PREEK · KERKELIJK JAAR

Danken met lege handen – 1 Koningen 17

Dankdag - 30 november 2022

1 Koning 17:11-12: Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand. Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten en sterven.

INLEIDING

Een kinderpreek over Elia, de weduwe van Zarfath en Gods trouwe zorg. Aan de hand van 1 Koningen 17:1-16 leert deze preek dat we mogen danken, ook met lege handen, omdat de Heere voorziet en geeft wat we iedere dag nodig hebben. Een boodschap over vertrouwen, afhankelijkheid, gehoorzaamheid en dankbaarheid.

1 KONING 17:1-16

1 En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.
2 Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
3 Ga weg vanhier en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is.
4 En het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb den raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen.
5 Hij ging dan heen en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is.
6 En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.
7 En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.
8 Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende:
9 Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden dat zij u onderhoude.
10 Toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath; als hij nu aan de poort der stad kwam, zie, zo was daar een weduwvrouw hout lezende; en hij riep tot haar en zeide: Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke.
11 Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.
12 Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten en sterven.
13 En Elía zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan en breng dien mij hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.
14 Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.
15 En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen.
16 Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.

VOLLEDIGE TEKST

Danken met lege handen – 1 Koningen 17

ds. J. IJsselstein - 1 Koning 17:11-12

LITURGIE

Psalm 65:6,7,8 Gebed des Heeren:5

Lezen 1 Koningen 17:1-16

Psalm 116:1,7,10,11

Psalm 147:6

Psalm 81:12

Ineens staat hij daar! Niemand weet waar hij vandaan komt: Elia, de profeet, de Thisbiet, uit Gilead. Zijn naam betekent: mijn God is de HEERE!

Ineens staat hij daar! Voor de goddeloze koning Achab. En zegt: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta (dit is een boodschap van de Heere Zelf!), indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord (vers 1). Koning Achab, vanaf nu zal er geen druppel regen meer op de aarde vallen!

En dan lezen we, vers 2 en 3, lees maar mee meisjes en jongens: Daarna geschiedde het woord des HEEREN tot hem (tegen Elia), zeggende: Ga weg van hier, en wend u naar het oosten, en verberg u aan de beek Krith, die voor aan de Jordaan is. ‘Elia, ga naar de beek Krith (een beek, dat is een ondiepe stroom water), ga naar de beek Krith, aan de overkant van de Jordaan.’ En Elia gaat.

Kijk daar zit ie… Eenzaam en alleen. Vlak bij de Jordaan, waar hij iedere dag op uitkijkt… Kijk, daar, daar bij de Jordaan heeft de Heere in het verleden zoveel wonderen gedaan. Daar maakte de Heere lang geleden een droog pad door de rivier, waar Israël doorheen kon lopen.

Kijk, daar zit ie… Ja, maar hij is toch profeet? Hij moet Gods woorden toch gaan preken tegen koning Achab en tegen de mensen van Samaria? Dat is toch moeilijk voor Elia? Hij kan hier toch niet zitten niksen? Daar zie je, meisjes en jongens, dat de Heere soms moeilijke dingen vraagt van Zijn kinderen en knechten. Om ze nieuwe dingen te leren: niet trots worden, niet denken dat je belangrijk bent, leren moeilijke dingen te doorstaan en alleen en alles van de Heere verwachten.

Net als… Bij wie was dat nog meer zo? Net als bij Jozef, die in de put, die in de gevangenis terecht kwam. Net als bij Mozes, die veertig jaar op de schapen moest passen. En nu is het hier bij Elia hetzelfde: zitten…, wachten…, eenzaam en alleen bij de beek Krith. En straks is het ook zo bij de Heere Jezus: veertig dagen in de woestijn, eenzaam en alleen, zonder eten en drinken.

