PREEK · KERKELIJK JAAR

Reformatie in Mizpa - 1 Samuël 7

Winterwerk - 8 september 2013

1 Samuël 7:9: Toen nam Samuël een melklam en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot den HEERE voor Israël, en de HEERE verhoorde hem.

INLEIDING

Aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen geeft Samuël Israël een zevenvoudige raad: doe de vreemde goden weg, belijd uw zonden, roep tot de Heere, richt uw oog op het Lam, verwacht alles van de Heere alleen, vergeet Zijn daden niet, en wees trouw in alles. Bekering blijkt niet uit gevoel, maar uit vrucht. Als Israël zo doet, verslaat de Heere de Filistijnen, en wordt Eben-Haëzer een gedenksteen: tot hiertoe heeft de Heere geholpen.

THEMA

Een zevenvoudige raad aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen.

KERNPUNTEN

  1. Doe de vreemde goden weg
  2. Doe belijdenis van uw zonden
  3. Roep tot de Heere
  4. Richt uw oog op het lam
  5. Verwacht alles van de Heere alleen
  6. Vergeet de daden van de Heere niet
  7. Wees trouw

1 SAMUËL 7:5-10

5 Verder zeide Samuël: Vergadert het ganse Israël naar Mizpa, en ik zal den HEERE voor u bidden.
6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN, en zij vastten te dien dage en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den HEERE gezondigd. Alzo richtte Samuël de kinderen Israëls te Mizpa.
7 Toen de Filistijnen hoorden dat de kinderen Israëls zich vergaderd hadden te Mizpa, zo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël. Als de kinderen Israëls dat hoorden, zo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen.
8 En de kinderen Israëls zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzentwege, dat gij niet zoudt roepen tot den HEERE onzen God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.
9 Toen nam Samuël een melklam en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot den HEERE voor Israël, en de HEERE verhoorde hem.
10 En het geschiedde toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de HEERE donderde te dien dage met een groten donder over de Filistijnen en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël.

VOLLEDIGE TEKST

Reformatie in Mizpa - 1 Samuël 7

ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 7:9

THEMA

Een zevenvoudige raad aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen.

Gemeente, de zomervakantie is weer voorbij. We staan aan het begin van een nieuw seizoen in ons gemeenteleven. Straks gaan de catechisaties, de huisbezoeken en de verenigingen weer beginnen.

Met het oog op dat alles, overdenken we vanmorgen met Gods hulp het hoofdstuk dat ons voorgelezen is, 1 Samuël 7. We overdenken 1 Samuël 7.

Het thema voor de preek is: De reformatie in Mizpa, of: Een zevenvoudige raad aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen.

De reformatie in Mizpa, of een zevenvoudige raad of opdracht, aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen.

Een zevenvoudige raad. Zeven punten dus. 1. Als eerste, doe de vreemde goden weg. Kijkend naar vers 3 en 4. Doe de vreemde goden weg. 2. In de tweede plaats, doe belijdenis van uw zonden. Kijkend naar vers 6. Doe belijdenis van uw zonden. 3. In de derde plaats, roep tot de Heere. Kijkend naar vers 8. Roep tot de Heere. 4. In de vierde plaats, richt uw oog op het lam. Kijkend naar vers 9. Richt uw oog op het lam. 5. In de vijfde plaats, verwacht alles van de Heere alleen. Kijkend naar vers 10 en 11. Verwacht alles van de Heere alleen. 6. In de zesde plaats, vergeet de daden van de Heere niet. Kijkend naar vers 12. Vergeet Gods daden niet. 7. En als laatste de zevende raad, wees trouw in alles. Kijkend naar vers 13 tot en met 17.

Dus: Een zevenvoudige raad of opdracht aan het begin van een nieuw kerkelijk seizoen. Met als eerste raad:

1. Doe de vreemde goden weg

De ark van de Heere, die meegenomen was door de Filistijnen, is weer terug in Kirjath- Jearim. Dat ligt ergens tussen Beth-Semes en Jeruzalem. Daar staat hij in het huis van Abinadab. En zijn zoon Eleazar zorgt voor de ark.

