6 oktober 2024
Exodus 14:13-14: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
INLEIDING
Wanneer Israël aan de Rode Zee vastloopt—omsingeld door vijanden en onmogelijkheden—spreekt de Heere door Mozes in Exodus 14: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN.
Dezelfde roeping tot stilte en vertrouwen klinkt vandaag voor wie in eigen totaal onvermogen moet leren dat alleen Gods macht verlost en God zich alleen verheerlijken kan en wil.
EXODUS 14:13-18
13 Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid.
14 De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
15 Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.
16 En gij, hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge.
17 En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaars verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
18 En de Egyptenaars zullen weten, dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Exodus 14:13-14
Ze zijn blij uit Egypte vertrokken. Eindelijk vrij! Op weg naar het beloofde land! Zoals u kortgeleden misschien ook wel, zingend uit de kerk naar huis gegaan bent...
Maar… (hoofdstuk 13:18): De Heere leidde het volk om. Een omweg… En toen (hoofdstuk 14:1-2), toen werd nog ingewikkelder: Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende: Spreek tot de kinderen Israëls, dat zij wederkeren (teruggaan) en zich legeren voor Pi-Hachirôth, tussen Migdol en tussen de zee; voor Baäl-Zefon, daartegenover zult u u legeren aan de zee.
En dus trekt die eindeloze stoet van mensen op Gods bevel langzaam terug, in de richting van Egypte. Tot voor de plaats Pi-Hachirôth. Tussen Migdol (een burcht, een kasteel vol zwaarbewapende Egyptische soldaten) en de zee. Tegenover Baäl-Zefon, een dreigend afgodsbeeld, dat erop toeziet dat iedere slaaf die uit Egypte vlucht, zal verdrinken in de zee. Het is één grote fuik. Het is één doodlopende weg. Langzamerhand zien ze het gebeuren. Ze kunnen hier geen kant meer op…
En tot overmaat van ramp zien ze plotseling achter zich farao en zijn ruiters, met een leger van paarden en zeshonderd wagens. Paniek breekt er uit! Sommigen roepen tot de Heere, maar anderen richten hun pijlen op Mozes. Mopperend, schreeuwend (vers 11-12): Hebt u ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt u ons dat gedaan, dat u ons uit Egypte uitgevoerd hebt? Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons en laat ons de Egyptenaars dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaars te dienen dan in deze woestijn te sterven.
En zo loopt Israël, zojuist verlost uit Egypte, volledig vast aan de oever van Schelfzee. Waarom doet de Heere dat? Waarom laat de Heere Zijn volk en kinderen ook nu zo vaak vastlopen? In tijdelijke zorgen, in geestelijke nood? Waarom loopt alles anders dan u of jij voorheen dacht, hoopte of geloofde? Waarom doet de Heere dat?
Gelukkig zegt Heere het Zelf, via Mozes tegen het volk Israël, en door deze geschiedenis vanmorgen ook tegen u en mij, in vers 4 (ook ook in vers 17 en 18): Zo zal Ik aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden. Doodlopende wegen zijn gelegenheden die de Heere voor Zichzelf maakt, om wonderen te gaan doen! Doodlopende wegen zijn gelegenheden die de Heere voor Zichzelf maakt, om Zijn Naam te gaan verheerlijken!
En we gaan vanmorgen zien, hoe de Heere dat gaat doen, bij dat vastgelopen volk van Israël aan de oever van de Rode Zee. Ik lees als samenvatting van de volgende verzen, als tekst voor de preek van vanmorgen voor Exodus 14 vers 13, 14 en 15: Doch Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal; want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken.
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Wat de Heere zegt tegen Zijn vastgelopen volk Tegen Zijn vastgelopen volk in geestelijke nood, in tijdelijke nood. Twee dingen: niet vrezen, maar stil zijn, en: niet stil staan, maar voorttrekken.