Maar is er in die wildernis wel iemand die voor Elia gaat zorgen? Hoe komt hij daar aan brood en aan water? Luister, de Heere zegt er iets over tegen Elia (in vers 4 en 5): En het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult; en Ik heb de raven geboden, dat zij u daar onderhouden zullen. Hij ging dan heen en deed naar het woord des HEEREN; want hij ging en woonde bij de beek Krith, die vóór aan de Jordaan is. Elia gaat. Hij is gehoorzaam. Hij zegt geen nee, hij moppert niet. Want, wat de Heere zegt en doet, is altijd goed. En de Heere belooft dat Hij voor Elia zal zorgen.

En dat gebeurt ook, kijk maar in vers 6: En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. Iedere morgen brengen de raven (vogels, die een beetje lijken op grote kraaien), iedere morgen brengen de raven: brood en vlees. Elia hoeft ’s avonds niet bezorgd te zijn voor de volgende dag, want iedere morgen zijn ze er weer. Kijk, daar komen ze weer! Ze leggen brood en vlees voor Elia neer om te eten. En iedere dag is het genoeg voor: vandaag.

Het lijkt wel op het manna in de woestijn. Dat was ook steeds genoeg voor: deze dag, voor vandaag. Ging je het bewaren? Dan kropen de wormen eruit. Dan was geen gift, dan was het genade meer. Dan was het je eigen brood, je eigen bezit geworden. Nee, Elia moet iedere dag weer beginnen met een lege hand, met de hand van een bedelaar. En de Heere geeft hem, wat hij nodig heeft.

Meisjes en jongens, vandaag is het dankdag. Een dag om de Heere te danken. Heb je net als Elia ook iedere dag je lege hand opgehouden? Dan heb je vandaag heel veel om voor te danken! Of heb je voor jezelf gezorgd? Dan… Ja, wat dan eigenlijk? Wie moet je dan danken?

Elia zit hier, zei ik daarnet, om nieuwe dingen van de Heere te leren. Om nog meer dan vroeger zijn lege hand op houden (dat is het eerste). En ook (dat is het tweede): om echt op de Heere te vertrouwen.

Want, denk eens mee. De Heere zegt tegen Elia in vers 4: Elia, Ik heb de raven geboden om u te onderhouden! Maar…, raven, gaan die mij eten gaan brengen? Die beesten eten altijd alles op! Gaan die beesten dat eten onderweg niet zelf opeten? ‘Elia, vertrouw maar op Mij. Ik zal voor je zorgen. Ik, de Heere, zal je geven wat je nodig hebt.’ Brood met beleg, aardappels, groente, vlees, fruit, lekkere toetjes…? Nee, eenvoudig: brood en vlees, uit de hand van de Heere.

Heb jij, hebben jullie in het afgelopen seizoen ook zo geleefd? Iedere dag biddend (misschien moest je ook wel zeggen: Heere, ik voel me zo eenzaam en alleen), maar toch iedere dag biddend: Heere, wilt U ook deze dag weer voor me zorgen? En iedere keer weer bleek het ook echt zo te zijn: de Heere zorgt! Hij ziet me, Hij weet waar ik ben, Hij weet wat ik nodig heb. Of… heb je iedere dag voor jezelf gezorgd? Zonder aan de Heere te denken? Kan je dan wel dankdag houden? Kan je dan wel danken?

Kijk, daar zit Elia. Helemaal alleen in de wildernis. Soms hoort hij een klagende roerdomp in het riet, soms in de verte het gebrul van een leeuw, soms dichterbij huilende wolven. Maar verder… niets… dan alleen de stilte. Alleen…, maar met de Heere, Die voor hem zorgt.

Want (lees maar mee in vers 6): En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. Iedere morgen en iedere avond zijn ze er weer, met brood en vlees. Maar water moet Elia zelf uit de beek halen. Dus Elia moet ook zelf iets doen. De Heere wil niet dat hij, dat wij lui zijn.

Iedere dag is er brood en vlees. En water in de beek. Totdat… (kijk eens naar vers 7): En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest. Waarschijnlijk heeft Elia ongeveer een jaar bij de beek gewoond. En iedere dag heeft Heere voor hem gezorgd. Zeg jij dat ook? Je bent (na de vorige dankdag) weer een jaar verder; zeg je dat ook: Iedere dag zorgde de Heere?