En Israël? Ja, daar gebeurt niet zoveel mee. Kijk maar in vers 2: En het geschiedde van dien dag af, dat de ark des HEEREN te Kirjath-Jeárim bleef, en de dagen werden vermenigvuldigd en het werden twintig jaren. Twintig jaar lang (moet je je voorstellen, hoe lang dat is: twintig jaar lang!) gaat alles gewoon maar door. Zonder dat men het besef heeft van de afwezigheid van de Heere.

En Samuël? Het ligt eigenlijk in de lijn van dit hoofdstuk om te denken en te zeggen: Samuël heeft gepreekt. Hij heeft opgeroepen tot bekering en tot berouw. Maar verder treedt hij niet op de voorgrond. Wij zouden denken: Samuël, je moet er werk van maken. Je moet werken aan opleiding, aan toerusting, aan cursussen. Organiseer nou eens wat, Samuël. Maar nee. Hoe nuttig dat ook is, daar begint het niet mee. Ook niet in de kerk.

Reformatie begint met…? Met één ding. Met persoonlijke bekering. En bekering begint, kijk maar naar het eind van vers 2, met…? Met: de Heere achterna klagen.

Eindelijk, na twintig jaar! Dat wijst op het geduld dat een dominee van de Heere moet krijgen. Iedere dominee hoopt dat zielen zullen smelten, bij de eerste straal van de Zon der gerechtigheid. Maar helaas. Het kan héél lang duren.

Terwijl de Filistijnen hen onderdrukken, beginnen ze de Heere te missen. Ze beginnen rouw te klagen over hun zonden en naar God te verlangen. Daar ben je blij mee als ambtsdrager. Als je dat hoort op een huisbezoek.

Maar Samuël toont zich een wijze kenner van het hart, als hij zegt: ‘Mensen, Israëlieten, dat is niet genoeg. Tranen van berouw, verdriet over je zonden en roepen naar de Heere, dat is niet genoeg. Het moet dieper. Want bewogen zijn, aangeraakt zijn, dat is nog niet hetzelfde als bekeerd zijn.’

Daar ligt wel een les in, ook voor ons. Bewogen zijn in je hart, aangedaan zijn, tranen hebben in je ogen, dat is nog niet hetzelfde als bekeerd zijn. In het beste geval is het het begin van bekering.

Samuël zegt: ‘mensen, doe de vreemde goden weg uit het midden van u’. Kijk maar naar vers 3: Toen sprak Samuël tot het ganse huis Israëls, zeggende: Indien gijlieden u met uw ganse hart tot den HEERE bekeert, zo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Astharoths. Zelfs jullie liefste godin. En ook (kijk maar naar vers 4) de Baäls.

Dat was geen gemakkelijke boodschap. Astharoth en Baäl en al die andere goden uit Kanaän, dat waren de goden van de vruchtbaarheid. Daar had je wat aan. Die waren nuttig voor je welvaart. Die waren goed voor de economie. En ze gaven je, zeker als je denkt aan de tempelprostitutie in die dagen, ze gaven je ook nog wat plezier, in die donkere en moeilijke tijd, waarin ze al jaren werden onderdrukt door de Filistijnen. Samuël zegt: ‘bekeert u en: doe uw goden weg!’

Gelukkig, de tijd van Astharoth en Baäl en al die andere goden is voorbij. Toch? Of niet…? Wat zijn de goden, de afgoden van déze tijd? Nou, die dingen die, net als toen ons hart niet meer richten op God en op de eeuwigheid. Maar alleen maar op hier en nu. Op nut en plezier. Op nut, op Baäl. Op plezier, op Astharoth.

U zegt: ‘noem ze nu maar snel op: mobieltjes, internet, dure auto's’. Nee, ik noem vanmorgen helemaal niets. Want ik ben zo, en u bent ook zo, dat ik erop wacht en dat ik er blij mee ben, als in de preek of in het Woord van God die afgoden worden genoemd, van degene die naast me zit. En ik kijk opzij en ik denk: ‘fijn, dat heeft de dominee nou eens goed gezegd. Tegen jou’. Maar, gemeente, het gaat om míjn afgoden. Heel persoonlijk.

Welke? Plezier. Als je ouder bent, dan zeg je: ‘ik wil me goed voelen. Ik wil me fijn voelen. Ik wil nog plezierige jaren hebben’. En als je jonger bent, dan zeg je: ‘laten we gewoon plezier hebben!’ Met alles was ik doe en heb. Astharoth. De godin van het plezier. Die is er dus nog steeds!

