PREEK · VRIJE STOFFEN

Onwaardiglijk eten en drinken - 1 Korinthe 11

12 september 2021

1 Korinthe 11:27-28: Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood en drinke van den drinkbeker.

INLEIDING

In verdeeldheid en misbruik rond de liefdemaaltijden in Korinthe legt Paulus een blijvende regel neer voor de bediening van het Heilig Avondmaal: “Zo dan, wie onwaardig dit brood eet of de drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelf” (1 Korinthe 11:27-28). Deze leespreek uit 1 Korinthe 11 laat zien wat het betekent om jezelf te beproeven en wat onwaardig eten en drinken inhoudt, als voorbereiding op de bediening van het sacrament.

THEMA

De voorbereiding op het Heilig Avondmaal

KERNPUNTEN

  1. Wat het betekent
  2. Wat het betekent

1 KORINTHE 11:27-32

27 Zo dan, wie onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren.
28 Maar de mens beproeve zichzelven, en ete alzo van het brood en drinke van den drinkbeker.
29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
31 Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
32 Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.

VOLLEDIGE TEKST

Onwaardiglijk eten en drinken - 1 Korinthe 11

ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 11:27-28

THEMA

De voorbereiding op het Heilig Avondmaal

Gemeente, vanmorgen gaat de preek over het gedeelte uit 1 Korinthe 11, waar Paulus schrijft over de inzetting en de praktijk van het sacrament van het Heilig Avondmaal. We willen in deze voorbereidingsdienst vooral nadenken over 1 Korinthe 11, vers 27 en 28. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Zo dan, wie onwaardig dit brood eet of de drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Maar de mens beproeve zichzelf en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker.

Het thema voor de preek is: De voorbereiding op het Heilig Avondmaal

Er zijn twee aandachtspunten: 1. Wat het betekent: jezelf te beproeven 2. Wat het betekent: onwaardiglijk eten en drinken Als eerste dus:

1. Wat het betekent: jezelf te beproeven

Het gaat niet goed in de gemeente van Korinthe. Kijkt u maar in vers 18. Er zijn scheuringen. Er is groepsvorming. De één zegt: Ik ben van Paulus. De ander zegt: Ik ben van Apollos, of: Ik ben van Cefas. En weer een ander zegt: Ik ben van Christus. Met andere woorden: er zijn groepen, er zijn clubjes, er is verdeeldheid. En dat staat niet los van dat andere, wat we lezen in vers 18 tot en met 22: er is gedoe rond het Heilig Avondmaal. In de huisgemeente van Korinthe worden zogenaamde liefdemaaltijden gehouden, voor het Heilig Avondmaal, of als vorm van het Heilig Avondmaal. Iedereen komt bij elkaar om te eten, waarschijnlijk in het huis of in de tuin van de rijke Justus. Maar het zou goed zijn als iedereen daar evenveel aan zijn trekken kwam, en als iedereen daar maat wist te houden. Maar dat is nu juist niet het geval. Sommigen zijn heel egoïstisch, ze houden alles voor zichzelf, ze drinken ook teveel, en anderen krijgen niets. Paulus bestraft de gemeente van Korinthe daarom: Dit is niet zoals het moet!

En dan gaat hij van dat speciale voorbeeld over hoe het toegaat in Korinthe, naar een soort algemeen voorschrift: Heilig Avondmaal houden? Hoe doen we dat in de gemeente?

Nou, dat begint (zo lezen we in de verzen 27 tot en met 34), dat begint met voorbereiding. Zoals ook het avondmaalsformulier dat zegt: Opdat wij nu tot onze troost (die is daar kennelijk aan verbonden!) des Heeren Avondmaal mogen houden, is ons voor alle dingen nodig dat wij ons tevoren recht beproeven. Zoals het staat in vers 28: Maar de mens beproeve zichzelf, en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker.

De mens beproeve zichzelf. Het is een gebiedende wijs, in een vorm die aangeeft: dat moet je steeds weer doen! Jezelf beproeven, jezelf onderzoeken, heel goed kijken… Als je iets wilt kopen, dan kijk je heel goed of je wel genoeg geld hebt. Als je een bepaalde opleiding wilt volgen, kijk je heel goed of je wel de goede papieren hebt. Als je naar het feest van een bruiloft gaat, bedenk je van tevoren, of je wel uitgenodigd bent. Zo ook hier: nadenken, bedenken, onderzoeken: ‘geldt de uitnodiging voor het Heilig Avondmaal ook voor mij? Word ik ook uitgenodigd voor dit bruiloftsmaal?’

