Dankdag - 5 november 2026
Handelingen 14:15: En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is.
INLEIDING
In Lystre genezen Paulus en Barnabas een verlamde man, waarna de bevolking hen voor goden aanziet en offers wil brengen. De dank gaat naar de verkeerde. De apostelen roepen op tot bekering tot de levende God, Die hemel en aarde maakte en regen en vruchtbare tijden gaf. Dankdag is geen ruilhandel met de Heere: Hij vraagt het hart, geen gaven. Dat hart is zondig, maar in Christus, Die voor zondaars stierf, geeft Hij een nieuw hart dat Hem leert danken.
Voor wie is de dank op deze dankdag?
HANDELINGEN 14:8-15
8 En een zeker man te Lystre zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.
9 Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende en ziende dat hij geloof had om gezond te worden,
10 Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten. En hij sprong op en wandelde.
11 En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stemmen en zeiden in het Lycaónisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden en tot ons nedergekomen.
12 En zij noemden Bárnabas Júpiter en Paulus Mercúrius, omdat hij het woord voerde.
13 En de priester van Júpiter die vóór hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.
14 Maar de apostelen Bárnabas en Paulus dat horende, scheurden hun klederen en sprongen onder de schare, roepende,
15 En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Handelingen 14:15
THEMA
Voor wie is de dank op deze dankdag?
AANDACHTSPUNTEN
Jongens en meisjes, Paulus en Barnabas zijn op reis, op zendingsreis. De Heere heeft ze gestuurd om mensen, die nog nooit van Hem gehoord hebben, over Hem te gaan vertellen. En vandaag komen ze aan in een stad die Lystre heet (ergens in Turkije). En daar verkondigen ze het Evangelie. Daar vertellen ze dat de Heere Jezus naar deze aarde kwam, dat Hij leed en stierf aan het kruis en dat Hij opstond uit de dood, om het weer goed te maken tussen zondige mensen en de levende God.
Eén iemand is er, die wel heel goed naar Paulus luistert. Het is een verlamde man, die zijn leven lang al niet kan lopen. Als Paulus hem doordringend aankijkt, ziet hij dat die man gelooft dat Paulus hem beter kan maken. En dan zegt Paulus met grote stem, heel hard en duidelijk: ‘Sta recht op uw voeten’. En dan springt hij op. Hij kan voor het eerst in zijn leven lopen!
De mensen zijn stomverbaasd. Wat gebeurt hier? Wie zijn deze mannen? Ineens begint iedereen hard te praten. Maar Paulus en Barnabas kunnen het eigenlijk niet verstaan. Ze praten namelijk in een vreemde taal, in het Lycaónisch. Maar wat ze zeggen is: ‘De goden zijn de mensen gelijk geworden en naar ons toe gekomen. Mensen, deze twee mensen zijn goden! Bárnabas is eigenlijk de god Júpiter en Paulus is eigenlijk de god Mercúrius (want hij is degene die steeds praat). De goden zijn naar ons toegekomen!’ ‘Nou, dan moeten we ons beste beentje voorzetten. Dan moeten we heel goed ons best doen. Dan moeten we het niet verprutsen. Anders worden we misschien wel gestraft.’
Dat hadden Paulus en Barnabas eerst helemaal niet begrepen. Want ze konden de vreemde taal van die mensen niet verstaan. Maar dan ineens zien ze het gebeuren. En dan begrijpen ze wel wat er aan de hand is. Ineens zien ze, staat in vers 13, de priester van Júpiter aankomen met stieren en kransen om die samen met de mensen aan Paulus en Barnabas te offeren. Alsof zij de goden zijn!
Maar dat is niet goed, toch? Want wie heeft die kreupele man genezen? En wie geeft de mensen in Lystre (en ons) alle andere goede dingen? Wie doet dat allemaal? En Wie geeft dat allemaal?
Niet Jupiter, niet Mercurius, die de mensen ‘goden’ noemen, maar die eigenlijk helemaal niet bestaan. Wie doet dat dan wel? En Wie geeft dat dan wel? De levende God. Dus, ze gaan de verkeerde bedanken: goden die niet bestaan.
Daarom gaat de preek vanmorgen over de vraag: Voor wie is de dank op deze dankdag?