Dus de preek gaat over: Wat de Heere zegt tegen Zijn vastgelopen volk. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Niet vrezen, maar stil zijn 2. Niet stil staan, maar voorttrekken Als eerste dus:
1. Niet vrezen, maar stil zijn Herkent u iets van dit vastgelopen-zijn? Alles loopt zo anders, dan u voorheen dacht. a. In geestelijke zin. Je dacht dat het zo goed ging, je ging zo goed vooruit. Maar je liep vast. En de vijand kwam eropaf. Ja, want de helse farao laat je zomaar niet gaan. Je was zo goedsmoeds uit Egypte vertrokken, maar nu zit je klem. De zonde verstrikt je, de schuld drukt je. De wereld trekt aan je. En de duivel die zegt: ‘Je hebt geen heil bij God.’ En de grootste vijand zit misschien wel het dichtste bij: je eigen hart.
Je zit klem. Zoals de dichter van Psalm 142 zingt: 'k Wou vluchten, maar kon nergens heen, zodat mijn dood voorhanden lijkt scheen, en alle hoop mij gans ontviel, daar niemand zorgde voor mijn ziel. Alles loopt zo anders, dan je voorheen dacht.
b. Misschien ook wel in het tijdelijke leven: ziekte, zorg, baan kwijt, opleiding mislukt. Problemen thuis, in het gezin, in de familie, op het werk.
Door de Heere geroepen tot Zijn dienst, maar… de weg is geblokkeerd. 'k Zou willen vluchten, maar ik kan nergens heen…Vastgelopen…
Wat u doen moet? Vechten? Gaat u dat redden? Rechts de rotsen, met daar boven op de rotswand de Egyptenaars. Voor u een dreigend afgodsbeeld. Links de kolkende zee? Gaat u dat redden?
Nee, luister naar het woord van de Heere, in uw geestelijke nood, in uw tijdelijke zorgen, u, jij, die door de Heere uit Egypte bent verlost, gebracht op de weg naar het beloofde land… De Heere kwam in je leven. Hij rukte je los uit de handen van de farao, uit je vroegere leven zonder God. Hij deed wonderen, Hij ging je voor met Zijn wolk- en vuurkolom. Maar nu…, nu kijk je vertwijfeld om je heen. Hoe moet het nu verder? Je roept in paniek tot de Heere. Maar je stem stokt… Je moppert in totale verwarring: Waarom, HEERE? Waarom? Opdat Ik (zegt de Heere) verheerlijkt zal worden.
Luister, de Heere spreekt (in vers 13): Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij heden aan ulieden doen zal! want de Egyptenaars die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid. Vrees niet. Wat? Niet vrezen? Maar kijk toch naar alles om me heen! En staat vast en ziet het heil des HEEREN. Ja, maar waar is de Heere dan? Ik zie Hem niet!
Ja, maar de Heere ziet u wel. Zou Hij u niet zien? Zou Hij jou uit het oog verloren hebben? Hebt je nooit gelezen, dat de Heere zegt: Op dezen zal Ik zien, op den arme en verslagene van geest en die voor Mijn woord beeft (Jes.66:2)? En Ik zal de nooddruftige redden, die daar roept; mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft (Ps. 72:12Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.)? Zou de Heere niet weten van je droevige lot, zou Hij van je rampen geen kennis dragen?
Vers 14: De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. Je wilde en je wilt het graag zelf oplossen. Daarom laat de Heere je vastlopen. Anders zou je nooit de hoop opgeven op… jezelf. Maar wil de Heere verheerlijkt worden in je leven, dan moet je eerst alle hoop op jezelf opgeven. Alles uit handen geven. Stil worden. En zien… wat God doet. Die dwars door onze onmogelijkheid heen, ons wil gaan laten zien wat Hij gedaan heeft en wat Hij doet.
Hoop je diep in je hart nog steeds op je goede voornemens, op je goede bedoelingen, op je beloften van beterschap, op je tranen, gebeden en ervaringen? Heb je nooit gezien dat het alleen maar gaat om Gods werk? In Gethsémané streed Jezus Zijn strijd alleen. Terwijl Zijn discipelen sliepen. En op Golgotha hing Hij alleen aan het kruis. Hij stierf alleen…
Laat de strijd maar aan Hem over. Zeg, midden in het donker, Jona maar na: Het heil is des HEEREN (Jona 2:9Maar ik zal U offeren met de stem der dankzegging; wat ik beloofd heb, zal ik betalen. Het heil is des HEEREN.). Laat de Heere maar doen in uw hart en leven, wat u zelf niet en nooit kan. Vastgelopen mensen, de HEERE zal voor u strijden. Hij doet het. Het goede werk dat Hij in u begon, toen Hij u meenam uit Egypte, zal Hij ook Zelf voleinden.