Onderzoeken… Sterker nog, er staat: beproeven. Wat een goudsmid doet als hij goud inkoopt: hij kijkt heel goed, hij onderzoekt, hij weegt het goud op een weegschaal…, en hij neemt ook de proef op de som. Hij beproeft. Bijvoorbeeld door dat goud over een bepaalde toetssteen te halen. Om te toetsen: is het echt of is het namaak? En door er een druppel salpeterzuur op te doen en te kijken naar de reactie. Dan zie je: is het echt of is het namaak?

Zo staat het hier: neem de proef op de som, onderzoek, beproef… uzelf. We zouden in deze tijd zeggen: maak een MRI-scan van jezelf. En dat is moeilijk, om in deze week van voorbereiding niet een ander, maar jezelf te onderzoeken; om echt eerlijk naar jezelf te kijken. Dat is moeilijk, om jezelf te onderzoeken. En om daarbij, want je wilt eerlijk zijn, de goede toetssteen te gebruiken, het Woord van God. Voordat je eet van het brood en drinkt van de wijn, moet je jezelf bij het licht van het Woord van God beproeven. Heel goed, heel eerlijk kijken naar… je hart.

Maar hoe dan? Laat ik u daar wat praktische richtlijnen voor proberen te geven. Hoe doe je dat, jezelf voorbereiden voor het Heilig Avondmaal? a. Door eerst in stilte biddend na te denken over de volgende vijf dingen. En daar moet u, gemeente, ook geschikte tijd voor zoeken. Tijd voor nemen in uw agenda om in stilte na te denken. - In de eerste plaats over je zonden, aan de voet van het kruis. Want je schuld voor God zie je het meest, als je ziet en hoort hoe de Zoon van God bidt, roept, beeft, bloedt en sterft. - In de tweede plaats over de heiligheid van God, zichtbaar aan het kruis. Want eerder dan dat God de zonden ongestraft kon en wilde laten, heeft Hij die gestraft met de bittere en smadelijke dood van Zijn lieve Zoon aan het kruis. Gemeente, laat uzelf diep doordringen met een besef van Gods heiligheid. Wie aan het Heilig Avondmaal gaat, nadert tot de heilige God. De avondmaalstafel is een heilige tafel.

Dus, eerst eerlijk kijken naar je hart, denkend over je zonden, denkend over de heiligheid van God. Maar ook: - In de derde plaats over de oneindige wijsheid en liefde van de Vader, zichtbaar aan het kruis. Want daar zie je dat de Vader Christus heeft overgegeven tot een verzoening voor de zonde. - In de vierde plaats over de liefde van Christus, zichtbaar aan het kruis: Die Zichzelf heeft gegeven tot een verzoening voor onze zonden. - En ook als laatste over de genade van de Heilige Geest, Die in die weg vrede wilde maken tussen God en verloren opstandelingen.

Dus eerlijk kijken naar je hart. Door eerst in stilte biddend na te denken over deze vijf dingen aan de voet van het kruis.

b. En door dan jezelf in het licht van dat kruis biddend te onderzoeken. En wat zijn dan de vragen, die je aan jezelf moet stellen? Als eerste: Heb ik echt berouw, treur ik oprecht over mijn zonden? Denkend aan Zacharia 12:10: door de Geest der genade-en der gebeden zullen zij Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben; en zij zullen over Hem rouwklagen als met de rouwklage over een enigen zoon; en zij zullen over Hem bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene. Heb ik mijn zonden echt zo leren kennen als misdaden tegenover God? Is dat mijn grootste verdriet? Heb ik rouw, be-rouw over mijn zonden?

En wat zijn die zonden dan? Wat zijn de zonden die ik gedaan, gedacht en gezegd heb in de tijd je achterligt? En wat heb ik gedaan met de genade, die ik van de Heere gekregen heb? Al die dingen willen ons voor de Heere verootmoedigen, willen ons klein maken voor Hem. Dus: vragen stellen aan jezelf. Als eerste de vraag: Heb ik echt berouw?