We letten op twee dingen. Op: 1. Dank aan de verkeerde 2. Dank aan de levende God
Als eerste dus:
Stel je voor, jongens en meisjes, oma heeft je beloofd: ‘Jij krijgt van mij een heel mooi cadeau. Maar, je weet, ik ben oud, ik kan het zelf niet komen brengen. Ik stuur het op, met de post.’ Goed opletten dus, wanneer de postbode komt… En dan gaat de bel. Daar staat de postbode met jouw cadeau van oma. Je rent op de postbode af, geeft hem een dikke knuffel, en zegt: ‘Lieve postbode, ik hou van u, dankuwel, voor mijn mooie cadeau!’ Nee, dat is de verkeerde, man! Dat cadeau is niet van de postbode, maar van oma.
Dat gebeurt er ook in Lystre. De mensen gaan de postbodes bedanken, de mannen die de boodschap brengen van het Evangelie van de Heere Jezus Christus. En dus willen ze offers gaan brengen aan Paulus en Barnabas. Daarom komt de priester van de god Jupiter (van de god Zeus) aanzetten met beesten om die te slachten. En die stieren hebben bloemenkransen om gekregen, en de priester en de mensen misschien ook wel. Het is een feestelijke optocht die moet eindigen in een dankfeest met offers voor Paulus en Barnabas. Mensen, denken ze, laten we echt ons best doen. En de goden bedanken met…? Met dingen van ons. Met onze dieren en met onze bloemen.
In al het gepraat van zojuist, in die vreemde taal, hadden Paulus en Barnabas niet door wat de mensen zeiden. Maar nu is duidelijk: de mensen denken dat wij goden zijn. Ineens hebben Paulus en Barnabas het door: Ze willen ons offers brengen. Ze willen ons bedanken. Maar dat is dank aan de verkeerden!
Dát is niet de bedoeling van Paulus en Barnabas. Ze willen juist dat de mensen gaan ophouden met het dienen van die afgoden. En dat ze zich gaan bekeren tot de Heere. En dus, wat doen Paulus en Barnabas?
Als ze horen dat de mensen denken dat zij goden zijn, dan scheuren zij, zegt vers 14, hun kleren. Als teken van groot verdriet. En ze springen tussen de mensen en roepen (zegt vers 15): ‘Mannen, waarom doet u deze dingen? Wij zijn ook mensen net als u. Wij zijn heel gewone mensen. We zijn juist bij u gekomen om u te vertellen dat u zich van deze verkeerde dingen zou bekeren tot de levende God.’
U moet u gaan bekeren. U moet u gaan afkeren, u moet weggaan van wat u nu denkt en doet. Wát denken ze? Wát doen ze? Ze proberen hun best te doen en de goden te bedanken, in de hóóp dat de goden hun verkeerde dingen zullen vergeten. Even goed over nadenken…: Ze proberen hun best te doen en de goden te bedanken, in de hóóp dat de goden hun verkeerde dingen zullen vergeten.
Dat herken je, denk ik, wel. Stel je voor: Je moet nablijven op school. Omdat je iets verkeerds hebt gedaan. En wat ga je doen? Je gaat ineens heel erg je best doen. Je gaat ineens heel lief en ijverig doen, om het goed te maken. In de hoop dat de meester of de juf zegt: ‘Omdat jij zo goed je best doet, hoef je niet na te blijven.’
Iets wat wij óók kunnen denken, als we aan de Heere denken. ‘Ik heb tot nu toe wel heel erg veel verkeerde dingen gedaan tegen de Heere. Laat ik maar heel erg mijn best gaan doen, om te laten zien dat ik het ook anders kan. Weet je wat? Ik ga vandaag heel veel aan de Heere geven. Ik ga vandaag heel erg dankbaar zijn. Dan komt het misschien weer goed…’ Kan dat zo? Komt het zo echt weer goed?
Wat krijgt jouw oma voor dat mooie cadeau dat ze aan jou gegeven heeft? Geef je haar daar een mooi cadeau voor terug? Heeft ze dat nodig? Of geef je haar een lieve knuffel en een zoen op haar wang? En zeg je: ‘Oma, ik hou zoveel van u?’ Ja, want oma wil graag dat je van haar houdt. Weet je, dat is ook wat de Heere wil. Niet dat we allerlei dingen gaan doen om het weer goed te maken tussen de Heere en ons hart. Niet dat we heel veel gaan geven om het weer goed te maken. Maar de Heere wil graag dat we weer van Hem gaan houden. Hij wil ons hart. Hij wil dat we Hem weer lief gaan hebben.
Nou, dan moet je dát maar proberen, toch? Ja? Lukt dat? Kan je dat van jezelf? Nee, want ons hart is vol zonde, en we houden eigenlijk meer van onszelf dan van de Heere God.
