16 september 2021
1 Korinthe 11:33: Zo dan, mijne broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
INLEIDING
Wie wil aangaan aan de tafel des Heeren, staat eerst voor de vraag van Psalm 15: “HEERE, wie zal verkeren in Uw tent?” Paulus wijst in dit deel van zijn brief de weg door te schrijven: “Zo dan, mijne broeders, als u samenkomt om te eten, verwacht elkander… Want indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden” (1 Korinthe 11:31-33). Deze leespreek, als vervolg op het vorige gedeelte uit 1 Korinthe 11, laat zien wat Gods oordeel, de veroordeling van onszelf en de verwachting van elkaar betekenen voor de voorbereiding op en de viering van het Heilig Avondmaal.
De raad van Paulus aan de gemeente van Korinthe met betrekking tot de voorbereiding op en de viering van het Heilig Avondmaal
1 KORINTHE 11:29-34
29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.
30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.
31 Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden.
32 Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.
33 Zo dan, mijne broeders, als gij samenkomt om te eten, verwacht elkander.
34 Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik ordineren als ik zal gekomen zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 11:33
THEMA
De raad van Paulus aan de gemeente van Korinthe met betrekking tot de voorbereiding op en de viering van het Heilig Avondmaal
HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? Zo begonnen we deze dienst, zingend uit Psalm 15. Wie in het Oude Testament opging naar de grote feesten, wie zich wilde begeven op het terrein van de tabernakel of van de tempel kon en mocht daar niet zomaar naar toe gaan. Die moest zich dit afvragen: HEERE, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg van Uw heiligheid? Of met woorden uit Psalm 24 vers 3: Wie zal klimmen op de berg des Heeren en wie zal staan in de plaats van Zijn heiligheid? Of met vergelijkbare woorden van Jesaja, hoofdstuk 33 vers 14: Wie is er onder ons die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons die bij een eeuwige gloed wonen kan? Indringende vragen, prangende vragen… Het antwoord? Dit is het antwoord van Jesaja: Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit dat hij het kwade niet aanzie (Jes. 33:15Die in gerechtigheden wandelt, en die billijkheden spreekt; die het gewin der onderdrukkingen verwerpt; die zijn handen uitschudt, dat zij geen geschenken behouden; die zijn oor stopt, dat hij geen bloedschulden hore, en zijn ogen toesluit; dat hij het kwade niet aanzie;). Met woorden uit het Nieuwe Testament: Hij of zij die door Gods genade leeft in een geheiligde levenswandel (1 Pet. 1:15).
En dus is de vraag terecht voordat we opgaan naar het heiligdom, voordat we aangaan aan het Heilig Avondmaal: Wie ben ik voor God? Hoe zal ik Hem ontmoeten? Hoe zal ik voor God verschijnen? Dat vroeg toen om zelfonderzoek en dat vraagt ook nu nog om zelfonderzoek.
Voor wie in die weg als kind van God aangaat, na dat ernstige zelfonderzoek, heeft Jesaja trouwens ook een bijzondere belofte. Wie zo nadert, zegt Jesaja, die zal in de hoogten wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijn wateren zijn gewis. Uw ogen zullen den koning zien in zijn schoonheid; zij zullen een vergelegen land zien. (Jes. 33:16-17).
De preek van vanavond gaat over 1 Korinthe 11, het vervolg van de preek over vers 27 en 28. We gaan nu door met vers 29 tot en met 34.
Onze tekstwoorden vindt u in 1 Korinthe 11 vers 29 tot en met 34, waar Paulus schrijft: Want die onwaardiglijk (op een onwaardige manier) eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken en velen slapen (Deze twee verzen gaan over Gods oordeel over de gemeente van Korinthe.) Want indien wij onszelf oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van (door) de Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. (Deze verzen gaan over de veroordeling van onszelf en het nut van Goddelijke kastijding.) Zo dan, mijne broeders, als u samenkomt om te eten, verwacht elkander. Doch zo iemand hongert, dat hij thuis ete, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen nu zal ik verordenen als ik zal gekomen zijn. (Deze verzen gaan over het verwachten van elkaar.)
