PREEK · VRIJE STOFFEN

Bloedvloeiende vrouw – Markus 5

10 augustus 2025

Markus 5:27-29: Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren en raakte Zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden. En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.

INLEIDING

Uit de grote menigte die de Heere Jezus vergezelt, richt Markus 5 onze aandacht op een onbekende, bloedvloeiende vrouw, die na twaalf jaar vergeefse genezing schuchter Zijn kleed aanraakt, waarna Jezus tot haar zegt: “Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede.” Deze leespreek over Markus 5 volgt haar bedekte, beproefde en bekroonde geloof, en toont dat wie met lege handen tot Christus vlucht, nooit beschaamd zal uitkomen.

THEMA

Het geloof van de bloed vloeiende vrouw.

KERNPUNTEN

  1. Bedekt geloof
  2. Beproefd geloof
  3. Bekroond geloof

MARKUS 5:21-34

21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zijde, vergaderde een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee.
22 En zie, er kwam een van de oversten der synagoge, met name Jaïrus; en Hem ziende, viel hij aan Zijn voeten,
23 En bad Hem zeer, zeggende: Mijn dochtertje is in haar uiterste; ik bid U dat Gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.
24 En Hij ging met hem; en een grote schare volgde Hem, en zij verdrongen Hem.
25 En een zekere vrouw die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,
26 En veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was;
27 Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren en raakte Zijn kleed aan.
28 Want zij zeide: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, ik zal gezond worden.
29 En terstond is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.
30 En terstond Jezus bekennende in Zichzelven de kracht die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt?
31 En Zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet dat de schare U verdringt, en zegt Gij: Wie heeft Mij aangeraakt?
32 En Hij zag rondom, om haar te zien die dat gedaan had.
33 En de vrouw vrezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder en zeide Hem al de waarheid.
34 En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en zijt genezen van deze uw kwaal.

VOLLEDIGE TEKST

Bloedvloeiende vrouw – Markus 5

ds. J. IJsselstein - Markus 5:27-29

THEMA

Het geloof van de bloed vloeiende vrouw.

Gemeente, het Schriftgedeelte dat aan ons is voorgelezen schetst ons de terugkeer van de Heere Jezus uit Dekapolis, uit het Overjordaanse. Tegenwoordig is dat het grondgebied van Jordanië, aan de overkant van het meer van Galilea. Daar was een levende, die bij de doden in de graven woonde. Bezeten door legio duivelen. Toen Jezus hem ontmoette riep hij met grote stem: Wat heb ik met U te doen, Jezus, Gij Zone Gods des Allerhoogsten (7)? Maar op het machtswoord van Jezus is deze bezetene even later gekleed en wel bij zijn verstand. De duivelen zijn in de zwijnen gevaren en van de steilte in de zee gestort en verdronken.

En zij begonnen Hem, te bidden dat Hij uit hun landpalen wegging (17). Ze hebben wonderen van God gezien, en bidden: Heere, wilt U alstublieft weggaan. Ze hebben gezien dat God in anderen werkte, maar zelf zeggen ze: Heere, doet U dat bij mij maar niet. Ik zit hier op zich wel goed in de kerk, maar bekering? Gaat U mij maar voorbij…

En nu is de Heere Jezus weer teruggegaan naar de overkant van het meer. Lukas zegt: de schare ontving Hem, want zij waren allen Hem verwachtende (8:40). Voelt u het contrast? De ene bidt: gaat U alstublieft maar weg. De ander verwacht Hem en ontvangt Hem. Een grote schare zelfs. En toch is die verwachting in die grote schare heel verschillend. Heel veel mensen lopen mee, heel veel mensen zijn meelopers, gewoon, of om iets mee te maken. Maar in die grote menigte van mensen zijn er twee met een heel bijzondere verwachting. De één voornaam, de ander arm. De één welgesteld, de ander verstoten. De één gerespecteerd als publiek persoon, Jaïrus, de overste van de synagoge. De ander zich verstoppend in die grote mensenmassa.

De geschiedenis van deze beide mensen vormt eigenlijk één geheel. Beiden bevinden zich in een uitzichtloze situatie. Jaïrus, want zijn dochtertje ligt op sterven. De vrouw die zich verstopt houdt in de mensenmassa, want ze is ten einde raad.

Jaïrus treedt als eerste op de voorgrond. Hij valt aan de voeten van de Heere Jezus en bidt Hem zeer. Hij zegt: Mijn dochtertje, mijn kleine meisje is in haar uiterste, ze is stervende! Ik bid U, dat U komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.

En dan gaat die heel menigte van mensen met en rond Jezus met Jezus en Jaïrus mee, op weg naar zijn huis. En dan ineens duikt die tweede figuur op in dit verhaal. Die onbekende vrouw. Markus zegt: een zekere vrouw. Niemand weet wie ze is, dan die Ene die haar wel kent. De geschiedenis van die vrouw willen wij vanmorgen samen met elkaar gaan overdenken.

Uit het u voorgelezen Schriftgedeelte lees ik u alleen nog dat gedeelte voor, dat we als uitgangspunt willen nemen voor deze morgen. Markus 5:33, waar staat: En de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid.