En dus zegt Paulus tegen de mensen in Lystre (ook tegen ons): ‘Bekeer je van al je ijdele dingen!’ Bekeer je van dat verkeerde denken en van al die dingen waar je zoveel van
houdt en waar je zoveel tijd aan besteedt. Maar het zijn allemaal dingen die verdwijnen. Ze zijn ijdel. Ze zijn als een zandkasteel dat je bouwt op het strand, maar als de golven komen, stort het in en verdwijnt.
Zó kan je ook vandaag de Heere niet danken. Door ineens heel veel goede dingen te gaan doen. Of door ineens heel veel aan de Heere te gaan geven. In de hoop dat de Heere dan je zonden zal vergeten.
Zó kan je vandaag de Heere niet danken. Zo wil de Heere het niet. Paulus zegt: Bekeer je. Stop daarmee, ga anders doen en ga anders denken. En (hij zegt er nog iets bij): Bekeer je tot de levende God, Die de hemel en de aarde gemaakt heeft.
Dus, jongens en meisjes, dat geldt ook voor ons: Stop met verkeerde dingen doen. Probeer het niet goed te maken door iets wat je zelf bedenkt. Maar… ga terug naar de Heere, Die je gemaakt heeft. En vraag Hem om vergeving van al je zonden. En dank Hem voor alles wat Hij je (ook het afgelopen seizoen) gegeven heeft.
En zo komen we bij het tweede punt van de preek: Dank aan de levende God. Maar we gaan eerst zingen uit Psalm 147 het vierde vers: Zingt beurtelings, en dankt de HEERE; Zingt psalmen onze God ter ere, Die God, die, voor het oog der volken, De heem'len dekt met dikke wolken, Die d' aarde kroont met gunst en zegen En haar besproeit met vruchtb're regen, Die 't gras door mild' en frisse droppen, Doet groeien op de heuveltoppen.
Gemeente, jongens en meisjes, het gaat vanmorgen op deze dankdag over: Dank aan de levende God. We hebben het eerst gehad over: Dank aan de verkeerde.
En nu gaan we verder met ons tweede punt:
De mensen in Lystre denken: de goden (Jupiter, Mercurius) hebben iets heel bijzonders voor ons gedaan. Nou, dan gaan wij iets heel bijzonders terug doen. En dus komt de priester van Jupiter al aan met een paar dikke stieren met mooie bloemenkransen, om die te geven aan hun goden. Zij doen iets voor ons? Nou, dan doen wij iets voor hen. Zij geven dit aan ons? Nou, dan geven wij dat aan hen.
Dat kon je toen denken, maar dat kan je ook nu denken. De Heere zorgde afgelopen tijd heel goed voor me? Hij gaf me eten, drinken en kleren, en Hij hielp me op school? Nou, dan geef ik vandaag iets terug aan de Heere. En dan beloof ik vanaf nu beter mijn best te zullen doen. En dan hoop ik… dat de Heere mijn zonden gaat vergeten.
Nee, zegt Paulus, zo wil de Heere dat niet. Nee, zegt de Heere, zo kan je geen dankdag houden. Hoe dan wel? Hier in de Bijbel staan daar een paar dingen over:
a. Paulus zegt als eerste: Breng je dank aan de levende God. Dus nu je hier vandaag bent om dankdag te houden, denk dan eerst eens rustig na over wie jij bent. En over Wie de Heere is. Hij is de levende God, Die nooit begon en Die nooit zal ophouden, Die altijd zal blijven. En daar tegenover zijn jij en ik piepkleine mensjes. God is zo groot! En wij zijn zo klein!
Denk maar aan de zee, aan het strand. Je kunt een emmer water uit de zee scheppen. Dan heb je een emmer vol. Dat lijkt heel veel, maar is de zee dan leeg? Nee, natuurlijk niet! De zee is zó groot! En dat kleine emmertje water is maar zo weinig. Zo is het ook met de Heere en met ons. De Heere is oneindig groot, nog veel groter dan die eindeloze zee. En wij zijn maar zo klein, net als dat beetje water in die emmer.
b. Paulus zegt: Breng je dank aan de levende God, Die (dat is het tweede wat hij zegt) gemaakt heeft de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is. De Heere heeft alles gemaakt, ook ons. En dus is alles van Hem. Heeft Hij ons nodig? Heeft Hij iets van onze spullen nodig? Nee, wij hebben Hem nodig. En alles wat Hij ons geeft. Altijd, iedere dag weer. Doe maar eens je hand op je borst. Voel je dat? Je ademt, de hele dag, en de hele nacht ook. Heb je vanmorgen de Heere gevraagd of je mocht ademen?