Het thema voor de preek van vanavond is: De raad van Paulus aan de gemeente van Korinthe met betrekking tot de voorbereiding op en de viering van het Heilig Avondmaal
En we letten, zoals ik u zei, op drie aandachtspunten: 1. Het oordeel van God (vers 29 en 30) 2. De veroordeling van onszelf (vers 31 en 32) 3. De verwachting van elkaar (vers 33 en 34) Als eerste dus:
We lezen in vers 29 en 30: Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelf een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren. Daarom zijn onder u vele zwakken en zieken en velen slapen. Wie eet en drinkt van de tafel des Heeren, zonder goede, ernstige en eerlijke voorbereiding, die (zo schrijft Paulus) eet en drinkt zichzelf een oordeel.
Het is niet onmogelijk, hoewel het niet de eerste bedoeling is van deze tekst, om in dit verband te denken aan het aangaan aan het Heilig Avondmaal zonder bevindelijke kennis van het eigen hart, zonder berouw en zonder enige kennis van de Heere Jezus. Want hoe kan je gedachtenis, hoe kan je herinnering vieren aan iemand, terwijl je die persoon helemaal niet kent en nooit hebt ontmoet? Het is niet onmogelijk is, hoewel het niet de eerste bedoeling is van deze tekst, om in dit verband te denken aan: het zonder bruiloftskleed aangaan aan deze bruiloftstafel, zonder een Goddelijk recht. En het is ook niet onmogelijk om bij deze tekst te denken aan degenen die later in de dag van het gericht zullen zeggen: ‘Heere, maar wij hebben in Uw tegenwoordigheid (hier, voorin in de kerk) gegeten en gedronken!’ Terwijl Hij, tot hun schrik, zal antwoorden: ‘Ik ken u niet.’ (Luk. 13.26)
Daar mag je aan denken, maar waar het hier vooral om gaat is: om aangaan zonder juiste, zonder eerlijke voorbereiding. Of om aangaan terwijl je leeft in onmatigheid (in het bedrinken van jezelf, zoals in de gemeente van Korinthe), terwijl je de armen laat verkommeren. Om aangaan terwijl je jezelf niet afvraagt (zoals in Psalm 15, Psalm 24 en Jesaja 33): Hoe zal ik voor God verschijnen? Als je dat niet doet, zegt Paulus, dan onderscheid je het lichaam des Heeren niet.
a. Niet onderscheiden het lichaam des Heeren. Dat doe je als je gewoon aanschuift aan het Heilig Avondmaal. Gewoon, om erbij te horen, om gewoon te eten en te drinken. Maar dit brood en deze wijn zijn tekenen en zegels van het lichaam en bloed van de Heere Jezus Christus. Notabene gegeven, zoals staat in vers 23, in de nacht waarin Hij verraden werd door één van Zijn discipelen. Toen Hem de beker van Gods toorn over onze zonden in de handen gedrukt werd. En dan aangaan zonder berouwvol hart, om Hem Wie je doorstoken hebt?
b. Niet onderscheiden het lichaam des Heeren. Door doe je als je tevreden bent met het uiterlijk van het brood en de wijn, als je tevreden bent met het ‘avondmaalganger-zijn’. Maar je hart is er niet bij! Omdat je hart zo doods, zo hard, zo verdwaald, zo geestelijke ziek is, dat het je allemaal maar weinig meer zegt. Omdat je zo vast zit aan nu, aan de dingen van deze tijd, aan de dingen van deze wereld. Omdat de eer van God je niet meer weegt. Omdat je Christus, de Zaligmaker van zondaars, zo uit het oog verloren hebt. Of (in het slechtste geval) omdat je hart er nog nooit bij geweest is.
Niet onderscheidende het lichaam des Heeren… Geliefde gemeente, luister toch naar de indringende, welgemeende boodschap en aansporing uit de hemel (vooral u, van wie het hart er nog nooit bij geweest is!) uit de mond van de profeet Zefanja: Doorzoekt uzelven nauw, ja, doorzoekt nauw, gij volk dat met geen lust bevangen wordt! (2:1). Dat wil zeggen: zonder schaamte, zonder berouw en zonder verlangen. Luister toch naar de indringende, welgemeende boodschap en aansporing uit de hemel uit de mond van de profeet Amos: Wee den gerusten te Sion en den zekeren op den berg van Samaría (6:1). Want als je wel aan het Heilig Avondmaal gaat, en je hart is er nog nooit bij geweest, dan geldt u in het bijzonder de vraag: Hoe zult u toch rechtvaardig verschijnen voor God? Nu, maar ook straks?