Wij gaan met elkaar nadenken over: Het geloof van de bloed vloeiende vrouw. En ik wil de woorden van God, die in deze tekst tot ons komen, vanmorgen met u overdenken naar aanleiding van een drietal punten. Het thema is dus: Het geloof van de bloedvloeiende vrouw. We letten op drie aandachtspunten, op: 1. Bedekt geloof 2. Beproefd geloof 3. Bekroond geloof Als eerste dus:

1. Bedekt geloof

Laten we de geschiedenis van Markus op de voet volgen. Leest u maar mee in uw Bijbel. Jullie ook, jongens en meisjes. Probeer mee te lezen, mee te denken, en vraag je ook steeds af wat het Woord van God jou persoonlijk te zeggen heeft. Laten we beginnen vers 25 en 26 nog een keer te lezen. Markus schrijft (in vers 25 en 26): En een zekere vrouw, die twaalf jaren de vloed des bloeds gehad had, en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan ten koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was… Midden in de menigte die meeloopt met Jezus en Jaïrus, stuurt Markus ons oog naar een vrouw, een onbekende vrouw. Zij is niet zomaar een meeloopster, die met die grote groep mensen meeloopt, maar ze is gekomen met een doel.

Als eerste vertelt Markus wie ze is, of beter gezegd: wat er met haar aan de hand is. Twaalf jaar lang heeft ze last van (wat hier staat): de vloed des bloeds. Ze is niet zoals volwassen meisjes en vrouwen regelmatig een paar dagen ongesteld, maar ze verliest voortdurend bloed. Het kan zijn dat ze tijdens haar menstruatie extra veel bloed verloor, het kan ook zijn dat haar ongesteldheid gewoon bleef en niet stopte. En ze heeft daar alles aan gedaan. Twaalf jaar lang. En in al die jaren heeft haar ziekte haar verzwakt. Ondertussen heeft ze kosten noch moeiten gespaard om beter te worden. Markus zegt: ze heeft van al die dokters veel geleden, maar het is alleen maar erger geworden. Lukas, de dokter onder de evangelisten, zegt het (begrijpelijk) net iets anders. Je kunt van een dokter moeilijk verwachten, dat die zal zeggen dat deze patiënte, niet

alleen geleden heeft aan haar ziekte, maar ook aan de dokters. Hij spreekt Markus niet tegen, maar legt een ander accent: niemand had haar kunnen genezen.

Haar kwaal is ongeneeslijk. Misschien zit u ook zo wel in de kerk. Met een ongeneeslijke ziekte. U hebt het bericht van de dokter gehad: ongeneeslijk ziek, longkanker, borstkanker, darmkanker. En dus: chemokuren, bestraling. Lijden aan een misschien wel ongeneeslijke ziekte, en… aan dokters en behandelingen. Gemeente, bidt u voor deze gemeenteleden? Draagt u hun lijden mee? Als u het bent, die zo ziek bent, maar hier vandaag gelukkig nog bent of meeluistert, luistert u vanmorgen met extra aandacht mee?

Maar de kwaal van deze vrouw is niet alleen ongeneeslijk, maar ook op andere manieren is haar situatie uitzichtloos. Door al dat gedokter is ze ook al haar geld kwijtgeraakt. Maar haar kwaal heeft nog meer gevolgen. Door dat bloedverlies is ze ook onrein. We lezen in Leviticus 15 dat iemand die bloed vloeide onrein was. Niet alleen zijzelf, maar ook alles wat zij aanraakte. Ook alle mensen die zij aanraakte, werden onrein. Deze vrouw is iemand die niet mee kan doen. Ze kan niet naar de tempel, ze kan niet meegaan naar de grote feesten. Eigenlijk kan en mag ze ook helemaal niet hier onder de mensen zijn. Immers in al dat gedrang raakt ze jan en alleman aan. Al die mensen worden onrein door haar. Je begrijpt wel, jongens en meisjes, waarom die vrouw, zich min of meer stiekem ophoudt in deze menigte mensen. Ze heeft een kwaal waar je je voor moet schamen. Misschien ken je dat wel. Je hebt iets, er is iets, waarvoor je je schaamt. Waarvoor je niet mee durft te doen met gymnastiek, waardoor je niet mee durft gaan met zwemmen. Je verstopt je, je gaat mensen uit de weg. Je ben bang geworden voor mensen.

Ziet u het voor u? Die vrouw, die zich zo verscholen ophoudt in de menigte heeft alles goed gevolgd. Ze heeft Jaïrus gezien, die belangrijke man, die Jezus persoonlijk gevraagd heeft. En nu gaat Jezus ook persoonlijk met Hem mee. Dit is de Jezus van Wie ze gehoord heeft. Dat schrijft Markus ook, kijk maar in vers 27: Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan.

Ze heeft van Jezus gehoord. Maar hoe zal ze eigenlijk naar Hem toe kunnen gaan…? Het is het laatste wat overgebleven is, maar… met deze kwaal, kan je niet naar voren stappen. Met deze kwaal durf je niet naar voren te komen! Dan maar naar huis gaan? Dan maar teruggaan? Nee, dat kan ook niet. Haar geld is op, en haar kwaal is dodelijk. Mattheüs en Markus laten ons iets zien van de reden waarom ze niet terug gaat naar huis. Ze heeft er over gedacht en over gedacht…, en uiteindelijk heeft ze de laatste oplossing gevonden. Mattheüs schrijft: Want zij zei in zichzelven (ze zei tegen zichzelf): Indien ik alleenlijk Zijn kleed aanraak, zo zal ik gezond worden (9:21). Markus zegt in vers 28: Want zij zei: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden.