En wij…? Wij hoeven niet te werken. Wij mogen stil zijn. En onze hoop op God slaan. Op Christus, Die onze Hoop is. Want wie niet meer werkt, maar gelooft (zegt Paulus in Romeinen 4) in Hem (in Christus) Die de goddeloze rechtvaardigt, die wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.
Vers 14: De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn. Ook als uw weg in het tijdelijke leven anders lijkt te gaan, als dat de Heere ooit sprak of u beloofde. Als uw weg geblokkeerd is. Als de Heere u riep tot Zijn dienst, maar u tot nu toe niets ziet, wat lijkt op de vervulling van Zijn beloftewoord… Niet mopperen, niet schreeuwen, niet klagen! Niet in paniek raken van de Egyptenaars achter u, van Baäl-Zefon voor u, van de golven naast u! Maar luisteren naar dit antwoord op uw roepen tot de Heere: Vreest niet, staat vast en ziet het heil des HEEREN dat Hij(!) heden aan ulieden doen zal. De HEERE zal voor ulieden strijden, en gij zult stil zijn.
Want ook in ons tijdelijke leven geldt, dat de Heere ons zo vaak in de onmogelijkheid brengt, om gelegenheid te scheppen om Zichzelf te verheerlijken. Zodat je later niet zal denken: Dit heb ik gedaan, dit is mijn werk. Maar zodat je later alleen maar verwonderd kunt terugkijken, en zeggen: God baande door de woeste baren en brede stromen voor mij een pad. Wees stil, weet dat de Heere God is (Ps. 46:10Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.).
Laten we hieraan denkend samen gaan zingen uit Psalm 66:3 en 4: God baande door de woeste baren En brede stromen ons een pad; Daar rees Zijn lof op stem en snaren, Nadat Hij ons beveiligd had. Hij zal eeuw uit eeuw in regeren; Zijn oog bewaakt het heidendom; Hij zal d' afvalligen verneêren; Hij keert hun trots' ontwerpen om.
Looft, looft den HEER der legerscharen, O volken, heft een lofzang aan; Hij wil ons in het leven sparen, Ons hoeden op de steilste paân, Voor wank'len onzen voet bevrijden. Gij hebt ons voor een tijd bedroefd, En ons gelouterd door het lijden, Gelijk het zilver wordt beproefd.
Gemeente, Israël zit volledig klem. Links de zee, rechts en voor de rotsen, en achter hen farao, die steeds dichterbij komt. Maar, nu zij geen uitkomst meer zien, nu gaat de Heere uitkomst geven. We gaan te zien in ons tweede aandachtspunt:
2. Niet stil staan, maar voorttrekken We lezen in vers 15, 16 en 17: Toen zeide de HEERE tot Mozes: Wat roept gij tot Mij? Zeg den kinderen Israëls dat zij voorttrekken. En gij, hef uw staf op en strek uw hand uit over de zee en klief dezelve, dat de kinderen Israëls door het midden der zee gaan op het droge. En Ik, zie, Ik zal het hart der Egyptenaars verstokken, dat zij na hen daarin gaan; en Ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijn wagens en aan zijn ruiters.
Mozes, wat roept u tot Mij? Ik Zelf heb u in deze weg gebracht, in deze doodlopende weg. Denk nu niet, dat Ik Mij vergist heb, dat het Mij uit de hand gelopen is. Ik ben het Zelf, Die je oog in oog laat staan met deze zee voor je, terwijl de vijand die achter je raast, steeds dichterbij komt. Met maar één doel: Opdat Ik verheerlijkt zal worden. Want, dwars door deze weg, zal Ik Zelf een weg banen, om Mijzelf en Mijn Christus groot te maken.