Je bent rijk, als je zo leven mag. Dat klinkt misschien raar, maar het is wel waar! Je bent rijk, als je iedere dag met lege handen naar de hemel mag kijken. En bidden mag: Heere, geef me toch heden, voor vandaag, mijn dagelijkse brood? En je bent arm, als je iedere dag denkt: ‘Ik heb genoeg, ik heb alles, ik heb de Heere helemaal niet nodig!’ Hoe heb jij in het afgelopen seizoen geleefd?

Er is een jaar voorbij gegaan. Iedere dag was er eten en drinken. Maar nu droogt de beek langzaam uit… Want? Want het heeft het hele jaar niet meer geregend! Het hele land is droog. Dat is het oordeel van God over de zonden van Achab en van het volk Israël. En nu gaat ook Elia (kind en knecht van de Heere) datzelfde oordeel voelen. Brood en vlees zijn er nog wel. Maar wat moet je doen zonder water? Wat doet Elia…?

Niets. Hij wacht. Hij wacht op de Heere! Elia is hier om nieuwe dingen van de Heere te leren. toch? Dit is één van die nieuwe dingen: steeds meer kwijtraken, en dus steeds meer omhoog moeten kijken. En wachten op de Heere. Eerst mocht hij zelf met zijn eigen handen water uit de beek scheppen en drinken. Maar nu heeft hij niets meer, dan alleen… lege handen.

Wat is Elia arm… Maar wat is de Heere rijk! Elia ziet en merkt het, als hij zijn lege handen biddend omhoog houdt. Want de Heere blijft voor hem zorgen. Danken voor en danken met lege handen, dat kan echt! Dan ben je rijk.

We gaan nu samen eerst zingen uit Psalm 147:6: De HEER’ betoont Zijn welbehagen Aan hen, die nederig naar Hem vragen, Hem vrezen, Zijne hulp verbeiden, En door Zijn hand zich laten leiden; Die, hoe het ook moog' tegenlopen, Gestadig op Zijn goedheid hopen. O Salem, roem de HEER’ der heren; Wil Uwe God, o Sion, eren! ---

Elia zit al een jaar aan de beek Krith. Iedere dag is er de goede zorg van de Heere: raven brengen hem twee keer per dag brood en vlees. En in de beek zelf stroomt helder, fris, levend water.

Hoe zou je het op dankdag nu moeten zeggen? Was Elia arm? Nee, want God zorgde voor hem. Was Elia eenzaam dan? Hij zag immers geen mens! Nee, want de Heere was bij hem.

En zo is het zo vaak met kinderen van de Heere. We hebben voor het oog gebrek, we hebben verdriet, we zijn ziek of eenzaam, maar we hopen op de Heere, en we verwachten alles van Hem!

En zo is het bij Elia ook. Kijk maar vers 8 en 9: Toen geschiedde het woord des HEEREN tot hem, zeggende: Maak u op, ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar; zie, Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude. De beek is droog. Maar Elia wacht. Hij heeft geleerd om stil te zijn, om stil te wachten op Gods tijd. Om geen eigen weg te gaan, maar te wachten op Gods stem.

En hij wacht niet tevergeefs. Want er komt een boodschap van de Heere. ‘Elia, maak u op (maak u klaar), ga heen naar Zarfath, dat bij Sidon is, en woon aldaar. Hè, wonen bij Sidon? Daar komt de goddeloze koningin Izebel vandaan! En daar dienen ze de afgod Baal! ‘Elia, ga maar, naar het noorden, een kilometer of 130 bij Samaria vandaan…’

Waarom doet de Heere dat? Hij had de beek toch ook weer kunnen laten stromen? Waarom mag Elia niet spreken tegen of slaan op een rots, zodat er water uitspat? Waarom gaat de Heere ook in deze tijd -zo noemen we dat vaak- met Zijn kinderen zulke onbegrepen wegen? We begrijpen gewoon niet, wat Heere doet en wat Hij wil! Waarom? Om ons nieuwe dingen te leren. Om ons te leren buigen onder Zijn wil. Om ons te leren zeggen: ‘Heere, ik begrijp het niet, maar is goed wat U wil en wat U doet.’ Meisjes en jongens, dat is moeilijk voor (zo noemt de Bijbel dat), dat is moeilijk voor ons vlees.

