Zij baarde haar eerstgeboren Zoon – Lukas 2
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
Hier is een jongen die vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen?
Die het gras op de bergen doet uitspruiten; Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods.
De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft
En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.