En daarbij, Mozes: Wat roept u tot Mij? Want voordat u riep, heb Ik u al geantwoord. Ik heb uw gebed al aangenomen. U moet niet blijven vragen, terwijl Ik u al verhoord heb. Ik heb u toch gezegd, dat Ik voor u zal strijden en dat u stil mag zijn? Nu, dan mag u hopen en vast vertrouwen op Mijn Woord. En dan mag u stil en gerust wachten op Mijn tijd. Maar als dat tijdstip dan aangebroken is, dan ook Gods bevelen uitvoeren. Wat roept u tot Mij? Zeg de kinderen Israëls dat zij voorttrekken.
Voortrekken? Waarheen? We kunnen niet vooruit. Niet links, niet rechts. Niet vooruit, niet achteruit! Je moet je toch even indenken hoe dat is geweest, gemeente. Kort hiervoor hebben ze gegeten van het paaslam, veilig achter het bloed. Juichend zijn ze uit Egypte vertrokken, beladen met goud en zilver. Denkt u, kinderen van God, bij uzelf onwillekeurig ook niet terug aan de rijke zegen die Heere u in het verleden gaf? Maar daarna liep u vast...
En nu: Voortrekken, vooruit, lopen! Ja, maar er is geen weg! Wat de Heere doet? Hij dringt ons in de engte, in het nauw. Hij ontneemt ons onze rust en troost. Hij gunt ons geen rust en geen troost, dan de enige troost en rust die er is in Christus. En dus brengt de Heere ons vaak op moeilijke wegen, op doodlopende wegen ook. Om ons arm te maken. Om ons te laten zien, dat we van onszelf niets hebben en niets kunnen. Om onze trots te breken. Om ons klein te maken. Roepend uit de diepte: ‘Heere, behoed
me, ik verga! Ik heb geloofd, ik heb op U vertrouwd in noden, maar Heere, kom nu mijn ongelovigheid te hulp!’
Waarom doet de Heere dat? Omdat Hij niet wil, dat wij groot worden. De Heere wil dat Hij verheerlijkt zal worden. Dat is de diepe echo, die door heel de woestijnreis heen- echoot. En die, kinderen van God, ook door heel ons leven wil heen-echoën: Opdat Ik, de Heere, verheerlijkt zal worden. En dat kan eerlijk gezegd alleen maar gebeuren als wij, vanuit de diepte van ons onvermogen, leren hopen op Gods onfeilbare Woord. Stil zijn, en letten op wat Heere gaat doen. En gehoorzaam zijn: voorttrekken!
En dan...? Dan zien ze Gods machtige daden. Vers 19 en 20: En de Engel Gods (Gods aanwezigheid in de vuurkolom), Die voor het heir van Israël ging, vertrok en ging achter hen; de wolkkolom vertrok ook van hun aangezicht en stond achter hen. En zij kwam tussen het leger der Egyptenaars en tussen het leger Israëls; en de wolk was tegelijk duisternis en verlichtte den nacht; zodat de een tot den ander niet naderde den gansen nacht. Donker wordt het bij de Egyptenaars, aardedonker. En licht wordt het, waar het eerst zo bang was. Nu de Heere Zijn licht laat vallen op een pad, dat Hij Zelf gaan banen.
Vers 21 en 22: Toen Mozes zijn hand uitstrekte over de zee, zo deed de HEERE de zee weggaan door een sterken oostenwind, die ganse nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd. En de kinderen Israëls zijn ingegaan in het midden van de zee op het droge; en de wateren waren hun een muur, tot hun rechter- en tot hun linkerhand.
De zee is in de Bijbel meestal een beeld van Gods toorn. Die ontembare golven zijn beeld van de wraak van Gods heiligheid over het kwaad van onze zonde. Daar komt, daar zwemt geen mens doorheen. Je kan ‘t proberen: met ijver, met goede bedoelingen, met eindeloze beloftes van beterschap, met inspanning, met tranen, met wat al niet… Maar in die zee van Gods toorn gaat ieder mens (die zelf probeert te zwemmen) verdrinken.
Tenzij de Heere Zelf een pad baant, het nooit ontdekte spoor, dwars door die zee heen. De door de meerdere Mozes, de door Christus gebaande weg. Hij ging onder, toen Hij moest gaan dwars door de diepste zee van Gods toorn. En zo baande baande door die woeste baren en brede stromen een pad, waar geen pad meer was.