Misschien zijn er bij jullie in de afgelopen tijd ook wel moeilijke dingen gebeurd: ziekte, verdriet, iemand die gestorven is, problemen thuis… Wij zijn dan zo geneigd om boos te worden en te zeggen: ‘Heere, maar waarom? Dat kunt U toch zo niet doen! Zo bent U toch niet?’ Maar de Heere wil ons leren (jullie misschien ook wel in de afgelopen tijd), de Heere wil ons leren om te zeggen en te bidden: ‘Heere, het doet pijn. Ik had het zo graag anders gewild. Maar als U dit het beste vindt, dan is het goed.’ Heilig zijn, o Heere, Uw wegen. Niemand spreekt Uw hoogheid tegen. Zo kan je midden in de grootste moeilijkheden en zorgen toch dankdag houden.

‘Elia, ga op pad, naar Sidon, naar het noorden’, want (zegt de Heere tegen hem): ‘Ik heb daar een weduwvrouw geboden, dat zij u onderhoude.’ Niet echt geruststellend, toch? ‘Elia, daar woont een miljonair, die zal voor je zorgen.’ Mooi! Nee: ‘Daar woont een weduwe’.

Haar man is gestorven. En dus is ze arm. En het is ook nog eens een tijd van honger! Maar, Elia gaat. We lezen in vers 10 en 11: Toen maakte hij zich op (toen maakte hij zich klaar), en ging Zarfath. Als hij nu aan de poort der stad kwam, ziet, zo was daar een weduwvrouw, hout lezende (ze is hout bij elkaar aan het zoeken); en hij riep tot haar, en zeide: Haal mij toch een weinig water in dit vat, dat ik drinke. Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar, en zei: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand.

Ze ontmoeten elkaar aan de poort van de stad. Elia heeft naar de Heere geluisterd. Hij heeft precies gedaan wat de Heere tegen hem zei. En nu stuurt de Heere in Zijn voorzienigheid ook zijn weg. Ze komen elkaar precies bij de poort van de stad tegen. Want daar is een weduwvrouw, die hout sprokkelt, die hout bij elkaar zoekt om er vuur mee te maken om daar eten op te koken.

Weer niet echt bemoedigend. Ze heeft niet eens een voorraad hout! En ze heeft ook niemand, die dat even voor haar wil halen. Moet zij voor hem gaan zorgen? Zou dat wel goed komen? Zoals je de afgelopen tijd, meisjes en jongens, je misschien ook weleens afgevraagd heb: ‘Zou dit, zou dat wel goedkomen? Zo ziet het er niet naar uit!’ En toen? Wat heb je toen gedaan? Ben je toen zelf gaan knokken om het op te lossen? Ben je toen zelf gaan vechten om het voor elkaar te krijgen? Of… heb je omhoog gekeken? ‘Heere, help me! Lost U het voor me op?’ Als dat zo is, kan je vandaag dankdag houden. Hoe het ook afgelopen is.

Net als hier. Je zegt: ‘Ja, straks kan Elia dankdag houden. Als hij weer te eten heeft. Als het meel in de kruik en de olie fles ervoor zorgen, dat er weer genoeg eten is voor een hele lange tijd. Want…, ik weet hoe het afloopt.’ Want zo kan je dankdag houden: als alle problemen die er eerst waren, opgelost zijn!’ O ja? Is dat zo?

Maar kijk eens even goed naar Elia. Hij straalt van rust en vertrouwen. Omdat hij ziet dat alles goed gekomen is? Nee. Als hij kijkt, dan ziet hij een arme vrouw, die niets heeft. Dan ziet hij dus niets. Maar wat doet Elia? En ik hoop dat jij dat de afgelopen tijd ook gedaan hebt, hoe het ook ging, wat je ook zag. Hij klemt zich vast aan het woord van de Heere, Die het aan hem beloofd heeft: Ik zal u onderhouden, Ik zal voor je zorgen.