Nee, dat heb je niet gedaan, ik ook niet. Maar toch geeft de Heere je adem. En Hij geeft dat iedere dag weer. Dus, als we nu op dankdag terugkijken, dan zien we dat de Heere er altijd voor ons was. Dat Hij altijd voor ons gezorgd heeft. Toen alles gewoon was, maar ook toen het moeilijk was. Geen moment liet de Heere ons los. Heb je al leren fietsen? Papa houdt je vast… Maar als hij je loslaat? Wat gebeurt er dan? Dan val je. Als de Heere ons losgelaten had (en dat hadden we zeker verdiend), dan waren we er niet meer geweest. Maar we zijn er nog. Jeremia zegt: Het zijn de goedertierenheden van de HEERE, dat wij niet vernield zijn, omdat Zijn barmhartigheden geen einde hebben (Klaagl. 3:22Cheth. Het zijn de goedertierenheden des HEEREN, dat wij niet vernield zijn, dat Zijn barmhartigheden geen einde hebben;).
c. Breng je dank aan de levende God, zegt Paulus. Die gemaakt heeft de hemel en de aarde en de zee en alles wat daarin is en (dat is het derde, wat staat in vers 16; ik zeg het even met mijn eigen woorden): Die altijd zo geduldig met zondige mensen omgegaan is. Hoewel zij Hem niet dienden, maar de afgoden. Hoewel wij Hem niet zochten, maar druk waren met nutteloze dingen. Toch heeft de Heere altijd Zijn goedheid aan hen en ook aan ons laten zien: goed doende van de hemel. Daar kwam alles vandaan. Niet van afgoden of van onszelf, maar uit de hemel, van God.
Wat allemaal dan? Paulus zegt: de zegen van de regen. Ook bij ons. Ja, want wat had het deze zomer lang niet geregend. En wat was het land droog. Je hebt het gele gras vast wel gezien. Misschien liep je zelf wel met een gieter door de tuin. En toen? Wat zei de Heere toen? Zei Hij toen: ‘Luister eens goed, je gaat eerst maar eens goed je best doen, en dan komt er regen?’ Nee, ondanks al onze zonden kwam er op Gods tijd regen uit de hemel. Die regen kwam niet omdat jij je best deed. Dat was de goedheid van de Heere! En door die regen ging alles op het land weer groeien en was er eten en drinken.
En zo kwam er (staat in vers 17) ook de zegen van vruchtbaarheid. Zo kwam onze mond weer vol eten. En zo werd ons hart weer vrolijk. En toen? En nu? Waaróm, denk je, heeft de Heere al die dingen aan ons gegeven? Was dat met de gedachte: Hier, alstublieft, dat is voor u en voor jou. Ga maar lekker gewoon door met wat je doet en laat? Met je eigen dingen?
Nee, de Heere gaf dat met een ander doel. Met het doel dat je je zou bekeren. Dat je naar de Heere toe zou gaan. En zou zeggen: ‘Heere, dit is zo veel, dit heb ik allemaal niet verdiend. Het zijn Uw goedertierenheden, dat ik niet vernield ben. Het zijn Uw barmhartigheden, dat ik er nog ben. Heere, U bent zo goed voor mij geweest, maar ik ben niet goed voor U geweest. Ik heb mijn oma een knuffel gegeven. Niet alleen om het mooie cadeau, maar vooral omdat ze zo lief voor me is. En omdat ik zoveel van haar houd.
Maar ik ben U zo vaak vergeten. Omdat, Heere…, mijn hart veel meer houdt van alle dingen die ik van U krijg, dan van Uzelf.’
‘Ik ben van U weggelopen. Ik heb zo vaak niet aan U gedacht. Ik ben U zo vaak vergeten. U riep me wel: ‘Bekeer je tot Mij’, maar tot nu toe ben ik alleen maar meer en verder weggelopen. En bij alles wat ik krijg, denk ik zo vaak: mooi, dat is voor mij. Zonder U de eer te geven.’
Jongens en meisjes, hoe moet dat toch? Hoe moet dat toch goed komen? Hoe moeten we toch dankdag houden, met dit hart van ons? Dat zandkastelen bouwt, dat bezig is met eigen dingen. En dat de Heere zo veel en zo vaak vergeet. Terwijl Hij ons ook nu weer regen en vruchtbare tijden gegeven heeft, en onze harten (zegt Paulus) vervuld heeft met eten en vrolijkheid.
Jongens en meisjes, hoe moet dat toch? Hoe moet dat toch goedkomen? Hoe moeten we toch dankdag houden, met dit hart van ons? Er is maar één oplossing. Je weet het. Maar ik vraag je, ik bid je: denk er vandaag toch eens écht over na. Ga straks als je thuis bent naar een stil plekje in huis. Buig je knieën, vouw je handen, doe je ogen dicht en bid. Om dit, wat ik je nu ga vertellen.