Niet onderscheidende het lichaam des Heeren… Dan lijk je op… Wie zat er ook alweer zo aan de tafel? Dan lijk je op Judas. Uiterlijk klopte het. Hij was een vriendelijke, voorbeeldige jongen. Hij kuste zelfs de Meester, maar in zijn hart was hij een vijand van Hem. Het gebed is gepast: Doorgrond en ken mijn hart, o Heere. Want zelfs een dominee, zelfs een ambtsdrager kan een huichelaar zijn.
Dan lijk je in het beste geval op Petrus en de andere discipelen bij het eerste Heilig Avondmaal. ‘Meester, we gaan ervoor, we zullen U nooit verloochenen.’ En ondertussen zitten ze stiekem ruzie te maken wie van hen toch de meeste is, en willen ze niet eens elkaars voeten wassen. En even later is het zover: ze rennen allemaal weg en Petrus verloochent zijn Meester.
De reden? Een hart vol van eigen ik en van eigen prestaties. Ootmoedig en schuldverslagen? De zaligheid in Hem zoeken? Nee, gewoon als uit gewoonte. ‘Ik ben toch gewoon een kind van God? Dan moet je toch gewoon het bevel van de Heere opvolgen en aangaan?’ Nee, zo niet! Zo kan je niet tot God naderen. Zo kan je niet voor God verschijnen. Zo kan je geen avondmaal vieren tot eer van God, tot je eigen troost en tot meer verzekering.
Zo eet en drink je jezelf een oordeel. Zoals…? Wat voor een oordeel? Zoals je dat ziet in de gemeente van Korinthe. Zoals het staat in vers 30: Daarom (vanwege die slordige Avondmaalgang) zijn onder u vele zwakken (mensen die tobben met hun gezondheid) en kranken (zieke mensen), en velen slapen (er zijn in de gemeente van Korinthe meer mensen gestorven dan anders). Er gaat een oordeel over de gemeente. Goddelijke discipline. En gaat er ook in deze tijd geen oordeel, ook over onze gemeente?
De Heere is nog steeds Dezelfde, Die zegt: Zijt heilig, want Ik ben heilig (1 Petr. 1:16Daarom dat er geschreven is: Zijt heilig, want Ik ben heilig.) En dus vraagt Hij aan Zijn kinderen, dus vraagt Hij aan ons als kerkenraad en gemeente om Zijn tafel heilig te houden. En dus dringt de Heere er bij ons op aan om onszelf nauwkeurig te onderzoeken. Dat is geen doel op zich, in de trant van: Ga maar eens lekker wroeten in jezelf. Het doel daarvan, zo zegt het Avondmaalsformulier, is: Ten eerste bedenke een ieder bij zichzelf zijn zonden en vervloeking, opdat… en dan volgen er twee doelen: a. hij zichzelf mishage (walgen van je slechtheid en zonden) b. en zichzelf voor God verootmoedige (buigen voor God en klein worden voor Hem), aangezien de toorn van God tegen de zonde zo groot is dat Hij ze, eer dat Hij die ongestraft liet blijven, aan Zijn lieve Zoon met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft heeft. Hoe zal de Vader, Die Zijn Zoon gaf, en hoe zal de Zaligmaker Zelf, Die zo bitter geleden heeft, schitteren in onze gedachtenis, als we denken dat we het station van de zonde gepasseerd zijn? Het doel van het zelfonderzoek is dat wij klein worden, dat wij ons verootmoedigen voor God. En dat de Gastheer van de tafel groot wordt, omdat we de zaligheid, die wij nooit meer kunnen verdienen, buiten ons, in Hem, en in Zijn Woord, in Zijn beloftewoord zullen gaan zoeken.
God vraagt Zijn kinderen om Zijn tafel heilig te houden. En dat vraagt niet alleen om een Goddelijk recht, dat wil zeggen dat de Heere ooit in ons hart Zijn genade wilde gaan werken, maar dat vraagt ook om een nauwgezet zelfonderzoek: Hoe staat het met mijn leven voor Gods aangezicht? Hoe zal ik voor God verschijnen?
Goddelijke discipline gaat in Korinthe - en ook bij ons - over een slordig leven en over een slordige avondmaalsgang. Over jezelf niet voorbereiden. En over ver van de Heere vandaan dwalen en leven in de zonde.