U zegt: ‘maar die dingen zijn ook nuttig. Ik doe er heel veel nuttige dingen mee. En ondertussen ben ik er ook nog heel zuinig op.’ Ja, maar... misschien zijn het wel uw afgoden. Baäl, de god van het nut voor het dagelijkse leven. En Astharoth, de godin van het plezier. Nuttige en plezierige goden in een wereld (net als toen), vol van ellende en dreiging. Dan is het toch fijn en nuttig, als je die dingen hebt? Zo kan je je hoofd tenminste een beetje boven water houden.

Gemeente, breek ermee. Doe weg, die vreemde goden uit uw leven. Want het is niet genoeg... dat je hart bedroefd is om je zonden. En dat je in je ziel pijnlijk overtuigd bent van je schuld voor God. Want bekering is niet alleen een zaak van emotie en gevoel. Nee, bekering is een zaak van heel je leven.

En dus: doe weg die vreemde goden. Die vreemde goden van nut en plezier, die je ook zoveel tijd kosten. Ze zijn niet te verenigen met de dienst van de Heere.

Doe ze weg, letterlijk. En richt uw hart op God. En dien Hem alleen. Niet delen. Alleen de Heere. Bedroef de Heilige Geest Gods niet door vast te houden aan uw vreemde goden. En een tweede raad, het tweede aandachtspunt in vers 6:

2. Doe belijdenis van uw zonden

De Israëlieten, ze doen het. Ze dóen hun goden weg, hoe nuttig en plezierig ze ook leken. En ze belijden hun zonden. Kijk maar naar vers 6. Daar staat: En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water en goten het uit voor het aangezicht des HEEREN, en zij vastten te dien dage en zeiden aldaar: Wij hebben tegen de HEERE gezondigd.

Dat, gemeente, is de weg die de Heere ons wijst. U denkt misschien in uw hart: ‘ja, je moet bekeerd wórden. Dat is Gods werk, dat is Gods ingrijpen’. Zeker! Dat blijkt straks ook, achteraf. Maar voor nu geldt: Zo zegt de Heere, bekeer u en doe die vreemde goden weg uit uw leven. En zeg en belijd: ‘o God, ik heb gezondigd’.

Het volk Israël komt bij elkaar in Mizpa, ergens ten noorden van Jeruzalem. Ze vasten, als teken van berouw. En, zo zegt vers 6: ze gieten water uit voor het aangezicht des Heeren. Het is niet helemaal duidelijk wat dat precies betekent. Het doet denken aan een paar hoofdstukken terug, aan Hanna. Die haar tranen van berouw en verdriet uitgoot voor het aangezicht van de Heere. Dan zou het een teken kunnen zijn van de ernst van hun berouw.

Het kan ook een teken zijn van de oprechtheid, van de echtheid van hun bekering. Zoals het water in de grond trekt en het niet terug te halen is, zo zeggen zij als het ware: ‘we bekeren ons tot de Heere, en we willen nooit meer terug’.

Het kan ook een teken zijn van de innigheid, van de hartelijkheid van hun berouw. Alsof ze daarmee willen zegge: ‘als water, zo smelten onze harten voor U, o heilige God’.

Maar hoe dan ook, hier blijkt uit alles dat hun bekering oprecht is. Dat blijkt uit de vrucht. Gemeente, bekering blijkt niet uit emoties, uit gevoel, uit woorden of uit een klinkend verhaal. Bekering blijkt uit de vrucht van je leven. Dat heeft de Heere Jezus ook gezegd: Een boom ken je aan de vrucht.

Vóór alles, gemeente, wat er in het komende seizoen ook gaat gebeuren… Vóór alles wat we gaan doen in ons persoonlijke leven. Of het nu gaat over school, opleiding, studie, werk, vriendschap, huwelijk of gezin… Vóór alles wat we gaan doen in het kerkelijke leven: catechisatie, belijdeniscatechisatie, verenigingen, huisbezoeken, vergaderingen… Vóór alles geldt: Doe de vreemde goden weg uit uw hart en uw leven. En belijd uw zonden voor de Heere.

En dan? Dan raken de Israëlieten plotseling in paniek. De Filistijnen komen eraan! Die hebben gehoord wat er in Mizpa gebeurt. Ja, de Filistijnen horen altijd alles. En ze zien de bui al hangen. De Israëlieten gaan zich zo meteen van hen afkeren. Kijk maar naar vers 7: Toen de Filistijnen hoorden dat de kinderen Israëls zich vergaderd hadden te Mizpa, zo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël. Als de kinderen Israëls dat hoorden, zo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen. Help! Paniek! De Filistijnen komen eraan!