Als je goed leest in het Grieks zou je ook kunnen zeggen: zij zei keer op keer tegen zichzelf. Keer op keer zei ze tegen zichzelf: ‘Je moet gaan. Het kan niet anders. Er is geen andere mogelijkheid meer. Al raak je alleen Zijn kleed aan, dan zal je gezond worden.’ Aanraken? Ja, maar hoe dan? Dat ziet toch iedereen? Dan zal iedereen toch vragen: Hé, waarom doe je dat? Daarom zegt Markus in vers 27: zij kwam onder de schare van achteren. Dus, meisjes en jongens, die vrouw wringt zich stilletjes door de mensen heen, ongemerkt, ongezien, van de achterkant, en zo probeert ze de Heere Jezus te bereiken. Maar dan zo, dat Hij het niet ziet.

En als ze dan uiteindelijk heel dichtbij is: dan raakt ze het kleed van de Heere Jezus aan. Nee, niet zo opvallend, zoals je iemand met beide handen kunt vastgrijpen. Maar heel ongemerkt. Lukas schrijft: ze raakte de zoom van Zijn kleed aan. Onder aan het kleed van de Israëliet zaten vier kwastjes van stof. Die moesten de Israëlieten herinneren aan de wet van God. En je kunt je voorstellen, al lopend slingeren die kwastjes wat heen en weer. Ze bukt... Raakt een van die kleine kwastjes aan... En dan ineens. Ze voelt het: ze is genezen! Ze is gezond. Haar kwaal, eigenlijk staat er: haar gesel, die is weg. Kijk maar naar vers 27: Deze van Jezus horende, kwam onder de schare van achteren, en raakte Zijn kleed aan. Want zij zei: Indien ik maar Zijn klederen mag aanraken, zal ik gezond worden. En terstond (direct!) is de fontein haars bloeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam, dat zij van die kwaal genezen was.

U voelt, en jullie jongelui begrijpen, dit is niet zomaar een mooi verhaal. Het is een geschiedenis met een betekenis. Markus schetst niet voor niets de kwaal van deze vrouw, haar gesel (zoals er eigenlijk staat), en hij beschrijft ook niet voor niets haar komst tot Jezus. Daarom heb ik de eerste gedachte ook genoemd: verborgen geloof.

Deze vrouw laat ons iets zien van het gaan van een zondaar tot Jezus, als Redder en Zaligmaker van zondaren. De Heere Jezus heeft het Zelf gezegd: Die gezond zijn hebben de medicijnmeester (de dokter) niet nodig. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering. (Markus 2:17) De ziekte van deze vrouw is op verschillende manieren een beeld van de zonde. En haar komen tot Jezus toont iets van het ware geloof, dat weliswaar schuchter en beschaamd, maar toch door niets en niemand tegen te houden is, in het gaan naar Christus.

De ziekte van deze vrouw is op verschillende manieren een beeld van de zonde. Haar ziekte ontneemt haar alle energie en kracht. Die sloopt haar lichaam. En die berooft haar portemonnee. Maar haar ziekte maakt haar boven alles onrein. Uitgesloten van mensen, uitgesloten van de dienst van God. Is dat niet ten voeten uit ook de tekening van de zonde? Maakt de zonde ons leven niet stuk? Heeft de zonde niet alles stuk gemaakt in uw leven? Waarom treft u tegenspoed? Is het niet om onze zonde? Waarom is er in uw en mijn leven zorg en verdriet? Het is om onze zonde.

En maakt de zonde ook geen scheiding tussen mensen? Waarom is er verwijdering in uw gezin, in uw familie, in de kerk misschien wel? Is het niet door de zonde?

En die zonde, van ons allemaal, heeft vooral en in de eerste plaats scheiding gemaakt tussen God en ons hart. Ons kwaad, begonnen in het paradijs, heeft onze relatie met God verbroken. Totaal. We zijn onrein en kunnen en mogen niet meer in Zijn tempel komen. We kunnen voor God niet meer bestaan. Wie van ons kan God zien en leven? God is voor ons een verterend vuur, een heilig God, een God die te allen dage toornt. Hij toornt over uw en mijn zonden. Hij toornt over uw en mijn vijandschap, over uw en mijn onwil en onvermogen om het goede te doen. Gemeente, jongelui, onze kwaal is dodelijk, net als bij deze vrouw.

Twaalf jaar lang heeft ze getobd, gevochten om beter te worden. Hoelang vecht u al tegen de zonde? Hoelang probeert u al die zonde uit uw leven uit te bannen? Misschien zegt u: Eigenlijk is dat in mijn leven helemaal niet zo. Zo voel ik dat niet. Ik weet wel dat ik een zondaar ben, ik geloof het wel, maar ik ervaar dat helemaal niet als zo’n dodelijke kwaal. Denk eens na, voor jezelf, jongelui, als dat zo is. Door de zonde is alles stuk, door de zonde ben je niet meer in staat om voor God te leven. En tegelijkertijd raakt het je niet. Is dat niet juist het gevaarlijke van je situatie? Je leeft op de rand van het graf, maar je leeft gerust. Je hebt een dodelijke kwaal, maar je voelt je gezond. Je denkt dat het wel goed zit, maar het zit helemaal verkeerd. Ineens kan je leven voorbij zijn. Het kan de laatste keer zijn, dat wij elkaar hier in de kerk ontmoeten. Je zit hier wel zo rustig, je luistert wel zo rustig, maar je bent in doodsgevaar. Zie toch je dodelijke gevaar! Je genadetijd tikt weg, en je ziet het niet. Het oordeel van God komt steeds dichterbij, en het raakt je niet. Ik moet tegen je zeggen, want de bootslui tegen Jona schreeuwden in het midden van de vliegende storm: Wat is u gij hardslapende, sta op, roep tot uw God.