Er rust een oordeel op de gemeente in Korinthe: ziekte, zwakheid en sterfgevallen. En is het feit dat wij meer dan anderhalf jaar geen Heilig Avondmaal konden vieren ook geen oordeel van de Heere over ons? Over onze zonden? Over ons oogluikend toelaten van de zonde? Over ons leven in de zonde? Over ons wereldsgezinde leven? Zonder oog te hebben voor de heiligheid van God? Zonder vreemdeling te zijn, met het oog gericht op de eeuwigheid? Altijd bezig met nu, met onze spullen, met genieten van de materie, met gezellig bezig zijn onder elkaar? Zonder oog te hebben voor deze ondergaande wereld, waarin miljoenen mensen sterven zonder God en zonder Christus?
U zegt: dan straft de Heere hard… Nee. Om Bijbelse taal te gebruiken: Hij kastijdt mild. Want dit was ook in Korinthe geen afrekening. En het was en het is ook bij ons geen afrekening, hoewel we dat wel waard waren en zijn. Het was en is straf om te onderwijzen, om te sturen en te corrigeren. Want ‘s HEEREN goedheid kent geen palen, dus zal Hij door onderwijzing hen die dwalen, brengen in het rechte spoor. En dus mogen we aanstaande zondag, als de Heere het geeft, toch weer Heilig Avondmaal houden.
Laten we die woorden samen gaan zingen uit Psalm 25 vers 4: 's Heeren goedheid kent geen palen. God is recht, dus zal Hij door onderwijzing hen, die dwalen, brengen in het rechte spoor. Hij zal leiden 't zacht gemoed in het effen recht des Heeren. Wie Hem nederig valt te voet, zal van Hem zijn wegen leren.
We lezen samen verder in vers 31 en 32: Want indien wij onszelven oordeelden, zo zouden wij niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zo worden wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. Als we onszelf oordelen, als we ons als gemeente en kerkenraad eerlijk onderwerpen aan het oordeel van de Schrift, dan worden we niet geoordeeld. Het is een oproep aan de gemeente van Korinthe en aan ons: Kom tot inkeer! Onderzoek uzelf! Oordeel uzelf!
Het is een oproep tot bekering, tot berouw en tot verandering van levenshouding. Het is alsof Paulus zegt: U voelt het oordeel van de Heere over uw leven, persoonlijk en over het gemeenteleven. Maar let op Gods goede doel. Hij kastijdt u, Hij straft u als een kind, om u het goede te leren. Zijn straf is bedoeld om uw gedrag, persoonlijk en als gemeente, te veranderen. Zoals een vader dat doet: niet hard en gevoelloos, maar met het doel dat het anders zal worden. Met het doel dat u zal terugkeren met berouw en de Heere om vergeving zal vragen. God tuchtigt, Hij kastijdt Zijn kinderen, dat wil zeggen: Hij straft ze met een goed doel. Denkt u maar aan wat de apostel schrijft in Hebreeën 12:5-7En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?): En u hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren (ook niet de kastijding in deze tijd!) en bezwijkt niet, als u van Hem bestraft wordt; Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. Indien u de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt? Want genen (onze vaders) hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze (God) kastijdt ons tot ons nut. Met welk doel? opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden (Hebr. 12:10).
Opdat we met de zonde breken zouden. Met de zonde in ons eigen leven, met de zonde in de gemeente, met de zonde tussen gemeenteleden en ook tussen avondmaalgangers onderling. Opdat we niet zouden vasthouden aan de zonde, maar er mee breken zouden, die zouden belijden en laten. Denkend aan wat de apostel Jakobus schrijft: Belijdt elkaar de misdaden en bidt voor elkander, opdat u gezond wordt (kennelijk was daar die kastijding ook); een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel (Jak. 5:16Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt; een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.).
En wat het doel is van die Vaderlijke correctie? Paulus zegt: Opdat wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden. Want deze straf is niet het onherroepelijke oordeel. Paulus noemt het een oordeel, niet het oordeel dat de wereld uiteindelijk treft. Het is een liefdevolle straf die tot bekering wil brengen.