De Israëlieten zeggen tegen Samuël (in vers 8): Zwijg niet van onzentwege, dat u niet zou roepen tot de HEERE onze God, opdat Hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen. Zwijg niet om ons, Samuël. Om wie wij zijn, en om wat wij gedaan hebben. Dat u niet zou roepen tot de Heere, onze God. En dat brengt ons bij de derde raad, het derde aandachtspunt:

3. Roep tot de Heere

Grijpen ze naar hun wapens? Nee, ze gaan roepen. Maar tegelijkertijd voelen ze hun onvermogen om dat te doen. En dus roepen ze om de voorbidding van Samuël. Hoewel ze erkennen, dat ze dat niet waard zijn. Want ze zeggen: Zwijg toch niet om onzentwil. Ze erkennen dat ze geen rechten hebben. Ze voelen het in hun hart. En ze belijden het met hun mond. En tegelijkertijd klemmen ze zich vast aan hun enige hoop: aan de voorbidder. Samuël. ‘Samuël, pleit toch voor ons, rechteloze zondaren. Bij de HEERE, bij de God die Zijn verbond houdt. Wij zijn ontrouw geweest. Maar Hij is toch getrouw? Pleit voor ons bij de Heere, onze God.’ Een sprank van hoop. In een stikdonkere nacht. In doodsnood. Want de Filistijnen komen met man en macht op hen afstormen.

Gemeente, daar is geen bekering of oprechte overtuiging van zonde en schuld, waarin niet een sprankje van hoop is. Anders zouden we wanhopig worden. Een sprankje van hoop, waardoor een levend gemaakte zondaar zich in al zijn of haar ellende, roepend vastgrijpt aan de Voorbidder, aan Christus. Hij is het immers, Die de Vader altijd hoort. Als rechteloze zondaars pleitend op Gods trouw, om het bloed van de Middelaar, om Jezus’ wil.

Alle hoop ontvalt hen. Ze zien het. Ze weten het. Ze erkennen het. Ze hebben tegen God gezondigd. Ze hebben de dienst van de Heere verwaarloosd. U misschien ook wel. Misschien ook wel net als zij: jarenlang. Niet gevraagd. Niet gezocht. Niet gebeden.

En nu is er nood. Dat kan nog zo zijn. En ik weet dat het bij sommigen van u ook zo is. Grote nood. Ernstig ziek. Een dodelijke kwaal. En je weet: ik heb tegen God gezondigd. Ik heb Hem mijn leven lang niet gezocht. En nu, daar komen ze, de Filistijnen! De dood in het vizier.

Alle hoop ontvalt je. Je ziet je hemelhoge schuld voor God. En jee weet en voelt: ik heb geen recht. Ik heb de dood verdiend.

Beste vrienden, er is maar één Weg: De Voorbidder. Je oog en hart wenden tot Hem. roepend om behoud, zoals staat in vers 8: Dat Hij ons verlosse. Er blijft voor het volk Israël maar één weg over. Voor een benauwd hart blijft er, als de Heere werkt, uiteindelijk ook maar één weg over: Ik roep, Heere, in angst tot U gevloden. Red mij toch, om Jezus’ wil.

We gaan dat samen eerst zingen uit Psalm 141, het eerste vers: 'k Roep, HEERE, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.

- - - -

De vierde raad, ons vierde aandachtspunt:

4. Richt uw oog op het lam

Want, kijk maar in vers 9: Toen nam Samuël een melklam en hij offerde het geheel den HEERE ten brandoffer; en Samuël riep tot de HEERE voor Israël, en de HEERE verhoorde hem. Dus, wat doet Samuël? Gaat hij bidden? Zo snel mogelijk? Nee. Hij gaat offeren. Een melklam. Een klein lammetje. Voor de Heere geofferd als brandoffer. De weg terug naar de Heere, is een weg die alleen gegaan kan worden door het bloed van het Lam. Door het bloed van het Lam Gods. Anders kan het niet. Anders is het voorbij. Niet zien op jezelf. Of op wat je zelf doet. Of op wat je zelf allemaal klaargemaakt hebt. Maar alles inleveren. Capituleren. En zeggen: ‘O God, ik heb gezondigd. Ik heb geen recht. Ik ben het niet waard, dat U ooit nog naar me luisteren zou. Uw doen is rein, Uw vonnis is rechtvaardig. Maar wees me toch genadig. Om… het bloed van het Lam’.

