar de Heere) ons heeft verkondigd (vers 15).

Is dat een eenvoudige weg? Nee. Je schapen alleen laten in het holst van de nacht? Naar Bethlehem gaan? Ja, maar waar moeten we dan zijn? In welk huis? En vooral, op bezoek gaan bij de Messias in je werkplunje? Dat kan toch niet? Duizend en één bezwaren zijn er, maar ze gaan. Het Woord zet hen in beweging. Het geloof gaat een onbekende weg, maar het gaat. Als blinden geleid, zegt de Bijbel, door de weg die we niet geweten hebben (Jes. 42:16).

Hoe dat komt? Omdat de Heilige Geest hen het Woord influistert: ‘Toe nu, ga nu maar. Het Woord is waar. Zou God het zeggen en niet doen, spreken en niet waarmaken? Zou voor Hem iets te wonderlijk zijn? Zijn Naam is toch Wonderlijk? De dingen die u door de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden!’ En dus is het Woord waar! U is heden geboren de Zaligmaker. Het is waar voor u, herders!

En dan? Alles wat ze hadden en alles wat genoten hebben, is weg. Maar dan vallen ook al hun bezwaren weg. Als de Geest Zelf hun uitziende, zoekende en verwachtende harten geloof geeft. Hun hart veroordeelt hen ongetwijfeld. Maar het wordt door God Zelf in beweging gezet. En dus zeggen ze: ‘Kom, we gaan naar Bethlehem. Laat ons zien het woord, dat er geschied is.’

Zijn er zulke mensen onder ons? Misschien had u wel veel van de Heere gekregen. Maar uiteindelijk bent u het allemaal kwijtgeraakt. En nu is er niets anders overgebleven dan een arme zondaar, die alles verknoeit en verzondigd heeft. De Heere heeft Zijn woorden wel in u hart gelegd, maar u kan ze zo moeilijk geloven. Maar toch…, dat Woord zet uw hart in beweging. Als de Geest ook vanmiddag fluistert: ‘Kom en zie, zoekende en verwachtende harten: voor u is heden geboren de Zaligmaker. Voor u. Het is ook voor u’

De herders, ze hebben het Woord gehoord, en ze hebben het ook geloofd. En nu, in de derde plaats:

3. De herders hebben het Woord gezien.

Want ze gaan. Met grote haast! Na alles wat er geweest is in hun leven, komt er haast bij die mannen. Haast om de Zaligmaker te vinden. Na alles wat er geweest is in je leven (je bent het allemaal weer kwijt geraakt), komt er haast om de Zaligmaker te vinden.

Wat dat, gemeente, is wat je nodig hebt. Niet dat je weet dat er een Zaligmaker geboren is. Niet dat je weet waar Hij te vinden is. Dat alleen is niet genoeg. Je moet Hem Zelf vinden voor je eigen hart en leven. Want wie Hem vindt, die vindt het leven.

Ze gaan met haast, zich vasthoudend aan het Woord. En, vers 16, zij vonden Maria en Jozef en het Kindje liggende in de kribbe. Ze vinden het Kind liggend in de kribbe. En dus is het teken waar. En dus is het Woord waar! De dingen die hen van de Heere gezegd zijn, worden volbracht. Gods belofte wordt immers altijd vervuld.

Zij vonden Maria en Jozef en het Kindeken liggende in de kribbe. Wat een blijdschap, wat een vreugde. Ze zien(!) het Kind in de kribbe En dus is het Woord waar. Namelijk dit woord: Hij is voor ons geboren.

En zo buigen die stoere kerels eerbiedig en vol verwondering neer bij de kribbe. Het Woord is waar, de Heere heeft het Zelf gezegd. Het Woord is waar, ook voor mij! De Zaligmaker voor mij!

Dan, lieve mensen, komt er pas echt rust in je leven, een andere gang, een vast fundament. Als Heere je brengt bij de kribbe. Als Hij je brengt bij het kruis. Want er loopt één rechte lijn van de kribbe naar het kruis! Als de Heere je daar brengt, dan (zeker dan is er nog veel te leren), maar dan komt er een andere gang in je leven, een vaster fundament. Als de Geest je met haast brengt, op je knieën, bij de kribbe, bij het kruis.