Een pad wat het volk Israël mag zien, en wat ze mogen volgen, bij het licht van de vuurkolom die voor hen uitgaat. In het donker van je eigen hart, zie je die weg niet. Maar wel als de Heere eraan te pas komt, en Zijn licht er op laat vallen. Op het Pad, op de enige Weg, door de zee van Gods toorn heen. Op Christus. Om onze voeten te richten op de weg des vredes. De kolkende toorn van God is op Hem gelegd. En zo heeft Hij vrede gemaakt, door het bloed van Zijn kruis. Voor een angstig, roepend, mopperend en schreeuwend volk.
In het licht dat voor hen uitgaat, beweegt die lange stoet van mensen zich nu langzaam vooruit, op dat pad door de zee, op weg naar de overkant. Op een weg door een diep dal. Maar de Heere gaat hen met Zijn heillicht voor. En dus gaan ze veilig. Geleid door het licht van Gods vriendelijke aangezicht.
Zo leidde de Heere Zijn volk en kinderen toen. En zo leidt de Heere ook Zijn volk en kinderen nu. Vaak door wegen van onmogelijkheid. Waar we alles van onszelf kwijt raken. Waar de Heere ons leert: stil te zijn en te hopen op Hem. Te wachten op het heil des Heeren, op redding door Zijn hand. Totdat er voor eerst licht valt, en weer opnieuw en meer licht valt (tot onze innige blijdschap en verwondering) op de weg, op de enige Weg, op Jezus Christus. En we in dat licht weer mogen voorttrekken. Gelovend in Zijn Naam, vertrouwend op Zijn Woord, op Zijn beloftewoord. Dwars door de diepe dalen van dit leven. Zo, door die weg, kinderen van God, wil de Heere Zijn Naam verheerlijken in ons leven.
Onze weg kan een weg zijn van veel beproeving en van veel tegenspoed. Waarom? Om ons te leren, midden tussen die muren van water links en rechts, om verder te gaan. Gelovend, steunend op Gods onfeilbare beloftewoord: Ik ben met u. En Ik zal niet feilen in Mijn trouw, noch Mij verbond ooit schenden. Ik zal nooit herroepen, wat Ik eenmaal heb gesproken. Wat uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken.
a. Het kan zijn dat u vanmorgen voor het eerst in uw leven staat voor zo’n Rode Zee. Voor een kolkende zee van tijdelijke nood. Voor een kolkende zee van zondeschuld. Vastgelopen. Oog in oog met de onmogelijkheid aan uw kant. U hebt ’t verdiend dat u in farao’s handen om zult komen…
Wat u doen moet? Roepen tot de Heere. En hopen. Niet meer op uzelf, want zelf zwemmend komt u nooit aan de overkant. Roepen. En stil zijn. En hopen op het heil des Heeren. Op redding bij de Heere vandaan. Roepende mensen, met een hart vol zondenood, vrees niet, de HEERE zal voor u strijden, en u zult stil zijn.
Hij Zelf kan en zal een weg banen, waar u geen weg meer ziet. Hij zal u voorgaan met Zijn heilicht, op een nooit ontdekt spoor. Waar u nooit op gebracht zou worden, als Christus niet dat spoor had gebaand. Door Zijn gehoorzaamheid, door Zijn lijden en sterven kruis, door Zijn opstanding en leven. Opdat totaal verloren mensen, door de Geest van God geleid, weer teruggebracht zouden kunnen worden tot God. Hoop op de HEERE, er zal verlossing komen.
b. Het kan ook zijn, kinderen van God, dat u vanmorgen opnieuw staat voor zo’n Rode Zee. Omdat u na uw verlossing uit Egypte, en na al wonderen die de Heere deed, de Heere vergat, Die zoveel wonderen had gedaan. U verdwaalde. U ging weer hopen dat u zelf misschien wel iets kon bijdragen aan uw redding en behoud.