Die Zijn ziel gegeven heeft tot een rantsoen voor velen. Voor heel veel vijanden. Voor heel veel afgoden dienende mensen. En daarom is er een weg. Een geopende weg. Een geopende toegang tot de troon van Gods genade. Door het bloed van Hem, Die Zijn leven gaf aan het kruis.

En die geopende weg is beschikbaar. Ook voor u. En dat zeg ik vanmorgen tegen iedereen. Maar vooral tegen diegenen, die niet meer weten hoe het verder moet met hun verloren leven. Zie het Lam Gods. Hij gaf Zijn leven voor mensen zoals u. Roep tot de Heere. Geef de hoop op jezelf op. En leer hopen op vrije genade alleen. Geef je maar gewonnen. Je kunt het zelf niet. Je kunt de prijs van je ziel aan God niet

voldoen. Kom en leg je verloren leven maar aan de voeten van het Lam Gods. En sla in al je armoede en gebrek een blik op de verhoogde koperen slang, tot genezing van je ziel. Dit leert ons, gemeente, wat we allemaal persoonlijk nodig hebben.

En daarbij, mogen we als broeders van de kerkenraad, als kinderen van God, net als Samuël destijds, in het komende seizoen ook voorbidders zijn in het midden van de gemeente. Zoals we zongen uit Psalm 99: Ook was Samuël, op Gods hoog bevel, biddend voor Zijn volk, Als een hemeltolk. Hij en and'ren meer riepen tot den HEER’, Die met gunstig' oren, hun geroep wou horen.

Maar, laten we niet vergeten, Samuël kon alléén maar voorbidder zijn, terwijl hij ook zélf zijn oog richtte op het offerlam. Dat hebben we dus als ambtsdragers ook steeds weer nodig: zien op het offer van Christus. Laten we zó, in het komende seizoen, vooral in het verborgen, biddende ambtsdragers zijn. Broeders, die taak is voor ons het meest belangrijk. Het is ook een taak waar we, denk ik, het meest in tekortschieten. In ons verborgen gebed voor Gods aangezicht, gericht op het Lam. De vijfde raad, ons vijfde punt:

5. Verwacht alles van de Heere alleen

Kijk maar naar vers 10 en 11: En het geschiedde toen Samuël dat brandoffer offerde, zo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de HEERE donderde te dien dage met een groten donder over de Filistijnen en Hij verschrikte hen, zodat zij verslagen werden voor het aangezicht van Israël. En de mannen Israëls togen uit van Mizpa en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen hen tot onder Bethkar. Alles van de Heere verwachten. Hoe moeilijk, hoe onmogelijk is dat voor onszelf, om dat te doen in eigen kracht. Wat voel je, als het daarom gaat, dat je genade nodig hebt. Wij mensen verwachten het zo vaak van onszelf. Ook na gekregen genade. Maar wie het van de Heere verwacht, die wordt echt niet beschaamd. Kijk nog maar even terug naar het eind van vers 9. Samuël roept tot de HEERE. Hij offert een brandoffer. En, staat er: de HEERE verhoorde hem.

Want de HEERE, staat er, dondert tegen de Filistijnen. Waardoor ze geweldig schrikken en in totale verwarring raken. Ze worden verslagen. Als het ware weggeblazen door de God van Israël. Hanna had het trouwens al geprofeteerd: Die met de HEERE twisten, zullen verpletterd worden, Hij zal in de hemel over hen donderen (1 Sam. 2:10). Gemeente, in ons roepen, met ons oog op het offer van Christus, midden in de totale onmogelijkheid aan onze kant, mogen we alles van de HEERE verwachten.

Zo kunnen we het komende seizoen wel in. Als je zó naar catechisatie gaat, jongens en meisjes…

Als je de vreemde goden wegdoet uit je hart... Als je biddend roept tot de Heere: voor de catechisatie, tijdens de catechisatie en erna. Voor de kerkdienst, tijdens de kerkdienst en erna. Vragend om licht op het offer van de Heere Jezus Christus… Als je niets van jezelf verwacht, maar alles alleen van de Heere… Dan gaat het goed, komend jaar. Dan zullen we ook samen met elkaar een gezegend seizoen hebben.