Maar als we teruggaan naar de vrouw uit dit Bijbelgedeelte, dan is daar noch iets mee aan de hand. Gekweld door haar ziekte, heeft ze de toevlucht genomen tot allerlei dokters. Misschien is ze wel van de ene naar de andere dokter geshopt. De een zei: dit moet je doen, dat moet je laten. Dit moet je eten, dat moet je laten staan. De ander zei: nee, neem dit. Ze wordt er moe van. En, haar geld raakt op. Haar geld, haar enige mogelijkheid om nog genezing te verwachten. Geen geld betekent immers geen dokter, en dat betekent haar dood. Zwoegt u ook zo om beter te worden van de zonde? Dit doen, dat laten. Dit lezen, dat niet meer. Dit aantrekken, dat niet meer. Daar naartoe gaan, daar niet meer naar toe. En, is het al beter geworden? Gaat het al beter met u? Markus zegt van deze vrouw: het is alleen maar erger geworden. Lukas wijst begrijpelijk en terecht niet naar de dokters, maar maakt duidelijk: die kwaal, die gesel, die is ongeneeslijk. Dat kan nooit wat worden. Hoort u het: dat kan nooit wat worden! Die zonden die u probeert te laten, dat wordt nooit wat. Daar komt niets van terecht, want uw ziekte is dodelijk.

Dodelijk is uw onwil, dodelijk is uw onmacht. U wilt en kunt niet naar God toe gaan, u gaat niet, u gaat nooit. De vrouw heeft al het hare, al haar energie, haar geld, haar moeite gegeven, maar ze heeft geen baat gevonden. Het is alleen maar erger geworden. Is het ook niet zo, als God door genade met het licht van Zijn ontdekking gaat schijnen in het hart? U werkt en zwoegt, u bidt, u huilt tranen over uw schuld en het wordt alsmaar erger. Het loopt uit op een onmogelijkheid. U hebt gehoopt dat u beter zou worden, maar u moet al meer inzien dat u voor God niet kunt bestaan, dat u geen geld hebt om te betalen. Een dodelijke kwaal, een lege beurs. Steeds meer terecht gekomen in de onmogelijkheid. Een toornend God, rechtvaardig vertoornd om al mijn zonden. En geen uitweg zien. Geen mogelijkheid zien om zalig te worden. In uw hart roept u het uit: Is er nog een weg, is er nog een middel…

Deze, deze vrouw, die er zo voor stond, zegt Markus, heeft van Jezus gehoord. In al haar ellende en uitzichtloosheid heeft ze onverwacht gehoord van de Naam van Jezus. Van Zijn macht op zieken te genezen. U kunt zich voorstellen dat haar hart sneller is gaan kloppen. Zou, zou die Jezus mij ook kunnen genezen. Maar hoe? Is er wel een manier om naar Hem toe te gaan? Immers naar Hem toe gaan en Hem ontmoeten, betekent onder de mensen komen als onreine, voor Hem staan als onreine, en als daar contact zou zijn, een handdruk, dan zou Hij ook onrein worden. Zou ik wel welkom zijn bij die Jezus van Nazareth? U kunt begrijpen dat Markus en Mattheüs schrijven dat ze bij zichzelf gedacht heeft, keer op keer (want dat is eigenlijk de strekking van de Griekse tekst): zal ik gaan, want als ik zijn kleed zal aanraken, dan zal ik gezond zijn. Als in al uw zielennood, zomaar ineens onder de bediening van het Woord een straal van licht en van hoop doordringt, gaat uw hart dan niet sneller kloppen? Gaat uw hart dan niet uit naar de Zaligmaker? Blinkt Hij in de verte dan niet als de schoonste van alle mensen? Immers: genade is op Zijn lippen uitgestort.

En toch, toch moet er een moment komen, in het leven van deze vrouw, dat ze haar biezen pakt en gaat. Vele malen heeft ze gehoopt en getwijfeld, keer op keer zei ze het tegen zichzelf. Maar hoe meer de dood in zicht komt, hoe hoger de nood wordt, hoe groter de drang. ‘Ik moet nu toch echt gaan. Ik weet niet hoe het moet, maar ik kan ook niet anders.’ Het doet haar hart als het ware uitroepen: Wanneer ik dan omkom, zo kom ik om, maar ik zal tot de Koning gaan. Zo is ze gegaan, in al haar onmogelijkheid.

Maar, hoe moet ze zich toch onder de mensen begeven? Ze heeft iets bedacht: ik zal Zijn kleed van achteren aanraken. Ongezien en daarna wegwezen. Zo word ik beter. Ongezien genade krijgen, zo maar stilletjes bekeerd, niemand merkt iets, maar ik kom in de hemel… Je begrijpt jongelui, dat dat toch niet helemaal in orde is.