Hij ziet niets. Maar hij gelooft wat Heere gezegd en beloofd heeft. Als je in het afgelopen seizoen vertrouwd hebt op wat de Heere beloofd heeft, dan heb je alle reden om te danken.

Want van alles wat je zelf gedaan hebt en doet, hoe groot en mooi het ook is, kan je niet leven. Maar wel van de belofte van de Heere: Wees niet bezorgd. Ik zorg voor u! Mevrouw, (lees ik in vers 10): Haal me alsjeblieft wat water in dit vat, dat ik wat te drinken heb. Want ik heb dorst… En… ze legt haar werk neer, en helpt deze onbekende vreemdeling. De Bijbel laat ons zien, dat we vriendelijk, dat we gastvrij moeten zijn voor vreemdelingen. Dat we van ze moeten houden, dat we voor ze moeten zorgen. Voor mensen uit Turkije, Marokko, Syrië, Sudan, Afghanistan of waar dan ook vandaan. Want? Waar danken we vandaag voor? Voor: dat dit land en al de rijkdom die we hebben van ons is? Nee, voor alles wat we iedere dag uit de hand van de Heere gekregen hebben. En de Heere wil dat we dat ook delen met andere mensen, uit andere landen.

‘Trouwens, mevrouw, fijn dat u water voor me gaat halen. Maar doe me ook alstublieft nog een stuk brood, want heb honger!’ Maar (ik lees vers 12), maar zij zei: Zo waarachtig als de HEERE, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meel in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven. Met andere woorden: ‘Vreemdeling, dit is echt het laatste wat ik heb. Als dit op is, hebben we geen eten meer. Niets meer!’ Elia, ze heeft het al zo moeilijk! Ze heeft honger! Waarom vraag je dan eten van haar?

Nee, maar wacht: Elia is een man van God. Het is eigenlijk de Heere Zelf, de God van Elia, Die zegt: ‘Mevrouw, geef het laatste wat u hebt maar aan Mij.’ De Heere vraagt het bijna onmogelijke van haar: ‘Geef je laatste eten wat je hebt maar aan Mij.’

Zoals dat met ons soms ook zo kan gaan… De Heere kan van het liefste wat we hebben, zeggen: ‘Geef het maar aan Mij!’ Zoals bij deze mevrouw: ‘Dit wordt mijn laatste koek, mijn laatste broodkoek. Dan is alles op. Dan heb ik niets meer. Dan moeten ik en mijn zoon sterven van de honger…’

Zoals het ook kan gaan in ons leven: we verliezen alles, zelfs het liefste wat we hebben. Zoals het ook kan gaan in ons hart: we verliezen alles. Ik denk dat ik nog wel wat moois heb, dat ik nog wel wat goede dingen doe voor de Heere. Maar de Heere zei: ‘Geef maar hier...’

Eerst stond Elia met lege handen, een jaar lang aan de beek Krith. En nu staat ook deze mevrouw met lege handen. Heb je dat ook wel eens gehad, in de afgelopen tijd? Dat je dacht: ‘Nu heb ik niets meer.’ Misschien was je heel veel mooie dingen kwijtgeraakt en had je heel veel verdriet. Misschien was het zo in je hart, dat je zei: ‘Heere, ik heb alleen maar zonden, verder heb ik niets. Niets dan lege handen. Niets dan lege bedelaarshanden.’

Je zegt: ‘Oh, dat is erg!’ Ja, maar toch proef je dat niet, als je hier in Bijbel leest. Weet je hoe dat komt? Lege handen hebben, is wel naar. Maar lege handen voor de Heere hebben niet. Want de Heere weet wat we nodig hebben. Hij wil voor ons zorgen. En Hij heeft en kan alles! Kijk maar in vers 13-14: En Elía zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan en breng dien mij hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken. Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op den dag dat de HEERE regen op den aardbodem geven zal.