Als tweede: Ken ik iets van het echte, van het ware geloof? Is heel mijn geloof en hoop gericht op deze Heere Jezus Christus, de Gekruisigde? Is Hij mijn enige Hoop, mijn enige Houvast? Waar ik met de last van die zonden heen vlucht? Gaat mijn hart naar Hem uit? Honger en dorst ik naar Zijn gerechtigheid? Vlucht ik met de nood van mijn leven tot Hem en tot Hem alleen? Is mijn enige hoop op Zijn onfeilbaar beloftewoord?

En, als derde: Is het mijn hartelijke voornemen voor altijd met de zonde te breken en mijn naaste lief te hebben als mezelf? Hoewel ik daarin nog zoveel tekort kom?

Zo alleen eten en drinken, zegt Paulus in vers 28, nadat je jezelf dat ernstig hebt afgevraagd.

En dat is moeilijk. Het is veel gemakkelijker om zomaar aan te gaan, om zomaar te zeggen dat je Christus kent, Hem liefhebt en voor Hem gekozen hebt. Het is veel gemakkelijk om, als je je wat onrustig voelt, snel aan te gaan in de hoop dat je daar rust zult vinden. Het is veel gemakkelijk om aan te gaan terwijl je ook de zonde nog een beetje vasthoudt, hetzij openlijk of verborgen. Het is veel gemakkelijker om je buitenkant te beoordelen, om te zeggen ‘die is goed’, maar om je hart over te slaan. Het is veel gemakkelijker onrustig in de bank te blijven zitten, terwijl je zomaar zegt: ‘ik ben geen kind van God’. Dat is veel gemakkelijker dan ‘jezelf tevoren echt beproeven.’

Want het is een moeilijk werk om in de stilte van de voorbereiding van de buitenkant naar de binnenkant te gaan. Om niet te zeggen: ‘ik weet het al, ik ben al bekeerd’. Of: ‘ik ben toch onbekeerd, het hoeft niet, dat zelfonderzoek’. Het is een moeilijk werk om je hart om te ploegen, om het onderste boven te leggen, terwijl je zegt: ‘kijkt U maar, Heere. Als het niet klopt, als er de verkeerde, een schadelijke weg is, leidt me dan toch op de goede, op de eeuwige weg. Proef mij, beproef mij, Heere, en onderzoek mij, toets mijn nieren en mijn hart’. Het is een moeilijk werk om diep te ploegen, zodat je zelfs dingen ziet, die je liever niet wilt zien.

Het is een moeilijk werk om jezelf af te keuren vanwege je zonden en diep te buigen voor God. Om te zeggen: ‘ik heb er weer niets van terecht gebracht. U weet het, Heere, want U ziet naar waarheid in het binnenste.’ Het is een moeilijk werk om alles van jezelf af te keuren, want ik deel zo graag: de Zaligmaker iets, en ik ook iets. Het is een moeilijk werk om mijn enige hoop op Christus stellen en om te breken met al mijn zonden, ook met mijn zondige begeerten en verlangens.

Het is een moeilijk werk: zelfbeproeving. Maar als je het niet doet, doe je het niet goed. Dan loop je het risico dat je op een onwaardige manier aangaat. Of dat je, en dat is minstens zo gevaarlijk, zonder schaamrood op je gezicht, zonder voorbereiding, zomaar in je bank durft te blijven zitten. Wat niet anders is (althans bij de meesten die dat doen) dan een openlijke afwijzing van Christus en van God.

Zonder goede voorbereiding eet je (zo zegt vers 28) onwaardiglijk, op een onwaardige manier van het brood, en drink je op een onwaardige manier van de drinkbeker des Heeren. En dus maak je je schuldig aan het lichaam en bloed des Heeren. We gaan het zo meteen zien in ons tweede punt, maar we zingen eerst uit Psalm 139, daarvan het 1e vers Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid. En wat er verder volgt in Psalm 139:1.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Wat het betekent: onwaardiglijk eten en drinken

Dat wil zeggen: Op een onwaardige manier, op een ongepaste manier eten en drinken. Zoals bijvoorbeeld in de gemeente van Korinthe: nadat men teveel gedronken had, of terwijl men even daarvoor de armen had laten verkommeren. Wie dat doet, wie op een verkeerde manier eet en drinkt, die zal schuldig zijn aan het lichaam en bloed des Heeren. Dan word je verantwoordelijk voor, medeplichtig aan, aansprakelijk voor, dan bezondig je jezelf aan het lichaam en bloed van de Heere Jezus Christus. Dus, niet op een onwaardige manier, maar op een waardige manier eten en drinken: gepast, zoals het hoort, zoals de Heere het bedoeld heeft.