En als je dan in de kribbe en in het kruis, als in een spiegel iets ziet van de diepte van je eigen verlorenheid. Dit moest om mij te redden. Dit moest voor mij… En als je dan tegelijkertijd door het geloof, in de kribbe en in het kruis, iets mag zien van de onnaspeurlijke rijkdom van de liefde van Christus. Die wilde komen in deze wereld en Die Zich overgaf tot de dood van het kruis. Voor mij… Als je iets in de kribbe en in het kruis mag zien van de liefde van de Vader, Die Zijn enig geliefde Zoon overgaf. Voor mij… Als je, buigend bij de kribbe en aan de voet van het kruis, iets mag zien van de genade van de Heilige Geest, Die ondanks dat Hij niet welkom was in mijn leven, toch plaats heeft gemaakt voor Christus in de beestenstal van mijn hart. In mij… Dan blijft er niets beJG@%vZLZB1d3a2qOmVvH anders over dan wat staat in vers 17: En als zij Het (Kind) gezien hadden, maakten zij alom bekend het woord, dat hun van dit Kindeken gezegd was. Dat brengt ons bij ons vierde punt:

4. De herders hebben het Woord geprezen.

Wat gaan ze vertellen? Hun wonderlijke ervaringen? Wat zij meegemaakt hebben? Hun uitzien, van hun verlangen? Nee. Ze maakten alom bekend het woord(!) dat hun van dit Kindeke gezegd was. En wat was dat woord? Dit: namelijk, dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids.

Er blijft, ook in de dankbaarheid maar één ding over: het Woord van de Heere. Wat de Heere tegen ons gezegd heeft over dit Kind. Zo wordt God geprezen, en niet ik. Zo wordt Zijn lof vergroot, en niet de mijne. Zoals kort hiervoor de engelen zeiden: Ere zij God(!) in de hoogste hemelen.

En als er ooit een moment is, om de lof van de Heere te bezingen dan is het hier, waar mijn verloren ziel buigt bij de kribbe in Bethlehem, waar mijn verloren ziel bukt aan het kruis op Golgotha. Als je alles van jezelf hebt verloren en bent kwijtgeraakt, als je als een arm zondaar bij de kribbe, bij het kruis gebracht bent. Nee, dan is het niet zo, dat je daar alles terugkrijgt, wat je eerder bent kwijtgeraakt. Maar dan komt er wel blijvend een andere koers, een ander doel in je leven. Dan zeg je met Maria: Mijn ziel maakt groot de Heere en mijn geest verheugt zich in God, mijn(!) Zaligmaker.

Dan wordt het waar wat de Catechismus van Westminster zegt: Het hoogste doel van de mens (daarvoor is de mens geschapen) is om God groot te maken. Want, als je zo gebracht wordt en mag buigen bij de kribbe en bij het kruis, dan gaat het niet meer om mij, maar dan gaat het om Hem. Dan zeg je tegen anderen: Kom, maak God met mij groot. Dat doen de herders ook. Ze maken alom bekend het woord. Iedereen mag het weten en straks gonst het in heel Judea: De Zaligmaker is geboren, Christus de Heere, in de stad van David. Luister, mensen, naar dit blijde geboortebericht. Bestemd voor héél het volk. Er is een Zaligmaker beschikbaar, ook voor u. Bent u arm. Hij is beschikbaar voor mensen zoals u. Bent u verloren. Hij is beschikbaar voor mensen zoals u. Bent u vol zonde en schuld. Hij is beschikbaar, juist voor mensen zoals u.

En, vers 18, allen. Let op: Allen! Schrik. Aangrijpend!

Allen(!) die het hoorden, verwonderden zich over hetgeen hun gezegd werd van de herders. En dat kunt u ook doen, als u na de preek zo meteen weer naar huis gaat. U verwonderen en zeggen: ‘Wat is het toch wonderlijk!’ Dat God een welbehagen heeft gehad in mensen. Dat God Zijn Zoon gezonden heeft in deze wereld. Wat is het toch wonderlijk, dat de hemel even openging. Heel bijzonder! Allen, staat er, verwonderden zich. ’t Was een mooie kerst. Vol van zoveel wonderlijke dingen.

Maar…, wie van u gaat er mee naar Bethlehem? Wie laat ook alles van zichzelf achter? Wie vernedert zich ook diep, tot het niveau van een beestenstal? Wie wil er ook als een arme zondaar bukken voor de geboren Hemelkoning?

Komt, verwondert u hier, mensen? Ja, dat is een mooi gezang. Maar dat is niet genoeg. Kom, ga met ons en doe als wij! Kniel eerbiedig voor Hem neer. Zeggend en gelovend met de herders: U bent ook mijn Heere en mijn God.

En, staat er in vers 20, de herders keerde wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles, wat zij gehoord en gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was. Wij roemen in God. en prijzen het onfeilbare Woord. Want we hebben het zelf uit Gods mond gehoord.

En toen…? Toen (ik hoop en bid dat u dit zegt), toen ging ook ik met haast. Toen vluchtte ook ik tot Jezus. Hij heeft mij gered. Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet. Mijn heil en mijn vreugde, mijn leven werd Hij. Ik boog me en geloofde, en God sprak mij vrij!

Amen.

Slotzang Psalm 56: 5 en 6:

Ik roem in God; ik prijs 't onfeilbaar woord; Ik heb het zelf uit Zijnen mond gehoord; 'k Vertrouw op God, door gene vrees gestoord; Wat sterveling zou mij schenden? Ik heb beloofd, wanneer G' in mijn ellenden Mij bijstand bood, en 't onheil af zou wenden,

Tot U, o God, mijn lofzang op te zenden, Door ijver aangespoord.