Maar als je zo tot God vlucht in je zielennood, zal Hij je nooit bestraffen. Nooit zal Hij je terugwijzen. Hij zal je wel met zachte hand leren, wat het betekent om zalig te worden, om gered te worden ter wille Zijn Naam en Zijn roem, zodat al Gods kinderen uiteindelijk zullen zingen, hoorbaar, voor iedereen: het is door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen. Ons tweede aandachtspunt:

2. Beproefd geloof

Ze is gekomen van achteren. Ongemerkt. Ook dat heeft ons wat te zeggen. Het geloof waarmee een zondaar tot Christus vlucht is schuchter en vol schaamte. Het is geen geloof dat roept en juicht. Het is geen geloof dat springt van blijdschap vanwege onze keuze voor de Zaligmaker. Het is een voorzichtig, beschaamd, maar tegelijkertijd een niet tegen te houden gaan. De liefde trekt, de schuld drukt. Ik kan niet, maar ik moet. Het gaat om mijn leven, en er is nog maar één plek overgebleven om leven te vinden. Zo komt ze, van achteren. Ze raakt ongemerkt de zoom van Zijn kleed aan. En direct na die ongemerkte (zo lijkt het althans) aanraking, stroomt er een golf van blijdschap door haar heen. Ze voelt het: ik ben beter, ik ben gezond. En nu stiekempjes weer weg. Maar dan…

En terstond, schrijft Markus, lees maar in vers 30, Jezus bekennende in Zichzelven de kracht, die van Hem uitgegaan was, keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? De discipelen vinden dat maar een rare vraag en met Petrus voorop zeggen ze (lees maar in vers 31): U ziet dat de schare U verdringt, en zegt U: wie heeft Mij aangeraakt? Nogal logisch: iedereen en niemand bijzonder. Maar de Heere Jezus negeert deze reactie en kijkt rond: Wie? Wie? Wie heeft Mijn klederen aangeraakt? Voel je je staan tussen die menigte? In het begin hoop je, dat de discipelen gelijk krijgen en dat de Heere Jezus het er bij zal laten zitten. Maar als je Zijn vriendelijke maar doordringende ogen ziet, dan voel je meer en meer, dat je niet verborgen bent.

Als de vrouw dat ziet, komt ze tevoorschijn. Lukas schrijft: ziende dat zij niet verborgen was, kwam zij, bevende. Markus schrijft, lees maar mee in vers 33: de vrouw, vrezende en bevende, wetende, wat aan haar geschied was, kwam en viel voor Hem neder, en zeide Hem al de waarheid. Daar loopt het op uit. Niet stiekem wegglippen, maar voor Hem neervallen, met vreze en beving en Hem al de waarheid vertellen. Met beving? Trillend? Ja. Bang? Nee, dat is toch niet het goede woord. Met vrees. Met de vrees van een kind. Je hebt straf verdiend om wat je hebt gedaan. Je gaat naar pappa of mamma toe. En dan zie je iets in hun ogen. Boos? Ja, je denkt van wel, maar ze kijken toch vriendelijk. Vrees. Immers door onze zonde hebben we de dood verdiend. Bevend. Hoe zal Hij ons ontvangen?

Maar ze komt. Er is geen keus. Ze zegt Hem al de waarheid. Welke waarheid eigenlijk? Al de waarheid. De waarheid van haar ziekte, van haar stukgelopen leven, van haar alleen zijn omdat ze altijd onrein is, van haar geld dat opgeraakt is, van de dood die dreigt. Al de waarheid over de dokters, die niets meer voor haar kunnen doen. Van haar hoop en uitzien, omdat ze van Jezus gehoord heeft, en… en uiteindelijk dat zij, onreine, Hem, Jezus, aangeraakt heeft.

U die God zoekt, u die Hem wel eens van verre hebt zien blinken in Zijn liefde voor zondaren, waarom komt u niet dichterbij? Waarom geeft u uw hoop op al dat werken niet op, waarom komt u niet vrezende, bevende om aan Zijn voeten te vallen en Hem alles te belijden? Hoe zult u ooit leven in de wetenschap dat uw kwaal genezen is, als u niet tot Christus komt? Het is waar, alles in ons verzet zich daartegen. We gaan nog liever vanzelf verloren, dan dat we tot Christus vluchten om gered te worden. Maar zie toch, wat er aan de voeten van Jezus te krijgen is. Herstel van uw kwaal. Als de zonde dan een kwaal voor u is, als de zonde dan een gesel voor u is, kom dan toch en raak de zoom van Zijn kleed aan! Kom dan tevoorschijn, al is het vrezend en trillend, en beken Hem al de waarheid. De waarheid van uw hemelhoge schuld. De waarheid van uw vijandschap. De waarheid van uw ongerechtigheid, van uw misdaden tegen de hemel. De waarheid van uw eigen pogingen en van uw weerstand tegen genade. Waarom duurt het anders zolang? Waarom duurt het anders al 10, 20 of 30 jaar in uw leven, terwijl u nog nooit met al uw zonden tot Hem bent gevlucht? Dat is toch alleen maar onze vijandschap tegen vrije genade? We willen niet. We willen geen genade. We willen zelf dokteren. We willen geen Borg, we willen geen Zaligmaker. We willen zelf zaligmaker zijn. Beken dat toch! Erken dat aan Zijn voeten. Zeg Hem maar al de waarheid.

Het schijngeloof komt met veel rumoer tot Jezus en bekent een deel van de waarheid. Maar het oprechte geloof komt schuchter en beschaamd, hoewel door niets en niemand tegen te houden. En het zegt Hem al de waarheid. Het ware geloof houdt niets achter.

Als u echt niet meer zonder Hem kunt, als u moet uitroepen: ‘Geef mij Jezus of ik sterf, want buiten Jezus is geen leven maar een eeuwig zielsverderf’, dan is hier de plaats waar u wezen moet. Ja, ze is wel gekomen van achteren om alleen de zoom van Zijn kleed aan te grijpen. Maar kom toch verder, want er is meer. Er is een betere plaats. Hier, aan Zijn voeten. Kom dan maar bevend, vrezend, en zeg Hem maar al de waarheid.