U zegt (en ik stel die vraag toch maar, hoewel het daar hier niet om gaat), u zegt: ‘Maar wie is er nu waardig? Wie is er geschikt?’ Niemand. De bekende puriteinse dominee Thomas Boston zegt: zij, die in hun eigen ogen wel waardig zijn, zijn geheel onwaardig! Nee, zegt hij: het gaat om Evangelische waardigheid. Wie mag er komen? Zij die komen met gevoel van eigen verdorvenheid en leegheid. Zij die niets hebben van zichzelf (dat was het resultaat van een zelfonderzoek!), zij mogen met al hun dorst komen, zonder geld. Er is (zoals Jesaja schrijft) voor hen gratis wijn en melk.

Maar, gemeente, het gaat hier niet om de vraag ‘wie is waardig, wie is het waard?’, maar het gaat om (en dat is iets anders), om waardiglijk, op een waardige manier aangaan. En het is goed om daar vanmorgen samen heel gericht over na te denken. Over wat dat precies inhoudt: waardiglijk of onwaardiglijk, op een waardige of onwaardige manier (want dat staat er!), op een onwaardige manier eten en drinken. Wanneer doe je dat: op een onwaardige manier eten en drinken?

Dat doe je als je je niet goed voorbereidt. Terwijl de Heere ons daar wel toe oproept. Dat is een grove verachting van de Heere, van de heilige God en van Zijn heilige tafel. Dat doe je als je je er, wat betreft het zelfonderzoek, met een Jantje van Leiden vanaf maakt. ‘Het zal wel goed zitten. Vorige keer zat het toch ook goed?’ Ja, tenzij je je de vorige keer ook vergiste. Dat doe je als je (zoals staat in vers 29) niet onderscheid het lichaam des Heeren. Je onderscheidt niet, je ziet geen verschil tussen de tekenen van brood en wijn aan de ene kant, en waarheen die wijzen aan de andere kant, namelijk naar Christus. Met andere woorden: je bent tevreden met de vorm. Maar waar het echt om gaat, dat snap je niet. Dat doe je als je Avondmaal ziet als een goede gewoonte die we houden, zonder in te zien dat het een plaats en een moment is, waarop de Drie-enig God tot ons komt om Zijn hartelijke liefde uit te spreken en te laten zien aan Zijn kinderen.

Op een onwaardige manier eten en drinken, dat doe je als je aangaat met een hard hart, zonder berouw over je zonden (omdat je Hem doorstoken hebt!), en zonder liefde tot Christus.

Dat doe je als je alleen kijkt naar jezelf, zonder oog te hebben voor de stervende Zaligmaker, Die juist dan zegt: zie op Mij! Dit is Mijn teken van liefde voor u!

Dat doe je door, als je aan zit aan de tafel, te denken dat je daar aan zit vanwege je eigen keuze en liefde voor Hem. Wat een verachting van de eeuwige liefde van de Vader! Dat doe je door te letten op mensen (op de dominee, de ouderlingen en diakenen, op de anderen die mee aanzitten) en niet op Christus. Zoals de mensen in Korinthe keken naar de weelde van de rijken, en naar de armoede en het gebrek van de anderen. Sommigen trots en arrogant, anderen beschaamd en bevreesd voor mensen. Dat doe je door aan Christus, aan Zijn woorden en aan de tekenen te twijfelen. Waardoor Hij verzuchten moet, zelfs aan de avondmaalstafel: de Mijnen hebben Mij niet aangenomen. Dat doe je door aan te zitten, terwijl je weet dat er nog zonden zijn waarvan je geen afscheid hebt willen nemen. Van de onterechte afkeuring van een broeder of zuster, van onverhoord oordelen, roddelen, haat of kwaadspreken. De Heere Jezus zegt in Mattheus 5: Verzoent u eerst met uw broeder, en komt dan en offert uw gave (5: 24).

