Een doodlopende weg – Exodus 14
| Preek over: Een doodlopende weg Exodus 14:13-13: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. |
Doortocht door de Rode Zee: Israël gevangen tussen bergen, farao en de zee, terwijl de Heere Zelf spreekt: “Zeg den kinderen Israëls, dat zij voorttrekken” (Exodus 14:15). Deze leespreek over Exodus 14 laat zien hoe een schijnbaar doodlopende weg door Gods hand een gebaande weg wordt, en nodigt de lezer uit te ontdekken hoe de Heere ook vandaag door de diepste wateren heen een pad baant voor Zijn volk.
Bijbelgedeelte over: Een doodlopende weg
| 10 Als Farao nabijgekomen was, zo hieven de kinderen Israëls hun ogen op, en zie, de Egyptenaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israëls tot den HEERE. 11 En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt? 12 Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen dan in deze woestijn te sterven. 13 Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. 14 De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. 15 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. 16 En gij, hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge. 17 En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaars verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagens en aan zijn ruiters. 18 En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters. |