Dan zal de Heere in ons midden willen wonen. Als u, gemeente, zo naar de kerk gaat, naar vereniging gaat, of naar het koor. En als wij als ambtsdragers zo bezig zijn in de dienst van de Heere. Dan gaat het goed. Dan zullen we een goed en een gezegend seizoen hebben. Dan zal de Heere in ons midden wonen. En dan zal er straks aan het einde van het seizoen alle reden zijn om een steen, om een monument te plaatsen. Zoals Samuël dat ook deed.

Dat brengt ons bij de zesde raad. Het zesde aandachtspunt:

6. Vergeet de daden van de Heere niet

Want, kijk eens naar vers 12: Samuël nu nam een steen en stelde die tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de HEERE geholpen. Samuël plaatst een steen, een herdenkingsmonument. Om de daden van de HEERE niet te vergeten. En hij noemt de naam van die plaats: Eben-Haëzer. Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen. Wonderlijke verandering trouwens. In 1 Samuël 4 klonk nog het ‘Ikabod’: Waar is de heerlijkheid? En nu heet het: ‘Eben-Haëzer’. Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen.

Hoe kan dat eigenlijk? Dat is vanwege Gods trouw. Twintig jaar lang heeft het volk de Heere niet gezocht en niet naar Hem gevraagd. Maar Hij heeft hen niet losgelaten.

Trouwens, waar staat die steen eigenlijk? Precies op de plek waar ze destijds door de Filistijnen zijn verslagen. Dat staat in hoofdstuk 4 vers 1 en 2.

Dus, kijk maar om je heen, mensen. Alles in Eben-Haëzer herinnert je aan je zonde en aan je ontrouw. Aan je schending van Gods heiligheid. Aan je biddeloosheid en aan je verlaten en vergeten van de Heere.

En tegelijkertijd wijst in Eben-Haëzer ook alles omhoog. Naar zoveel goedheid en naar zoveel onverdiende trouw van de Heere. ‘Hoe is het toch mogelijk, Heere, dat U ons niet hebt losgelaten? Dat U ons in al die twintig jaar niet hebt laten gaan? Wij hebben U op het hoogst misdaan en zijn van het

heilspoor afgegaan. Maar U hield ons vast. U, Die nooit laat varen het werk dat Uw hand begon.’

Eben-Haëzer was de plaats waar ze vroeger verslagen werden door de Filistijnen, als teken en bewijs van hun zonden. Maar nu wordt het ook de plaats van hun berouw. De plaats waar ze tranen van berouw en boetvaardigheid mengen met tranen van blijdschap en verwondering: De Heere heeft ons geholpen. Zelfs in die donkere jaren. Zelfs in de tijd van de verberging van Gods aangezicht. Zelfs toen de Heere er niet meer leek te zijn. Zelfs toen wij… de afgoden dienden en Hem twintig jaar lang vergaten.

Maar toen brak de tijd aan, de tijd van Gods welbehagen. De tijd dat de Heere in eenzijdige goedheid en gunst weer op hen neerzag. En de Israëlieten (maar misschien mag u het ook wel zeggen voor uzelf) hun kleinheid leerde, hun afhankelijkheid, hun zonde, hun verlorenheid en schuld, vanwege het verlaten en vergeten van de Heere. De tijd waarin de Heere ons ook leerde, om onze blik te slaan op het geslachte Godslam. We verloren de hoop op onszelf. Maar de Heere richtte onze blik op Christus, als op onze enige Hoop. Eben-Haëzer. De Heere heeft ons geholpen. En dus, richt een gedenksteen op. Om Zijn daden nooit te vergeten.

De Heere heeft ons geholpen. Tot hiertoe. Vanaf het allereerste begin. Dat Abraham geroepen werd uit Ur der Chaldeeën. Daarna werd Israël verdrukt in Egypte. Geleid door de woestijn. Gebracht in Kanaän. Zij, altijd weer ontrouw aan de Heere. Zij, de Heere vergeten dagen zonder getal… Maar, tot hiertoe heeft de Heere hen geholpen. Als Hij dat niet had gedaan, dan waren ze er niet meer geweest. En dat geldt ook voor ons. Heel ons leven hing tot hiertoe aan Gods trouw.