En dan zijn er ook nog kinderen van God, die zeggen: laat mij maar gewoon in mijn bank zitten, dan zal ik in ieder geval niet op een onwaardige wijze eten en drinken. Ik ken uw moeite, strijd en twijfel. Maar ik kan, wil en mag niet zeggen dat u goed bezig bent. Ik vraag u: waarom veracht u de instelling van de Heere en de rijkdom van Zijn genade? Uw weigering houdt u, misschien al jaren, geestelijk in het donker. Vraag de Heere geen kinderlijke gehoorzaamheid van u? De Heere zegt door de mond van Maleachi: ben Ik dan een Vader, waar is Mijn eer? En ben Ik een Heere, waar is Mijn vreze? (1:6)

Laat ik me vanmorgen vooral tot u richten, tot u die zo vol vragen zit. Iedere keer weer als het Heilig Avondmaal is, zit u te tobben, vol van vragen, vol van twijfel, en innerlijk misschien wel een beetje in paniek. Mag ik wel aangaan? Zou ik me geen oordeel eten? Zo zitten sommige kinderen van God jaren in de bank, zonder ooit aan te gaan. Kom, laten we onszelf onderzoeken, nu en in de komende week. Antwoord gevend op de vraag: hoor ik bij de genodigden van deze maaltijd? En het is goed, om iedere keer onszelf die vraag weer te stellen. Maar als u dan een genodigden bent, dan mag u niet wegblijven.

Onderzoek u, beproef uzelf of u iets kent (nog een keer) van de volgende drie dingen. En als u goed luistert, dan hoort u de parallel met wat het formulier voor het Heilig Avondmaal ons zegt over de voorbereiding.

Vraag 1: Kent u iets van bekering en berouw? Is uw hart ooit verbroken voor God? Omdat u iets gezien hebt van wie u bent? Zeg maar eerlijk: hoe taxeert u uw eigen hart? Redelijk goed? Aardig op weg?

Wat zou u dan voor aantrekkelijks zien in de Zaligmaker van zondaren en in de troost van de tekenen van het Heilig Avondmaal? Of moet u met Ezechiël zeggen: ik moet altijd maar weer terug denken aan mijn boze wegen, aan mijn handelingen die niet goed waren; en dan walg ik van mezelf voor God, vanwege mijn ongerechtigheden en gruwelen (36: 31)? En dat breekt mijn hart. De genodigden voor het Heilig Avondmaal zijn zulke gebrokenen van hart. Want zo zegt de HEERE: Ik woon in de hoogte en in het heilige en –wat een troost– bij die die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend maak de geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jesaja 57:15).

Vraag 2: Kent u iets van oprecht geloof? U zegt: Ja, daar zit de kern van mijn probleem. Bij de vraag: Ken ik Hem? Ben ik Zijn eigendom? Lig ik voor Zijn rekening? Dat is een terechte vraag, want Paulus zegt in 2 Korinthe 13: Onderzoek uzelf of u in het geloof bent, beproef uzelf. Of kent u uzelf niet dat Jezus Christus in u is, tenzij dat u enigszins verwerpelijk bent (2 Korinthe 13:5). Maar… wat hebben we vaak verkeerde gedachten van dat geloof. Hebt u ooit in uw Bijbel gelezen dat de oprecht gelovigen het altijd zeker weten en nooit twijfelen? Is het leven van Gods kinderen geen leven van strijd, tegen de inwonende zonde, tegen de duivel en de wereld? Dus worden we nooit groot in onszelf. We worden juist kleiner. En leren wat het Avondmaalsformulier ons zegt: om onze zaligheid en zekerheid buiten onszelf te zoeken in Christus Jezus.

Kijk, daar komt de Kananese vrouw. Eten van de tafel des Heeren? Nee, zegt de Heere: het is niet betamelijk om het brood van de kinderen te nemen en de hondekens (de hondjes) voor te werpen. Zij zegt: Ja, Heere! Doch de hondekens eten ook van de brokjes die er vallen van de tafel van hun heren. Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: o vrouw, groot is uw geloof; u geschiede, gelijk gij wilt. Wilt u een kenmerk van oprecht geloof? Het zegt: Ja, Heere, maar… ‘U bent een hond!’ ‘Wat zegt u? Ik?’, zegt de huichelaar, ‘Ik voel me een kind, ik ben een vriend!’ Wat zegt de oprecht gelovigen? Ja, Heere, maar… Maar U! U bent mijn enige hoop en verwachting. U bent mijn hoop, mijn uitzien, mijn verlangen. Ik zoek u in de dageraad. Mijn ziel dorst naar U. Wie heb ik nevens U omhoog, wat zou mijn hart, wat zou mijn oog op aarde nevens U toch lusten? Niets is er waar ik in kan rusten! Het geloof verlangt naar, hoopt op, ziet uit en vlucht naar de Zaligmaker. Naar een hele Zaligmaker. Dan hebben we Hem in alles nodig. Als Profeet om ons alles te leren. Als Priester, want we kunnen onszelf niet redden. En als Koning om heel ons leven te regeren. Dus: Kent u iets van berouw en bekering? Kent u iets van geloof en vluchten tot Christus?

