Zij baarde haar eerstgeboren Zoon – Lukas 2
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
Hier is een jongen die vijf gerstebroden heeft en twee visjes; maar wat zijn deze onder zovelen?
Die het gras op de bergen doet uitspruiten; Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.
Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet, want derzulken is het Koninkrijk Gods.
De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij zachtjes aan zeer stille wateren.
Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft
En zij baarde haar eerstgeboren zoon en wond Hem in doeken en legde Hem neder in de kribbe.
En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en legde Hem neder in de kribbe, omdat voor hen geen plaats was in de herberg.
En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig!
En als zij Hem ontkleed hadden, deden zij Hem een purperen mantel om; en een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechterhand.
En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.
Want zo zegt de HEERE, de God Israëls: het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der fles zal niet ontbreken, tot op de dag, dat de HEERE regen op de aardbodem geven zal.
En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk is een oort.
Toen beval de koning, en zij brachten Daniël voor, en wierpen hem in den kuil der leeuwen.
De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs.
Schrijf u in en ontvang regelmatig een bericht over de nieuw geplaatste leespreken.