We gaan over naar ons derde en laatste aandachtspunt:
Want we lezen in vers 33 en 34: Zo dan, mijne broeders, als u samenkomt om te eten, verwacht elkaar. Doch zo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat u niet tot een oordeel samenkomt. De overige dingen (we weten niet welke dat zijn) zal ik verordenen (regelen, opdracht geven) als ik zal gekomen zijn. Liefdevol klinkt het uit de mond van Paulus: Broeders, zusters, verwacht elkaar. Als je aan tafel gaat en het eten wordt opgediend, dan val je niet zomaar aan. Je wacht rustig totdat iedereen zit. En je hoopt ook dat iedereen van het gezin zal komen. Wachten dus en hopen…
Geliefde gemeente, kinderen van God, laat ons zo elkaar verwachten: Wachtend, hopend en biddend. Elkaar verwachten… Ook degenen die vroeger aangingen aan de tafel des Heeren, maar die tegenwoordig wegblijven. Misschien is het goed dat u de ander eens opzoekt, dat u samen bespreekt wat er is, dat u kijkt of u die ander helpen kan. Elkaar verwachten… Terwijl we in ons hart ook bidden voor die geestelijke tobbers in de kerk, die al zo lang uitzien, maar tot nu toe nooit hebben durven komen. Het is tot eer van de Gastheer, als kreupele Mefiboseths gedragen worden. Elkaar verwachten… Ook die nieuweling, die jongere of die oudere. Niet kritisch, zo in de trant van: ‘Zal het wel waar zijn? Het gaat allemaal zo gemakkelijk tegenwoordig?’ Nee, verwacht elkaar en wees elkaar tot een hand en tot een voet. Als Aquila en Priscilla om de weg van de Heere helderder uit te leggen. In de veelheid van de onderdanen is toch de heerlijkheid van de Koning? Elkaar verwachten… Ook de laatsten die aangaan, opgezocht in hun ellende en gedwongen om in te komen. Want vele laatsten zullen de eersten zijn, en vele eersten de laatsten.
Elkaar verwachten, om samen voor God te verschijnen… Maar hoe zullen we (zoals we straks zullen zingen uit Psalm 84) in Sion voor God kunnen verschijnen? Door in deze week van voorbereiding te zingen, terwijl we voor de spiegel staan en ons verloren leven zien: Let, HEERE der legerscharen, let op mijn ootmoedige smeekgebed. Ai, laat mij niet van druk verkwijnen. Leen mij een toegenegen oor. O Jacobs God, geef mij gehoor.
Hoe zullen we in Sion voor God kunnen verschijnen? Dat kan alleen als je in je voorbereiding, terwijl je jezelf weer ziet zoals je bent, langs jezelf heen mag zien, en Hem in het oog krijgt, Die de Gastheer is van de tafel. Hij ontvangt zondaars en eet met hen. Omdat Hij voor ons, kinderen van God, voor God wilde verschijnen, met de last van onze schuld. Toen Hij heel diep boog, Zijn leven lang, maar vooral in Gethsémané en op Golgotha, onder onze schuld: Ik voor u. De apostel zegt in Hebreeën 9: Hij is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelven, om nu te verschijnen –en dan komt het– voor het aangezicht van God voor ons (9:24).
Ik voor u! Schittert deze Christus niet meest in onze ogen als ons hart gebogen is, als we walgen van onszelf, als ze klein zijn voor God en diep voor Hem buigen? Laat ons dan zo buigen, laat ons zo komen, als met het koord van de veroordeling om onze hals. Laat ons Hem zo in het geloof omhelzen, Hem zo verwelkomen in ons hart.
Geve de Heere ons zo aanstaande zondag door de tekenen heen iets te mogen zien van de Koning in Zijn schoonheid. Dat we mogen zien en geloven (tot onze troost, tot versterking van ons zwakke geloof en tot heerlijkheid van God Drie-enig): Zijn eeuwige vredeverbond met ons. Zijn Woord en de taal van het teken ‘Ik voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven’. En Zijn weergaloze liefde tot ons, tot in de dood, en dat in onze plaats. Gedachtenis vierend aan onze stervende Zaligmaker. Niet aan onze liefde en trouw, maar aan Zijn liefde en trouw!
Ik sluit af met de woorden van de apostel Johannes uit 1 Johannes 3, vers 1 tot en met 3: Ziet, hoe grote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij (van onszelf vijanden, misdadigers, opstandelingen) kinderen Gods genoemd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is.
En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, die reinigt zichzelf, gelijk Hij rein is.
Amen.
Slotzang Psalm 84:1,3,4
Andere preken over 1 Korinthe
Andere preken voor Voorbereiding