Vraag 3: Kent u iets van: een leven in nieuwe gehoorzaamheid? Want zoveel liefde van God en Christus moet ons wel aansporen om een leven van dankbaarheid te leiden. In het spoor van Gods geboden. In alles, op alle terreinen van het leven. Hoewel ik in mezelf zwak ben en vaak struikel, maar toch: breken met alle zonden. Dan heb ik verdriet om de zonden waar ik steeds weer in terugval. Die brengen me altijd weer terug bij het bloed van de verzoening.

Als dit uw leven is, geliefde gemeente: als u geen vreemdeling bent van een hartelijk berouw omdat u tegen God gezondigd hebt, van een verbroken hart, van bekering van zonde, van oprecht verlangen naar Christus, van honger en dorst naar Hem omdat u van uzelf niets meer verwacht, en als u God en de broederschap liefhebt en hartelijk begeert om Hem te dienen, in één woord, als u zingt ‘wie heb ik nevens U in de hemel? Want uw goedertierenheid is voor mij, arme zondaar, beter dan dit leven…’ Dan heeft onze goede en getrouwe God volgende week voor u iets heel bijzonders. Hij wil u iets laten zien. Ja meer, Hij wil u iets geven. En is het bij al uw twijfel niet een grote belediging en minachting voor de Heere, als u Hem wel kent en wel genodigd wordt, als u dan toch zegt: ‘Maar ik kom toch niet, en wat U me geven wilt, dat neem ik niet aan, ik kijk wel van veraf toe?’

Hij wil u laten zien, laten proeven en smaken: Zijn weergaloze liefde voor u. Kom dan dichterbij als de Meester u roept. Hij weet dat u onwaardig bent, en dat vindt Hij ook! Maar ons Avondmaalsformulier zegt: Hij wil u voor waardig houden. Om Hem, om Christus.

Als er in uw hart dan een oprecht vluchten naar Christus is en een hopen alleen op Zijn genade, terwijl er in uw leven een hartelijke breuk gekomen is met de zonde, dan mag u komen, dan moet u komen! Dan wil God juist aan het Avondmaal uw twijfels en vragen oplossen. Maar als u niet tot Christus komen wil en niet met de zonde breken wil, blijft u dan alstublieft zitten. En zoek de Heere.

Toets u, gemeente, de komende week aan deze dingen, die u ook terugvindt in ons Avondmaalsformulier. Laat het volgende week zondag niet aankomen op gevoeligheden. Zeg niet: als ik dit lees, of als de dominee dat zegt, of als we dat versje gaan zingen, dan zal ik aangaan. Onderzoek uzelf, beproef uzelf. Dat geldt ons allemaal. En dat is, zo heb ik u gezegd, een moeilijk werk. Want we zijn als onderzoekers partijdig en eerder geneigd onszelf goed te keuren, dan onszelf af te keuren. Nogmaals, laat het niet aankomen op gevoeligheden. Doe wat de Heere van u vraagt. En besluit deze week na ernstig zelfonderzoek op grond van het Woord of u aan mag gaan of niet. Als u zo werk maakt van uw voorbereiding, mag u meer zegen verwachten. Als u het niet doet, ontneemt u uzelf te zegen.

We hopen en bidden dat de Heere ons volgende week een gezegende ontmoeting met Hem wil geven aan zijn tafel. Amen.

Afsluitend gebed: Formulier gebed ‘Openlijke belijdenis van zonden’

Slotzang Psalm 26:2,7:

Beproef vrij, van omhoog, Mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag. Doorzoek mij; toets mijn gangen; Doorgrond al mijn verlangen; En stel mijn oogmerk in den dag.

Daar wordt Uw lof verbreid, O Oppermajesteit, Door mij, die U bemin en acht; Daar zal mijn stem U prijzen, Voor al de gunstbewijzen, Voor al de wonderen Uwer macht.