‘Geef wat u van uzelf hebt maar hier. Dan krijgt u (in uw lege handen) alles van Mij!’ En, zoals Elia gehoorzaam naar de beek Krith ging, zo is ook zij gehoorzaam. Kijk maar in vers 15 en 16: En zij ging heen, en deed naar het woord van Elia; zo at zij, en hij, en haar huis, vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN, dat Hij gesproken had door den dienst van Elia. Elia vertrouwde met zijn lege handen op de goede zorg van de Heere. En ook zij vertrouwt met haar lege handen op de goede zorg, die de Heere haar belooft.

Allebei moeten ze zeggen: ‘Heere, ik ben niets. En ik heb niets. Maar U, Heere, hebt alles. En ik vertrouw op U.’ Zo, meisjes en jongens, kan je dankdag houden. Met niets… Met ziekte, met verdriet, met armoede, met gebrek, met eenzaamheid. Omdat de Heere je laat vertrouwen op wat Hij belooft. Op…? Op rijk worden, op gezond worden, op heel veel vrienden krijgen? Nee, op dat Hij voor je zal zorgen, iedere dag weer opnieuw, en je zal geven wat je nodig hebt.

Want kijk maar hoe de Heere zorgt. Eerst voor Elia. Kreeg hij een hele voorraad eten mee, voor het hele jaar aan de beek Krith? Nee, hij kreeg voor iedere dag brood, vlees en water. En nu deze mevrouw ook. Krijgt zij honderd liter olie en tien zakken meel?

Nee, de Bijbel zegt: Het meel hield niet op, het stopte niet. Iedere dag als ze meel uit de kruik wil scheppen, zit het erin. En de olie ontbrak niet, die was er altijd. Iedere dag weer komt er olie uit de fles. Precies genoeg. Voor iedere dag… Net als destijds in de woestijn. Waar iedere dag het manna uit de hemel regende.

Vers 15 zegt: En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen. Vandaag kijken we ook terug, naar heel veel dagen die achter ons liggen. Om na te denken over wat de Heere allemaal aan ons gaf. En om Hem daarvoor te danken. Maar voordat we danken, is het goed om na te denken over hoe en wat we van de Heere gevraagd hebben.

(a) Het kan zijn, dat je heel veel aan de Heere gevraagd hebt. Teveel voor mij om op te noemen. Want (dacht je): Hoe meer hoe beter, hoe meer hoe mooier. En misschien was het afgelopen jaar ook wel een heel mooi jaar… Alles was zo mooi, zo goed. Je kreeg zulke mooie dingen…

(b) Het kan ook zijn, dat je alleen je lege handen naar de Heere omhoog gehouden hebt, en gezegd hebt: ‘Heere, help me! Geef me niet wat ik zo graag wil hebben, maar geef me alstublieft wat U goed voor me vindt. Misschien is het gezondheid, misschien is het ziekte. Misschien voorspoed, misschien tegenspoed. Misschien vrienden, misschien eenzaamheid. Maar, Heere, als U er maar bij bent…’

Hoe heb jij destijds met biddag eigenlijk gebeden? En nu is het vandaag dankdag! Je kon op twee manieren bidden. Je kan vandaag op twee manieren danken. Je kan jezelf danken. ‘Ik ben zo dankbaar want: Ik heb echt goed mijn best gedaan, er is echt heel veel gelukt, en ik ben echt heel goed vooruit gegaan.’ Net als de farizeeër in de tempel: ‘Dank U, Heere, dat ik…, ik.., ik.

Twee manieren zijn er om te danken. Je kan diep in je hart jezelf danken. Dat is de eerste manier. Of, dat is de tweede manier, of je kan de Heere danken. Maar dat kan alleen (dat heb je gezien, net als bij Elia en bij die mevrouw), dat kan alleen met lege handen. ‘Heere, ik kon het niet. Ik had het niet. Ik deed het niet. Maar U, Heere, deed alles. U gaf me alles wat ik nodig had. En daarvoor zeg ik U, Heere, eerbiedig dank.

Danken, meisjes en jongens, kan je alleen: met lege handen.

Amen.

Slotzang Psalm 81:12