Totdat de Heere u (hoe dan ook) nu weer opnieuw in het nauw brengt. Waarom? Omdat wij van Zijn eer willen stelen. Omdat wij ook iets willen zijn. Maar de HEERE alleen wil verheerlijkt worden. En zo kan de Heere ons opnieuw leiden op donkere en doodlopende wegen. Waar we zelf geen uitweg meer zien.
Waarom? Om ons te leren, dat de Heere ondanks ons, toch niet zal laten varen het werk van Zijn handen. Dat Hij ons op onze reis door deze aardse wildernis, toch nooit zal loslaten. Maar altijd weer zal redden uit alle nood en dood.
Door die moeilijke wegen wil de Heere ons brengen tot ernstig berouw. Tot verlies van alle vertrouwen op onszelf. Tot blijvende schaamte. En ook tot steeds grote verwondering en blijdschap in de Heere. Als de Heere Zijn Vaderlijke aangezicht weer over ons laat lichten. En ons met vreugde verder laat trekken, op het pad dat Hijzelf gebaand heeft. Dan zingen we in Hem verblijd van ‘s Heeren wegen!
God baant een weg dwars door de Rode Zee. Het is in oudtestamentisch beeld, dat vooruit wijst naar het latere sacrament van de Heilige Doop. Israël was niet beter dan Egypte. Maar Israël vond genade in de ogen des Heeren. Dwars door het water heen, werd het volk Israël gered. Maar de Egyptenaars zijn in datzelfde water verdronken.
Kijk maar in vers 26 en 27: En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagens en over hun ruiters. Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee, en de zee kwam weder tegen het naken van den morgenstond tot haar kracht, en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee. Kijk ook maar in vers 30: Alzo verloste de HEERE Israël aan dien dag uit de hand der Egyptenaars; en Israël zag de Egyptenaars dood aan den oever der zee.
De één: verlost. De ander: dood aan de oever van de zee… Wat aangehaald wordt in het Doopformulier: U, Die de verstokten Farao met al zijn volk in de Rode Zee verdronken hebt, en Uw volk Israël droogvoets daardoor geleid, door hetwelk de Doop beduid werd… Israël werd gered, dwars door het water heen. Maar Farao en al zijn volk is in datzelfde water verdronken.
Het doopwater wijst naar het bloed van de Heere Jezus Christus. En dat bloed van Christus kan (dat is de analogie die hierin ligt) door Gods genade de weg worden tot eeuwig behoud van je ziel en tot heerlijkheid van God. De weg om veilig aan te komen in het hemelse Kanaän.
Maar je kan ook, net als de Egyptenaars, verdrinken. Verdrinken in je doopwater… Als je willens en wetens (net als farao) geweigerd hebt te luisteren.
Als je de roepstemmen van God in je leven genegeerd hebt. Als je bewust doorgegaan bent op je eigen weg. Als de weg je gewezen is. Als zelfs het licht van dit Woord erop gevallen is. Als zelfs het licht van overtuigingen erop gevallen is…
Er waren tijden dat je ermee liep. Het maakte je onrustig. Het raakte je. Je voelde het: dit is de weg, de enige weg… Wat op je voorhoofd geschreven staat (met de waterdruppels van de Heilige Doop): Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde… Maar, je wilde die weg niet gaan. Je wilde je niet laten wassen in dat bloed van Christus. Wees gewaarschuwd, lieve mensen, zo kom je voor eeuwig om. Ga zo niet door.
Maar wanhoop ook niet. Want die weg is nog steeds beschikbaar. En die weg is ook beschikbaar voor u! Een geopende, een gebaande weg. Want het bloed van de Zaligmaker Jezus Christus is nog steeds beschikbaar. Voor u allemaal! U kunt nog zalig worden. Sterker, u moet zalig worden. Wend u dan naar God toe en word behouden. Ik bid u van Christuswege: Laat u met God verzoenen. Hijs de witte vlag van de overgave. Breek met uw zonden. Geef de hoop op uzelf op. En kom met uw verloren leven tot Christus. Geef Hem uw hart. Wie tot Hem komt, zal Hij niet uitwerpen!
Amen.
Andere preken over Exodus
Andere preken voor Woestijnreis
Andere gerelateerde preken