Kijk eens terug in uw eigen leven. Overdenk eens stil voor uzelf de daden van de Heere. Kun je daarvan leven? Van het verleden en de herinnering daaraan? Nee, daar kun je niet van leven. Maar wel van de God van het verleden. Die was en Die is en Die blijft. Want die uitdrukking 'tot hiertoe', vanaf het verleden tot hiertoe, die wijst op een doorgaande lijn. Op een schakelketting die niet gebroken kan worden. Vanwege Gods trouw! En Hij is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr. 13:8).

Ook in al het werk in de gemeente, op de catechisaties, bij de huisbezoeken, in de prediking, heeft de Heere tot nu toe geholpen. En dus worden we vanmorgen opgeroepen om de daden van de Heere te gedenken. En om die te bewaren in ons hart.

Tot slot. De zevende raad, het zevende aandachtspunt:

7. Wees trouw

Net als Samuël. Hij richtte Israël, zo staat in vers 15, al de dagen zijns levens. Er is vrede. En vanuit zijn huis in Rama richt Samuël het volk. Als een trouwe leider bestuurt, regeert en leidt hij het volk. Als een beeld van het koninklijke ambt van de komende Koning, de Heere Jezus Christus. En, staat er in vers 17: hij bouwde aldaar (in zijn woonplaats Rama) den HEERE een altaar. Heel het dienstwerk van Samuël was gecentreerd rond en gericht op het altaar en op het offer. En zo moge dat ook bij ons zijn in het aanstaande seizoen. In al het werk wat in de gemeente gedaan mag worden. Op de verenigingen, de catechisaties, bij huisbezoeken, in de kerkenraad. En ook in de prediking van het Woord. Trouw in alles. En met het oog gericht op het altaar. Op het altaar waar Christus Zijn offer bracht. Waar Hij Zichzelf offerde, als het door God gegeven Lam.

Net als Samuël, trouw in alles. Biddend voor Zijn volk, als een hemeltolk. Zoals Psalm 99 zegt: Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot de HEERE en Hij verhoorde hen (Ps. 99:6). Daar ligt voor het komende seizoen, onze grootste en belangrijkste taak. Reformatie, geestelijke opwekking in de kerk, komt niet door regelen en organiseren. Reformatie komt als vrucht en zegen op ons bidden, op ons roepen tot de HEERE. Ligt daar, gemeente, broeders, niet tegelijkertijd onze grootste schuld en nalatigheid? Maar er is hoop. Omdat God, dwars door onze ontrouw heen, Zijn woord zal houden. Hij zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken. En Hij zal niet één van Zijn woorden op de aarde laten vallen.

Laten we bidden om trouw in onze verborgen gebeden. Maar ook om trouw in de zichtbare kant van ons leven. In leven met de Heere. In het gaan in het spoor van Zijn geboden. Hem dienend in het leven van iedere dag. Kom zo ook, gemeente, in het komende seizoen trouw naar de kerk. Naar deze plaats. Dan wordt deze plaats geen Silo, waar de kandelaar ooit uitgeblazen is. Maar dan wordt deze plaats een Rama. Een plaats waar het bloed van het altaar drupt.

Als u zo biddend opkomt onder het Woord… Als u de vreemde goden uit uw midden wegdoet, uw zonden belijdt, uw oog richt op het bloed van het Lam, alles alleen van de Heere verwacht… Dan zal in het komende seizoen, deze plaats een Bethel worden. Een huis Gods, een poort des hemels. Dat geve de Heere ons. Hem nu, Die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewassen heeft in Zijn bloed. Zij de lof, de eer, de aanbidding en de dankzegging, van nu aan tot in de eeuwigheid.

Amen.

Slotzang Psalm 77:7,8

'k Zal gedenken, hoe voor dezen Ons de HEER’ heeft gunst bewezen; 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan; 'k Zal nauwkeurig op Uw werken En derzelver uitkomst merken; En, in plaats van bitt're klacht, Daarvan spreken dag en nacht.

Heilig zijn, o God, Uw wegen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; Wie, wie is een God als Gij, Groot van macht en heerschappij? Ja, Gij zijt die God, die d' oren, Wond'ren doet op wond'ren horen; Gij hebt Uwen roem alom Groot gemaakt bij 't heidendom.