Is het u opgevallen dat de Heere deze vrouw niet bestraft? Ze wil eigenlijk stiekem genezen worden. En bovendien maakt ze door haar aanraking Jezus volgens de wet onrein. Maar hoort u harde woorden uit de mond van de Heere Jezus? Nee toch? Geen harde woorden, maar Hij brengt haar wel op de juiste plaats. Hij neemt al haar dwaling en ongeloof weg, en brengt haar aan Zijn voeten.

Als zij Zijn kleed heeft aangeraakt, zegt Jezus niet dadelijk: uw geloof heeft u behouden. Er volgt beproeving: de vraag, de rondzoekende blik van Jezus. Ze is wel tot Hem gekomen, maar het had anders gekund. Calvijn zegt daarover: waarom ging ze niet liever rechtstreeks tot Christus? Ze had wel ontzag voor Hem, maar waarvan kon ze anders hulp verwachten dan van Zijn barmhartigheid? Deze geschiedenis, zo vervolgt Calvijn, toont ons dat het geloof vergeving nodig heeft, als ook versterking en ondersteuning. Het zwakke geloof heeft aanmoediging nodig, en moet gezuiverd worden van ongeloof. Zelfs onze tranen en gebeden moeten gewassen worden door het bloed van Christus. Denk maar aan de vader van de bezeten jongen. Hij roept het uit: Ik geloof, Heere!, maar direct daarna: kom mijn ongelovigheid te hulp.

U die van verre staat, u hebt zoveel bezwaren, zoveel aarzeling. Deze geschiedenis is beschreven om u aan te moedigen. Niet om u gerust te stellen en om u te laten denken: ik tob met mijn zonden, maar ooit komt de tijd dat het wel goed zal komen. Dat is duivels uitstel. Spoed u om uws levens wil, maar dan wel naar de voeten van deze Borg en Zaligmaker, want alleen daar kunt u herstel en leven vinden. Maar laat u toch niet ontmoedigen door uw zonden. Al hebt u nog zoveel overtreden, laat het u niet afhouden. Laat het u niet verhinderen om te komen. Want juist dan, juist met al uw zonden bent u welkom aan Zijn voeten. Als u ziet op die zonden moet uw wel vrezen en beven, maar als u Hem alle waarheid zegt, zal het ook u gelden: Uw geloof heeft u behouden.

Als wij nog eens goed kijken naar dit moment in de ontmoeting tussen Christus en de bloedvloeiende vrouw, is het dan niet zo, dat we hier ook iets zien van de ambten van de Middelaar? Van Zijn werk waarvoor Hij in deze wereld kwam? Weten jullie het nog, jongens en meisjes, van de catechisatie: drie ambten heeft de Heere Jezus. Hij is Profeet, Priester en Koning. Zo heeft Hij Zich laten kennen toen Hij op aarde was, en zo laat Hij zich ook kennen in het leven van Zijn kinderen. Kijk maar naar het leven van deze vrouw.

a. Als zij zo maar stilletjes tot Hem komt om Hem van achteren aan te raken, dan gaat Hij haar leren als Profeet. Leren om de grootheid van haar schuld uit te spreken voor Hem. En daardoor laat Hij haar temeer de diepte en de ernst ervan voelen. Je kunt wel denken aan je zonden, maar als Hij ze je uit laat spreken voor Gods aangezicht, als je de woorden leert spellen: ‘O God, wees Mij zondaar genadig’, dan is dat Zijn werk. Maar Hij is het ook geweest, die het verlangen in haar gewekt heeft om te komen. Weet u het nog? Ze had van Jezus gehoord. Die woorden zijn niet langs haar heen gegaan. Die woorden hebben haar haar ellendige toestand laten zien, en die woorden hebben ook verlangen naar Hem gewekt, als naar het laatste en enige redmiddel.

b. Maar Jezus toont Zich hier ook als Priester. Hij is het, Die de onreinheid van deze vrouw op Zich gaat nemen. Als zij Hem aanraakt, wordt Hij volgens de wet onrein. Straks wordt Hij ook om haar ongerechtigheden zelfs verbrijzeld. De straf die haar de vrede aan moet brengen, rust straks op Hem. Als Hij haar onreinheid niet op Zich neemt, is er geen ruimte om straks te zeggen: Ga heen in vrede. Die vrede kan alleen gemaakt worden door Zijn bloed. Zij die verre was, zij die van verre stond, en niet nabij kon en durfde komen, breekt dwars door de schare heen. Ze komt nabij, ze komt aan Zijn voeten. Maar dat kan alleen vanwege Hem. Ze is nabijgekomen door het bloed van Zijn priesterlijke bediening.

c. Maar zie de Heere Jezus hier ook in Zijn Koninklijke kracht en majesteit. Zijn priesterlijke bewogenheid, maar ook Zijn Koninklijke macht straalt uit Zijn ogen als Hij rondom Hem ziet en deze vrouw naar voren haalt. Uit zichzelf was ze niet gekomen. Maar door Zijn kracht komt ze en valt ze voor Hem neer. Het is Zijn Koninklijke macht die deze ziekte in een oogwenk doet verdwijnen. Ziet u hoe almachtige deze Koning is? Het is ook Zijn Koninklijke macht die haar moed inspreekt, vrede geeft en totale genezing. Hij voert de triomf over de macht van de zonde en de macht van de dood. Dit wonder is een teken van Zijn macht en heerschappij over alle macht, over de macht van de zonde, van de duivel en van de dood.