Want dan alleen zul je echt gelukkig worden. En dan alleen zal je Schepper, Die je gemaakt heeft en iedere dag voor je zorgt, de eer krijgen die Hij moet krijgen. De goden kwamen niet naar de mensen – want goden bestaan niet. Er is maar één levende God. Die Zijn Zoon, de Heere Jezus, uit de hemel naar de aarde stuurde. Hij werd mens. Net als wij, een mens van vlees en bloed, met een gewoon lichaam zoals wij. Maar toch was Hij ook helemaal anders. Hij had geen zonde. En Hij gaf altijd van alles de eer aan Zijn Vader, de levende God. Wij doen dat niet, maar Hij deed dat wel. En wat deed de Heere Jezus uiteindelijk aan het eind van Zijn leven? Uiteindelijk leed en stierf Hij aan het kruis. Waarom? Om zonden te vergeven van mensen zoals wij. Die bezig zijn met zinloze dingen, met dingen die alleen maar tijd kosten, maar geen nut hebben voor ons hart. Die alles van de Heere krijgen, maar in hun hart niet echt dankbaar zijn.
De Heere Jezus stierf aan het kruis voor zondaars. Hij gaf Zijn leven uit liefde voor Zijn vijanden. Voor mensen die zichzelf en de afgoden dienen. Voor mensen zoals ik en jij… En dus? Wat ga je zeggen, als je nu stilletjes bidt? En straks, als je op je kamer bidt?
Zeg dan dit maar tegen de Heere: ‘Heere, U zegt tegen mij: Bekeer je tot Mij. Stop met al die verkeerde dingen. En kom naar Mij toe. Heere, hier ben ik. Mijn probleem is mijn zondige hart. Door mijn zonden houd ik meer van mezelf dan van U.
En nu vraagt U op deze dankdag aan mij: niet om allerlei dingen aan U te geven, als dank voor alles wat U aan mij gegeven hebt. Want U hebt helemaal niets van mij nodig. Maar U vraagt wel liefde aan me. U vraagt mijn hart. Maar, Heere, mijn hart is een slecht hart. Maar omdat U het van me vraagt, geef ik het toch aan U. Want U wilt het hebben. Hier is, Heere, mijn slechte hart! U kunt en wilt dat verkeerde hart van mij toch helemaal veranderen? Levend maken, nieuw maken? Zodat het eindelijk gaat kloppen van liefde, warmte en dank voor U?’
Als je zo de Heere gaat bidden en danken, dan wil de Heere dat aan je geven, jongens en meisjes. Dan geeft de Heere je een nieuw hart. En liefde in je hart voor Hem. Dan ga je vandaag niet van alles doen en van alles geven, om met de Heere te ruilen: voor alles wat Hij gaf, geef jij wat terug… Maar dan dank je de Heere, op je knieën, diep gebogen voor Hem: ‘Dank U, Heere, voor alles. Ik kan U niets teruggeven. Want van mezelf heb ik niets. Ik dank U voor regen, voor eten, voor drinken, voor kleding, voor thuis, voor school. Zelfs toen dingen moeilijk waren, deed U het niet verkeerd. Ik dank U vooral voor Uw lieve Zoon, de Heere Jezus Christus, Die alles wat Hij had (Zijn leven, Zijn liefde en Zijn hart) gaf voor zondaars, zoals ik ook ben.’
Dan, jongens en meisjes, dank je niet verkeerd. Dan dank je niet jezelf. Maar dan dank je onze goede God, de levende God. Niet met stieren en bloemenkransen. Maar diep gebogen, met een schuldig hart, en verwondering en met heel veel liefde: ‘Heere, lieve Heere, levende God, U bent zo groot en U bent zo goed. Ik heb U zo lief. Ik hou zoveel van U. Omdat U zoveel van mij houdt. En ook omdat U het afgelopen seizoen zo goed voor mij gezorgd hebt.’
Geef dank en eer, jongens en meisjes, geliefde gemeente, aan de levende God alleen.
De drie-enige God, Hem zij alle eer.
Amen.
Slotzang Psalm 116:1,10,11
God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen.
Ik zal Uw naam met dankerkentenis Verheffen, U al mijn geloften brengen.
Ik zal met vreugd in 't huis des HEEREN gaan, Om daar met lof Uw groten naam te danken.
Andere preken over Handelingen
Andere preken voor Dankdag