Ziet hier, de Koning in de voortreffelijkheid van Zijn ambten. Niets ontbreekt aan Hem om een reddeloze zondaar zalig te maken. Hij is Profeet om u alles te leren. Om u inzicht te geven in uw verlorenheid, om u te brengen aan Zijn voeten. Hij is Priester om Zijn bloed te sprengen op uw schuld, om u zegenend toe te spreken en om voortdurend voor u te bidden. En Hij wil Koning zijn over uw leven.

Laten we nu samen eerst zingen, voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt, uit Psalm 30, daarvan het achtste vers: Gij hebt mijn weeklacht en geschrei Veranderd in een blijden rei; Mijn zak ontbonden, en mij weer Met vreugd omgord; opdat mijn eer Niet zwijg'. Zo klimt Uw lof naar boven; Mijn God, U zal ik eeuwig loven.

3. Bekroond geloof

Kijkt u maar naar vers 34. En Jezus zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal. Dochter. Had u dat verwacht? Niet: ‘mevrouw, wat doet u hier? Wie bent u?’ Maar: ‘dochter.’ Misschien was deze vrouw wel ouder dan de Heere Jezus Zelf, dat is zelfs niet onwaarschijnlijk. Maar ook dan: dochter. U hoort hier de stem van de Middelaar, maar

eigenlijk ook de stem van de Vader. Het is de stem van de Drie-enige God, in Wie de oorsprong ligt van de eeuwige zaligheid. Van de God die gezegd heeft: Breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde (Jesaja 43:6)

Uw geloof heeft u behouden. Is dat dan toch iets van de mens? Had die vrouw dan toch nog als laatste haar geloof als betaalmiddel voor deze dokter? Nee, zo niet. Het geloof was de lege hand, die in haar grote nood, greep naar Zijn kleed. Het geloof komt met niets. Wij komen nog met onze tranen en gebeden, maar het geloof komt met niets. Het geloof komt alleen met de eigen onreinheid, tot Christus. En Hij nam die onreinheid op Zich. Hij die Zelf rein en zuiver was, heeft de schuld op Zich genomen van de Zijnen en is in hun plaats gaan staan. Dat was het grote plan van de zaligheid: Dien Die geen zonde gekend noch gedaan heeft, heeft God zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem. Hij heeft de zonden op Zich genomen en is er de dood mee ingegaan voor doodschuldigen. Hij is de vervloekte kruisdood gestorven voor onreine en vervloekte zondaars. En het geloof van deze vrouw, geschonken en gewerkt door God, heeft de lege hand uitgestrekt als een arme bedelaar om die genade te vragen. God heeft haar oren geopend voor het gerucht van de Zaligmaker. Hij trok haar af van al haar dokters. Hij leidde haar heen tot achter Jezus en bracht haar aan Zijn voeten.

En dat geloof, dat met lege handen de toevlucht neemt tot Christus, is nu voor de ogen van heel de menigte getoond. In het openbaar. En nu gaat Jezus ook in het openbaar het geloof van deze vrouw bevestigen: Ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

Ga heen in vrede. Want de hitte van Gods gramschap is geblust. Zo vindt een zondaar vrede door recht. Zoals de gelovige Israëliet in het Oude Testament zijn zonden door het geloof legde op het hoofd van het offerdier, zo wordt hier, alleen door genade, alle onreinheid gelegd op Christus.

Zijt genezen van deze uw kwaal. U zegt: ‘dat wist die vrouw allang, dat voelde ze toch?’ Dat is waar. Maar als je iets voelt, weet je nooit of het zo blijft. Maar als God door Zijn machtswoord spreekt, dan is het vast en zeker. Want de woorden van God zijn waar. Veel zekerder dan onze ervaringen. Daarom, u die de Heere in beginsel leerde kennen, zoekt de vastheid van uw geloof in Christus te vinden aan Zijn voeten en in Zijn woorden alleen. Die vastheid vindt u nergens anders dan alleen daar. Aan Zijn voeten, in Zijn woorden. Openlijk zet de Heere Jezus hier Zijn waarmerk op Zijn eigen werk: ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal.

Misschien, jongelui, heb je ondertussen geprobeerd je te verplaatsen in iemand uit die mensenmenigte, die dit allemaal gezien en gehoord heeft. Je stond er in gedachten bij en hebt gezien hoe die vrouw langzaam naar voren schoof, en aan de voeten van Jezus alles vertelde. En uiteindelijk ging ze weg: ga heen in vrede, en zijt genezen van deze uw kwaal. Zag je haar blijdschap door die afgedroogde tranen heen?

Wat denk je ervan, als je daar zo bijstaat? Misschien ken je wel iemand in je omgeving die de Heere dient en vreest. Misschien heb je in je omgeving wel niemand. Niemand aan wie je je kunt spiegelen en van wie je denkt: ja, zo, zo zou ik ook bekeerd willen worden. Kom, je stond er vanmorgen niet voor niets bij te kijken, je hebt het gezien.

De schare verdrong de Heere Jezus, zegt Markus. Iedereen was dichtbij genoeg om Hem aan te raken. Toch is er in heel die mensenmassa maar één vrouw geweest, die Hem in geloof aanraakte. De rest liep mee, de rest keek, de rest was geboeid door alles wat er gebeurde, maar viel niet voor Hem op de knieën.

Deze vrouw zou omgekomen zijn, als ze niet gekomen was. Ook jij, ook u, komt om, als u doorgaat buiten God en buiten Christus. Als u meeloopt met de massa kerkmensen rond Jezus, maar nooit op de knieën voor Hem terechtkomt. Dan loopt het zonder twijfel uit op uw ondergang. U weet niet hoelang uw tijd nog duren zal. Als u oud bent, weet u dat het niet lang meer zijn zal. Maar als je jong bent, kan het ook vandaag je laatste dag zijn. Heden, nu, moet u met al uw zonden als een boetvaardige zondaar tot Christus vluchten en de zoom van Zijn kleed aanraken. Nu, niet morgen, niet straks als u thuis bent, want wellicht komt u nooit meer thuis. De eeuwigheid staat voor de deur en uw ziel moet gered zijn. Zonder dat kunt u niet in vrede sterven. Ook niet in vrede leven. Dat weet u, dat voelt u. Leven zonder God is leven zonder rust en vrede.

Wat houdt u eigenlijk weg bij deze Zaligmaker? Gelooft u Zijn nodiging niet? Gelooft u Zijn barmhartigheid niet? Dat moet wel zo zijn. En u gelooft ook niet in Zijn rechtvaardige toorn. Want als u dat alles wel geloven zou, dan zou u vluchten tot deze enige Redder en Heiland. Dan zou u komen zoals deze bloedvloeiende vrouw. Ze is gekomen met al haar zonden, en ze is behouden. Waarom komt u niet? Er is werkelijk geen andere weg tot behoud. Neem toch met al uw zonden de toevlucht tot deze Zaligmaker en belijdt Hem alles. Al de waarheid. Alles.

Ooit zult u alles moeten erkennen. Misschien wel heel binnenkort. Er zijn slechts twee mogelijkheden om al de waarheid te zeggen aan de voeten van Christus. Nu, voor die alles doordringende, maar liefdevolle blik van de Zaligmaker, als u met de bloedvloeiende vrouw komt en voor Hem aan Zijn voeten valt, zij het bevend en met vreze. Of straks voor uw Rechter. Dan zult u weliswaar niet uit eigen beweging aan Zijn voeten vallen, maar u zult er gebracht worden. Doch deze Mijn vijanden, zal dan klinken, die niet hebben gewild, dat Ik over hen koning zoude zijn, brengt ze hier, en slaat ze hier voor Mij dood. Ooit zult u aan Zijn voeten liggen. Nu of straks. Als u nu buigt, zult u kunnen heengaan in vrede. Als u wacht, treft u straks Zijn rechtvaardige toorn. Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.

Tot slot: Mattheüs heeft nog een extra zinsnede weergegeven wat betreft de woorden van Jezus tot deze vrouw: wees welgemoed.

U, die uw voeten hebt gezet op de weg van het toevlucht nemende geloof: wees welgemoed. Twijfel kan u bespringen, vrees, beven. Lichamelijke nood, ziekte. Geestelijke strijd, moeite, twijfel, zorg. Donkerheid, verlating. Maar wees welgemoed. Hij, Die u ooit dochter noemde, Die u ooit bestempelde als zoon, zal u niet begeven en verlaten. Kom, voed het oud vertrouwen weder, zoek in ’s Hoogsten lof uw lust. Maar, blijf dicht bij Hem. De voortdurende zegen wordt daar gegeven, waar we aan Zijn voeten knielen, met kinderlijke vreze, en Hem al de waarheid van onze zonde belijden.

Bent u ooit heengegaan in vrede, maar is nu alles weer zo donker en doods? Keer dan terug. Kniel nogmaals aan Zijn voeten en vertel Hem al de waarheid. Vertel Hem dagelijks al de waarheid, van uw zonde, van uw schuld, maar ook dat u Hem niet missen kunt. Want daar mag u, kinderen van God, ook uw wederliefde tot uw Zaligmaker uitspreken, en uw grote verwondering dat Hij omgezien heeft naar zo’n slecht mens. Daar willen we altijd bedelaar blijven, aan Zijn voeten, bij de bron van Zijn genade. Altijd onze lege handen uitstrekken om genade te vragen. Genade voor genade.

Daar, aan die voeten mogen wij knielen, mogen wij opstaan en de woorden van Christus horen: dochter, zoon, wees welgemoed. Daar gaan we heen in vrede naar Zijn woord. Daar willen we opnieuw bukken en buigen voor Zijn aangezicht. Zijn Naam belijden voor de mensen, Zijn lof zingen. Daar groeit ons uitzien om eenmaal als laatste, met onze laatste adem deze woorden te zeggen: Nu laat Gij Heere, uw dienstmaagd, uw dienstknecht, gaan in vrede, naar Uw Woord. Onze ogen hebben Uw zaligheid gezien en zullen nooit meer terugzien.

Amen.

Slotzang Psalm 68:5:

Uw hoop, Uw kudde woonde daar; Uit vrije goedheid waart Gij haar, Een vriendelijk beschermer; En hebt ellendigen dat land Bereid door Uwe sterke hand, O Israëls Ontfermer! De HEERE gaf rijke juichensstof, Om Zijne wonderen en Zijn lof, Met hart en mond, te melden; Men zag welhaast een grote schaar, Met klanken van de blijdste maar, Vervullen berg en velden.